18916 gebeurtenissen in 1 vertaling

'De' in de Bijbel

De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;

VersbegrippenDuizenden

De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;

VersbegrippenZeven- Tot Negenhonderd

De kinderen van Senaa, drie duizend, negenhonderd en dertig;

VersbegrippenDrieduizend En Meer

De priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig;

VersbegrippenZeven- Tot Negenhonderd

De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig;

VersbegrippenDuizenden

De kinderen van Pashur, duizend, tweehonderd zeven en veertig;

VersbegrippenDuizenden

De kinderen van Harim, duizend en zeventien;

VersbegrippenDuizenden

De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiel, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig;

VersbegrippenDe Jaren Zeventig

De zangers: de kinderen van Asaf, honderd acht en veertig;

VersbegrippenZingenZangersHonderd En Enkelen

De poortiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, honderd acht en dertig;

VersbegrippenPoortwachtersHonderd En Enkelen

De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;

VersbegrippenDienstbaarheid En Aanbidding Van God

De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon;

De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai;

De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;

De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda;

De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah;

De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;

De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;

De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;

De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;

De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa;

De kinderen der knechten van Salomo; de kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Perida;

De kinderen van Jaela, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;

De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;

Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.

VersbegrippenDrie- Tot VierhonderdDriehonderd En MeerTempelassistenten

De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.

VersbegrippenZes- Tot ZevenhonderdZeshonderd En Meer

En van de priesteren, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die een vrouw van de dochteren van Barzillai, den Gileadiet, genomen had, en naar hun naam genoemd was.

VersbegrippenMensen Die Mensen Andere Namen GevenEen Vrouw Nemen

En Hattirsatha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en thummim.

VersbegrippenDe Urim en TummimUrim En Tummin

Een deel nu van de hoofden der vaderen gaven tot het werk. Hattirsatha gaf tot den schat, aan goud, duizend drachmen, vijftig sprengbekkens, vijfhonderd en dertig priesterrokken.

VersbegrippenDe Jaren VijftigVier- Tot VijfhonderdKledij Van PriestersVier- En VijfhonderdGeld Voor De Tempel

En anderen van de hoofden der vaderen gaven tot den schat des werks, aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend en tweehonderd ponden.

VersbegrippenHoge BenoemingenGeld Voor De Tempel

En wat de overigen des volks gaven, was aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend mijnen, en zeven en zestig priesterrokken.

VersbegrippenDe Jaren ZestigKledij Van PriestersHoge BenoemingenGeld Voor De Tempel

En de priesters, en de Levieten, en de poortiers, en de zangers, en sommigen van het volk, en de Nethinim, en gans Israel, woonden in hun steden.

VersbegrippenPoortwachtersSteden in Israël

Als nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israels in hun steden waren,

VersbegrippenGeboden in OTHerfstMaand 7Genoemde PoortenBoek Van De WetSamenkomst

Zo verzamelde zich al het volk als een enig man op de straat voor de Waterpoort; en zij zeiden tot Ezra, den schriftgeleerde, dat hij het boek der wet van Mozes zou halen, die de HEERE Israel geboden had.

VersbegrippenHogepriesters In OTHeiligheid, Afzonderlijk Voor GodGeletterdheidMaand 7

En Ezra, de priester, bracht de wet voor de gemeente, beiden mannen en vrouwen, en allen, die verstandig waren om te horen, op den eersten dag der zevende maand.

VersbegrippenDageraadMiddagNamen Van De BijbelGenoemde PoortenDe Bijbel Lezen

En hij las daarin voor de straat, die voor de Waterpoort is, van het morgen licht aan tot op den middag, voor de mannen en vrouwen, en de verstandigen; en de oren des gansen volks waren naar het wetboek.

VersbegrippenStaanHoutAssistentenJuiste KantAan De Linkerkant

En Ezra, de schriftgeleerde, stond op een hogen houten stoel, dien zij tot die zaak gemaakt hadden, en nevens hem stond Mattithja, en Sema, en Anaja, en Uria, en Hilkia, en Maaseja, aan zijn rechterhand; en aan zijn linkerhand Pedaja, en Misael, en Malchia, en Hasum, en Hasbaddana, Zacharja en Mesullam.

VersbegrippenDe Daad Van OpenenDocumenten OpenenMensen Die OpstaanDe Bijbel Lezen

En Ezra loofde den HEERE, den groten God; en al het volk antwoordde: Amen, amen! met opheffing hunner handen, en neigden zich, en aanbaden den HEERE, met de aangezichten ter aarde.

