'Den' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:1-Genesis 21:8
- 2.Genesis 21:9-Genesis 37:31
- 3.Genesis 37:32-Exodus 6:28
- 4.Exodus 7:15-Exodus 18:20
- 5.Exodus 19:3-Exodus 29:19
- 6.Exodus 29:20-Exodus 39:2
- 7.Exodus 39:9-Leviticus 7:25
- 8.Leviticus 7:29-Leviticus 15:6
- 9.Leviticus 15:7-Leviticus 23:40
- 10.Leviticus 23:41-Numberi 6:9
- 11.Numberi 6:10-Numberi 11:17
- 12.Numberi 11:20-Numberi 21:31
- 13.Numberi 21:33-Numberi 32:23
- 14.Numberi 32:27-Deuteronomium 4:48
- 15.Deuteronomium 5:4-Deuteronomium 17:9
- 16.Deuteronomium 17:12-Deuteronomium 29:20
- 17.Deuteronomium 29:29-Jozua 8:27
- 18.Jozua 8:29-Jozua 19:34
- 19.Jozua 19:39-Richteren 3:17
- 20.Richteren 3:20-Richteren 17:4
- 21.Richteren 17:12-1 Samuël 6:9
- 22.1 Samuël 6:10-1 Samuël 17:12
- 23.1 Samuël 17:13-1 Samuël 28:10
- 24.1 Samuël 28:15-2 Samuël 11:2
- 25.2 Samuël 11:3-2 Samuël 19:14
- 26.2 Samuël 19:15-1 Koningen 1:44
- 27.1 Koningen 1:46-1 Koningen 9:15
- 28.1 Koningen 9:19-1 Koningen 16:19
- 29.1 Koningen 16:21-2 Koningen 2:14
- 30.2 Koningen 2:23-2 Koningen 9:25
- 31.2 Koningen 9:27-2 Koningen 18:6
- 32.2 Koningen 18:7-2 Koningen 25:25
- 33.2 Koningen 25:26-1 Kronieken 9:16
- 34.1 Kronieken 9:19-1 Kronieken 27:24
- 35.1 Kronieken 28:1-2 Kronieken 11:22
- 36.2 Kronieken 12:2-2 Kronieken 23:13
- 37.2 Kronieken 23:15-2 Kronieken 33:17
- 38.2 Kronieken 33:18-Ezra 7:23
- 39.Ezra 7:24-Nehemia 11:13
- 40.Nehemia 11:15-Esther 9:2
- 41.Esther 9:5-Job 24:3
- 42.Job 24:4-Psalmen 1:1
- 43.Psalmen 1:6-Psalmen 30:8
- 44.Psalmen 31:1-Psalmen 55:8
- 45.Psalmen 55:18-Psalmen 80:17
- 46.Psalmen 81:1-Psalmen 106:1
- 47.Psalmen 106:16-Psalmen 132:2
- 48.Psalmen 132:5-Spreuken 9:16
- 49.Spreuken 10:1-Spreuken 24:7
- 50.Spreuken 24:9-Prediker 12:6
- 51.Prediker 12:11-Jesaja 13:11
- 52.Jesaja 13:13-Jesaja 31:1
- 53.Jesaja 31:4-Jesaja 49:4
- 54.Jesaja 49:7-Jeremia 4:4
- 55.Jeremia 4:11-Jeremia 23:10
- 56.Jeremia 23:24-Jeremia 34:8
- 57.Jeremia 34:12-Jeremia 45:1
- 58.Jeremia 46:1-Klaagliederen 3:66
- 59.Klaagliederen 4:5-Ezechiël 24:16
- 60.Ezechiël 24:18-Ezechiël 41:16
- 61.Ezechiël 41:17-Daniël 2:10
- 62.Daniël 2:11-Daniël 9:21
- 63.Daniël 9:22-Amos 2:9
- 64.Amos 2:10-Habakuk 2:11
- 65.Habakuk 2:13-Maleachi 1:6
- 66.Maleachi 1:11-Mattheüs 10:42
- 67.Mattheüs 11:5-Mattheüs 22:16
- 68.Mattheüs 22:17-Markus 2:27
- 69.Markus 2:28-Markus 14:14
- 70.Markus 14:23-Lukas 5:5
- 71.Lukas 5:14-Lukas 16:5
- 72.Lukas 16:8-Johannes 3:8
- 73.Johannes 3:13-Johannes 14:9
- 74.Johannes 14:10-Handelingen 4:30
- 75.Handelingen 4:31-Handelingen 13:36
- 76.Handelingen 13:42-Handelingen 23:2
- 77.Handelingen 23:4-Romeinen 8:29
- 78.Romeinen 8:36-1 Corinthiërs 7:40
- 79.1 Corinthiërs 8:1-Galaten 3:2
- 80.Galaten 3:3-Filippenzen 3:6
- 81.Filippenzen 3:14-Titus 2:13
- 82.Titus 3:8-1 Petrus 2:15
- 83.1 Petrus 2:17-Openbaring 5:5
- 84.Openbaring 5:6-Openbaring 19:11
- 85.Openbaring 19:14-Openbaring 22:14
En die daarbij stonden, zeiden: Scheldt gij den hogepriester Gods?