VersbegrippenEen Vierde Pad

Jesua nu, en Bani, en Serebja, Jamin, Akkub, Sabbethai, Hodia, Maaseja, Kelita, Azaria, Jozabad, Hanan, Pelaja, en de Levieten onderwezen het volk in de wet. En het volk stond op zijn standplaats.

VersbegrippenBegripHet Schrift LezenDe Bijbel Lezen

En zij lazen in het boek, in de wet Gods, duidelijk; en den zin verklarende, zo maakten zij, dat men het verstond in het lezen.

VersbegrippenBestuurdersSchriftgeleerdenHuilenRouw NietHeilige Tijden

En Nehemia (dezelve is Hattirsatha) en Ezra, de priester, de schriftgeleerde, en de Levieten, die het volk onderwezen, zeiden tot al het volk: Deze dag is den HEERE, uw God, heilig; bedrijft dan geen rouw, en weent niet; want al het volk weende, als zij de woorden der wet hoorden.

VersbegrippenFeestenGezegend ZijnVrijetijd En VrijetijdsbestedingLiefdesmaalBeloofd PlezierEten Voor GodIn Neerslachtigheid VerzinkenRouw NietGod Onze KrachtAlcoholische DrankenVreugdeKracht In Harde TijdenHoop En KrachtVieringEen Goede Dag HebbenBlij Zijn En Van Het Leven GenietenSterkteVierenVriendelijkheid

Voorts zeide hij tot hen: Gaat, eet het vette, en drinkt het zoete, en zendt delen dengenen, voor welken niets bereid is, want deze dag is onzen Heere heilig; zo bedroeft u niet, want de blijdschap des HEEREN, die is uw sterkte.

VersbegrippenRouw NietHeilige Tijden

En de Levieten stilden al het volk, zeggende: Zwijgt, want deze dag is heilig, daarom bedroeft u niet.

VersbegrippenEten En DrinkenGods Woord Begrijpen

Toen ging al het volk henen om te eten, en om te drinken, en om delen te zenden, en om grote blijdschap te maken; want zij hadden de woorden verstaan, die men hun had bekend gemaakt.

VersbegrippenMaand 7

En des anderen daags verzamelden zich de hoofden der vaderen van het ganse volk, de priesters en de Levieten, tot Ezra, den schriftgeleerde, en dat, om verstand te bekomen in de woorden der wet.

VersbegrippenFeestenMaand 7

En zij vonden in de wet geschreven, dat de HEERE door de hand van Mozes geboden had, dat de kinderen Israels in loofhutten zouden wonen, op het feest in de zevende maand;

VersbegrippenSoorten TakkenOlijvenGebladerteMirte

Alzo ging het volk uit en haalden ze, en maakten zich loofhutten, een iegelijk op zijn dak, en in hun voorhoven, en in de voorhoven van Gods huis, en op de straat der Waterpoort, en op de straat van Efraimspoort.

VersbegrippenBlijdschapUnieke FeestenTijden Van Mensen

En de ganse gemeente dergenen, die uit de gevangenis waren wedergekomen, maakten loofhutten, en woonden in die loofhutten; want de kinderen Israels hadden alzo niet gedaan sinds de dagen van Jesua, den zoon van Nun, tot op dezen dag toe; en er was zeer grote blijdschap. [ (Nehemiah 8:19) En men las in het wetboek Gods dag bij dag, van den eersten dag tot den laatsten dag. En zij hielden het feest zeven dagen, en op den achtsten dag den verbodsdag, naar het recht. ]

VersbegrippenGemeenteWekenDagelijkse PlichtDag 8Zeven DagenHet Schrift Lezen

Voorts op den vier en twintigsten dag dezer maand verzamelden zich de kinderen Israels met vasten en met zakken, en aarde was op hen.

VersbegrippenDoekSoorten Van AscetismeVoorbeelden Van BerouwJute En AsVasten, Vergezeld VanMaand 7VastenVasten En Bidden

En de Levieten, Jesua, en Kadmiel, Bani, Hasabneja; Serebja, Hodia, Sebanja, Petahja, zeiden: Staat op, looft den HEERE, uw God, van eeuwigheid tot in eeuwigheid; en men love den Naam Uwer heerlijkheid, die verhoogd is boven allen lof en prijs!

VersbegrippenDe Glorie Van GodLofGod, De EeuwigeImmoraliteit In OTStaanHeerlijkheid Van GodGods Glorie OnthuldEeuwig LofGods Naam VerkondigenZegen De Heer!

Gij zijt die HEERE, de God, Die Abram hebt verkoren, en hem uit Ur der Chaldeen uitgevoerd; en Gij hebt zijn naam gesteld Abraham.

VersbegrippenHet VerledenGod Hernoemt MensenMensen Uit Andere Plaatsen Halen

En Gij hebt aangezien onzer vaderen ellende in Egypte, en Gij hebt hun geroep gehoord aan de Schelfzee;

VersbegrippenNaar De Rode Zee KomenGod Besteedde Aandacht Aan Hen

En Gij hebt de zee voor hun aangezicht gekliefd, dat zij in het midden der zee op het droge zijn doorgegaan; en hun vervolgers hebt Gij in de diepten geworpen, als een steen in sterke wateren.

VersbegrippenDoormakenVerdeling Van WaterenDroog LandMensen Als RotsenGod DodendVerdeeld WaterDe Zee GeopendGod Doodde De Mensen

En Gij hebt Uw heiligen sabbat bekend gemaakt; en Gij hebt hun geboden, en inzettingen en een wet bevolen, door de hand van Uw knecht Mozes.

VersbegrippenDienaren Van De HeerHeilige TijdenSabbat IngesteldGods Onthulde DingenDe Wet Gegeven Door Mozes

En Gij hebt hun brood uit den hemel gegeven voor hun honger, en hun water uit de steenrots voortgebracht voor hun dorst; en Gij hebt tot hen gezegd, dat zij zouden ingaan om te erven het land, waarover Gij Uw hand ophieft, dat Gij het hun zoudt geven.

VersbegrippenSoorten BroodHand Van GodMannaDorstGod Voorziet WaterGod Gaf Het Land

Hebt Gij hen nochtans door Uw grote barmhartigheid niet verlaten in de woestijn; de wolkkolom week niet van hen des daags, om hen op den weg te leiden, noch de vuurkolom des nachts, om hen te lichten, en dat, op den weg, waarin zij zouden wandelen.

VersbegrippenVerlatenheidOntvangen Van Gods BegeleidingGedenkstenenGod Verschijnt In VuurLicht In De WereldGod Die Niet VerzaaktGedurende De DagGod heeft Geleid

Alzo hebt Gij hen veertig jaren onderhouden in de woestijn; zij hebben geen gebrek gehad; hun klederen zijn niet veroud, en hun voeten niet gezwollen.

VersbegrippenKledingNummer Veertig40 Tot 50 jaarDingen Die VerslijtenGod Voorziet

Gij hebt ook hun kinderen vermenigvuldigd, als de sterren des hemels; en Gij hebt hen gebracht in het land, waarvan Gij tot hun vaderen hadt gezegd, dat zij zouden ingaan om het erfelijk te bezitten.

VersbegrippenZegeningen Aan AbrahamSterren

Alzo zijn de kinderen daarin gekomen, en hebben dat land erfelijk ingenomen; en Gij hebt de inwoners des lands, de Kanaanieten, voor hun aangezicht ten ondergebracht, en hebt hen in hun hand gegeven, mitsgaders hun koningen en de volken des lands, om daarmede te doen naar hun welgevallen.

VersbegrippenVoorbeelden Van OorlogZij Die God In Hun Handen Heeft Gegeven

Daarom hebt Gij hen gegeven in de hand hunner benauwers, die hen benauwd hebben; maar als zij in den tijd hunner benauwdheid tot U riepen, hebt Gij van den hemel gehoord, en hun naar Uw grote barmhartigheden verlossers gegeven, die hen uit de hand hunner benauwers verlosten.

VersbegrippenDe Houding Van God Tegenover WreedheidBeantwoord GebedReddingVerlossersGod Redt Van De VijandenGod Besteedde Aandacht Aan HenGod Beantwoordde Gebed

Maar als zij rust hadden, keerden zij weder om kwaad te doen voor Uw aangezicht; zo verliet Gij hen in de hand hunner vijanden, dat zij over hen heersten; als zij zich dan bekeerden, en U aanriepen, zo hebt Gij hen van den hemel gehoord, en hebt hen naar Uw barmhartigheden tot vele tijden uitgerukt.

VersbegrippenHet Medeleven Van GodVerlatenheidOpstand Van IsraëlHerhalenGod Besteedde Aandacht Aan Hen

Nu dan, o onze God, Gij grote, Gij machtige, en Gij vreselijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt; laat voor Uw aangezicht niet gering zijn al de moeite, die ons getroffen heeft, onze koningen, onze vorsten, en onze priesteren; en onze profeten, en onze vaderen, en Uw ganse volk, van de dagen der koningen van Assur af tot op dezen dag.