En Paulus zeide: Ik wist niet, broeders! dat het de hogepriester was; want er is geschreven: Den overste uws volks zult gij niet vloeken.
En Paulus wetende dat het ene deel was van de Sadduceen, en het andere van de Farizeen, riep in den raad: Mannen broeders, ik ben een Farizeer, eens Farizeers zoon; ik word over de hoop en opstanding der doden geoordeeld.
En den volgenden nacht stond de Heere bij hem, en zeide: Heb goeden moed, Paulus, want gelijk gij te Jeruzalem van Mij betuigd hebt alzo moet gij ook te Rome getuigen.
Gij dan nu, laat den overste weten met den raad, dat hij hem morgen tot u afbrenge, alsof gij nadere kennis zoudt nemen van zijn zaken; en wij zijn bereid hem om te brengen, eer hij bij u komt.
En Paulus riep tot zich een van de hoofdmannen over honderd, en zeide: Leid dezen jongeling heen tot den overste; want hij heeft hem wat te boodschappen.
Deze dan nam hem en bracht hem tot den overste, en zeide: Paulus, de gevangene, heeft mij tot zich geroepen, en begeerd, dat ik dezen jongeling tot u zou brengen, die u wat heeft te zeggen.
En hij zeide: De Joden zijn overeengekomen, om van u te begeren, dat gij Paulus morgen in den raad zoudt afbrengen, alsof zij iets van hem nader zouden onderzoeken.
De overste dan liet den jongeling gaan, hem gebiedende: Zeg niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt.
En laat ze zadel beesten bestellen, opdat zij Paulus daarop zetten, en behouden overbrengen tot den stadhouder Felix.
Claudius Lysias aan den machtigsten stadhouder Felix groetenis.
Welken ik bevond beschuldigd te worden over vragen hunner wet; maar geen beschuldiging tegen hem te zijn, die den dood of banden waardig is.
En als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden een lage tegen deze man gelegd zou worden, zo heb ik hem terstond aan u gezonden; gebiedende ook den beschuldigers voor u te zeggen, hetgeen zij tegen hem hadden. Vaarwel.
Dewelken als zij te Cesarea gekomen waren, en den brief den stadhouder overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus voor hem gesteld.
En de stadhouder, den brief gelezen hebbende, vraagde, uit wat provincie hij was; en verstaande, dat hij van Cilicie was,
En vijf dagen daarna kwam de hogepriester Ananias af met de ouderlingen, en een zekeren voorspraak, genaamd Tertullus, dewelke verschenen voor den stadhouder tegen Paulus.
Die ook gepoogd heeft den tempel te ontheiligen, welken wij ook gegrepen hebben, en naar onze wet hebben willen oordelen.
En zij hebben mij noch in den tempel gevonden tot iemand sprekende, of enige samenrotting des volks makende, noch in de synagogen, noch in de stad;
Maar dit beken ik u, dat ik naar dien weg, welken zij sekte noemen, den God der vaderen alzo diene, gelovende alles, wat in de wet en in de profeten geschreven is;
Waarover mij gevonden hebben, geheiligd zijnde, in den tempel, niet met volk, noch met beroerte, enige Joden uit Azie;
Of dat dezen zelf zeggen of zij enig onrecht in mij gevonden hebben, als ik voor den raad stond;
En hij beval den hoofdman over honderd, dat Paulus zou bewaard worden, en verlichting hebben, en dat hij niemand van de zijnen zou beletten hem te dienen, of tot hem te komen.
Maar als twee jaren vervuld waren, kreeg Felix Porcius Festus in zijn plaats; en Felix, willende den Joden gunst bewijzen, liet Paulus gevangen.
Begerende gunst tegen hem, opdat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; en leggende een lage, om hem op den weg om te brengen.
En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesarea; en des anderen daags, op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij, dat Paulus zou voor gebracht worden.
Dewijl hij, antwoordende, zeide: Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den tempel, noch tegen den keizer iets gezondigd.
Maar Festus, willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden?
En Paulus zeide: Ik sta voor den rechterstoel des keizers, waar ik geoordeeld moet worden; den Joden heb ik geen onrecht gedaan; gelijk gij ook zeer wel weet.