VersbegrippenKwellingen Tijdens Het GebedOntmoedigingGenade In OTGebed Tijdens TeleurstellingOnderschattingDe MachtigeGod Moet Gevreesd WordenGod Houdt Het VerbondOntbering

Zie, wij zijn heden knechten; ja, het land, dat Gij onzen vaderen gegeven hebt, om de vrucht daarvan, en het goede daarvan te eten, zie, daarin zijn wij knechten.

VersbegrippenGod Gaf Het LandGroepen Van Slaven

Tot de verzegelingen nu waren: Nehemia Hattirsatha, zoon van Hachalja, en Zidkia,

VersbegrippenBestuurdersDingen Verzegelen

Maazia, Bilgai, Semaja. Dit waren de priesters.

En de Levieten, namelijk: Jesua, zoon van Azanja, Binnui; van de zonen van Henadad, Kadmiel;

De hoofden des volks: Parhos, Pahath-Moab, Elam, Zatthu, Bani,

En het overige des volks, de priesteren, de Levieten, de poortiers, de zangers, de Nethinim, en al wie zich van de volken der landen had afgescheiden tot Gods wet, hun vrouwen, hun zonen en hun dochteren, al wie wetenschap en verstand had;

VersbegrippenScheiden Van Slechte MensenZangersMensen Met KennisTempelassistenten

Die hielden zich aan hun broederen, hun voortreffelijken, en kwamen in den vloek en in den eed, dat zij zouden wandelen in de wet Gods, die gegeven is door de hand van den knecht Gods, Mozes; en dat zij zouden houden, en dat zij zouden doen al de geboden des HEEREN, onzes Heeren, en Zijn rechten en Zijn inzettingen;

VersbegrippenVerbintenis Tot GodMenselijke BeloftesDienaren Van De HeerDe Vloek Van De WetLatere Verbonden Met GodMensen Die Gebonden Zijn Aan Een EedDe Wet Gegeven Door Mozes

En dat wij onze dochteren niet zouden geven aan de volken des lands, noch hun dochteren nemen voor onze zonen.

VersbegrippenExclusiviteitBeperkingen Omtrent Het HuwelijkDeelname In ZondeGemengde Huwelijken

Ook als de volken des lands waren en alle koren op den sabbatdag ten verkoop brengen, dat wij op den sabbat, of op een anderen heiligen dag van hen niet zouden nemen; en dat wij het zevende jaar zouden vrij laten, mitsgaders allerhande bezwaarnis.

VersbegrippenPersoonlijke EthiekKopen En VerkopenKredietRespect Voor De OmgevingSabbatjaarDe Sabbat In OTHandelJarenSchuldenarenKwijtschelden Van SchuldAnnuleren SchuldenDe Sabbat RespecterenSchuld

Tot het brood der toerichting, en het gedurig spijsoffer, en tot het gedurig brandoffer, der sabbatten, der nieuwe maanden, tot de gezette hoogtijden, en tot de heilige dingen, en tot de zondofferen, om verzoening te doen over Israel; en tot alle werk van het huis onzes Gods.

VersbegrippenTafelsVerzoening Door OffersRegelgeving Voor Zonde OfferingVleesoffers

Ook wierpen wij de loten, onder de priesters, de Levieten en het volk, over het offer van het hout, dat men brengen zou ten huize onzes Gods, naar het huis onzer vaderen, op bestemde tijden, jaar op jaar, om te branden op het altaar des HEEREN, onzes Gods, gelijk het in de wet geschreven is;

VersbegrippenLoten UitschrijvenHoutAltaar Van De HeerBrandhout

Dat wij ook de eerstelingen onzes lands en de eerstelingen van alle vrucht van al het geboomte, jaar op jaar, zouden brengen ten huize des HEEREN;

VersbegrippenBeweringenEerste VruchtenVerantwoordelijkheid

En de eerstgeborenen onzer zonen en onzer beesten, gelijk het in de wet geschreven is; en dat wij de eerstgeborenen onzer runderen en onzer schapen zouden brengen ten huize onzes Gods, tot de priesteren, die in het huis onzes Gods dienen.

VersbegrippenEerstgeboreneBeweringen

En dat wij de eerstelingen onzes deegs, en onze hefofferen, en de vrucht aller bomen, most en olie, zouden brengen tot de priesteren, in de kameren van het huis onzes Gods, en de tienden onzes lands tot de Levieten; en dat dezelfde Levieten de tienden zouden hebben in alle steden onzer landbouwerij;

VersbegrippenAaron, Als HogepriesterMalenBreuken, Een TiendeTiendenEerste VruchtenTienden En Offers

En dat er een priester, een zoon van Aaron, bij de Levieten zou zijn, als de Levieten de tienden ontvangen; en dat de Levieten de tienden zouden opbrengen ten huize onzes Gods, in de kameren van het schathuis.

VersbegrippenPriesterschap in OTSchatkistenBreuken, Een TiendeTiendenDe Tiende InbrengenTienden En Offers

Want de kinderen Israels en de kinderen van Levi moeten hefoffer van koren, most en olie in die kameren brengen, omdat aldaar de vaten des heiligdoms zijn, en de priesteren, die dienen, en de poortiers, en de zangers; dat wij alzo het huis onzes Gods niet zouden verlaten.

VersbegrippenOlieGods Dingen Verzuimen

Voorts woonden de oversten des volks te Jeruzalem; maar het overige des volks wierpen loten, om uit tien een uit te brengen, die in de heilige stad Jeruzalem zou wonen, en negen delen in de andere steden.

VersbegrippenStadKansEen Tiende Van De MensheidHeilige Stad

En het volk zegende al de mannen, die vrijwilliglijk aanboden te Jeruzalem te wonen.

VersbegrippenAanbevelingMensen Die ZegenenWelwillende MensenVrijwilligerswerk

En dit zijn de hoofden van het landschap, die te Jeruzalem woonden; (maar in de steden van Juda woonden, een iegelijk op zijn bezitting, in hun steden, Israel, de priesters, en de Levieten, en de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo).

VersbegrippenSteden in IsraëlTempelassistenten

Te Jeruzalem dan woonden sommigen van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin. Van de kinderen van Juda: Athaja, de zoon van Uzzia, den zoon van Zacharja, den zoon van Amarja, den zoon van Sefatja, den zoon van Mahalaleel, van de kinderen van Perez;

En Maaseja, de zoon van Baruch, den zoon van Kol-hose, den zoon van Hazaja, den zoon van Adaja, den zoon van Jojarib, den zoon van Zacharja, den zoon van Siloni.

En dit zijn de kinderen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Joed, den zoon van Pedaja, den zoon van Kolaja, den zoon van Maaseja, den zoon van Ithiel, den zoon van Jesaja;

En Joel, de zoon van Zichri, was opziener over hen; en Juda, de zoon van Senua, was de tweede over de stad.

VersbegrippenOfficieren

Van de priesteren: Jedaja, de zoon van Jojarib, Jachin;

Seraja, de zoon van Hilkia, den zoon van Mesullam, den zoon van Zadok, den zoon van Merajoth, den zoon van Ahitub, was voorganger van Gods huis;

VersbegrippenOpzichters

En hun broederen, die het werk in het huis deden, waren achthonderd twee en twintig. En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pelalja, den zoon van Amzi, den zoon van Zacharja, den zoon van Pashur, den zoon van Malchia;

VersbegrippenZeven- Tot Negenhonderd

En zijn broederen, hoofden der vaderen, waren tweehonderd twee en veertig. En Amassai, de zoon van Azareel, den zoon van Achzai, den zoon van Mesillemoth, den zoon van Immer;

VersbegrippenTweehonderd En Meer

En hun broederen, dappere helden, waren honderd acht en twintig; en opziener over hen was Zabdiel, de zoon van Gedolim.

VersbegrippenHonderd En Enkelen

En van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, den zoon van Buni.

En Sabbethai, en Jozabad, van de hoofden der Levieten, waren over het buitenwerk van het huis Gods.

En Matthanja, de zoon van Micha, den zoon van Zabdi, den zoon van Asaf, was het hoofd, die de dankzegging begon in het gebed, en Bakbukja was de tweede van zijn broederen; en Abda, de zoon van Sammua, den zoon van Galal, den zoon van Jeduthun.

VersbegrippenDankbaarheidThanksgiving

Al de Levieten in de heilige stad waren tweehonderd vier en tachtig.

VersbegrippenTweehonderd En Meer

En de poortiers: Akkub, Talmon, met hun broederen, die wacht hielden in de poorten, waren honderd twee en zeventig.

VersbegrippenPoortwachtersPoortenPortiersHonderd En Enkelen

Public domain