Want indien ik onrecht doe, en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets is van hetgeen, waarvan dezen mij beschuldigen, zo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op den keizer.
Toen antwoordde Festus, als hij met den raad gesproken had: Hebt gij u op den keizer beroepen? Gij zult tot den keizer gaan.
En toen zij aldaar vele dagen doorgebracht hadden, heeft Festus de zaken van Paulus aan den koning verhaald, zeggende: Hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten;
Als zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zo heb ik, geen uitstel nemende, des daags daaraan op den rechterstoel gezeten, en beval, dat de man zoude voor gebracht worden;
En als Paulus zich beriep, dat men hem tot de kennis des keizers bewaren zou, zo heb ik bevolen, dat hij bewaard zoude worden, ter tijd toe, dat ik hem tot den keizer zenden zou.
Maar ik bevonden hebbende, dat hij niets des doods waardig gedaan had, en dewijl hij ook zelf zich op den keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden.
Van welken ik niets zekers heb aan den heer te schrijven; daarom heb ik hem voor ulieden voorgebracht, en meest voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat heb te schrijven.
Mijn leven dan van der jonkheid aan, hetwelk van den beginne onder mijn volk te Jeruzalem geweest is, weten al de Joden;
Ik meende waarlijk bij mijzelven, dat ik tegen den Naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen.
Zag ik, o koning, in het midden van den dag, op den weg een licht, boven den glans der zon, van den hemel mij en degenen, die met mij reisden, omschijnende.
Maar heb eerst dengenen, die te Damaskus waren, en te Jeruzalem, en in het gehele land van Judea, en den heidenen verkondigd, dat zij zich zouden beteren, en tot God bekeren, werken doende der bekering waardig.
Om dezer zaken wil hebben mij de Joden in den tempel gegrepen en gepoogd om te brengen.
Namelijk dat de Christus lijden moest, en dat Hij, de Eerste uit de opstanding der doden zijnde, een licht zou verkondigen dezen volke, en den heidenen.
En Agrippa zeide tot Festus: Deze mens kon losgelaten worden, indien hij zich op den keizer niet had beroepen.
Doch de hoofdman geloofde meer den stuurman en den schipper, dan hetgeen van Paulus gezegd werd.
En als het schip daarmede weggerukt werd, en niet kon tegen den wind opzeilen, gaven wij het op, en dreven heen.
En alzo wij van het onweder geweldiglijk geslingerd werden, deden zij den volgende dag een uitworp;
En den derden dag wierpen wij met onze eigen handen het scheepsgereedschap uit.
Zeggende: Vrees niet, Paulus, gij moet voor den keizer gesteld worden; en zie, God heeft u geschonken allen, die met u varen.
Maar als de scheepslieden zochten uit het schip te vlieden, en de boot nederlieten in de zee, onder den schijn, alsof zij uit het voorschip de ankers zouden uitbrengen,
Zeide Paulus tot den hoofdman en tot de krijgsknechten: Indien dezen in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden.
En als zij de ankers opgehaald hadden, gaven zij het schip aan de zee over, meteen de roerbanden losmakende; en het razeil naar den wind opgehaald hebbende, hielden zij het naar den oever toe.
En de barbaren bewezen ons geen gemene vriendelijkheid; want een groot vuur ontstoken hebbende, namen zij ons allen in, om den regen, die overkwam, en om de koude.
En het geschiedde, dat de vader van Publius, met koortsen en den roden loop bevangen zijnde, te bed lag; tot denwelken Paulus inging, en als hij gebeden had, legde hij de handen op hem, en maakte hem gezond.
Van waar wij omvoeren, en kwamen aan te Regium; en alzo, na een dag, de wind zuid werd, kwamen wij den tweeden dag te Puteoli;
En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan den overste des legers; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelven te wonen met den krijgsknecht, die hem bewaarde.
Maar als de Joden zulks tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op den keizer te beroepen; doch niet, alsof ik iets had, mijn volk te beschuldigen.
En als zij hem een dag gesteld hadden, kwamen er velen in zijn woonplaats; denwelken hij het Koninkrijk Gods uitlegde, en betuigde, en poogde hen te bewegen tot het geloof in Jezus, beide uit de wet van Mozes en de profeten, van des morgens vroeg tot den avond toe.
En tegen elkander oneens zijnde, scheidden zij; als Paulus dit ene woord gezegd had, namelijk: Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, den profeet, tot onze vaderen,
Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods den heidenen gezonden is, en dezelve zullen horen.
Predikende het Koninkrijk Gods, en lerende van den Heere Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd.
Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar den Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doden) namelijk Jezus Christus, onzen Heere:
Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.
Allen tijd in mijn gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eniger tijd goede gelegenheid gegeven werd, door den wil van God, om tot ulieden te komen.
Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.
Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden.
Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geeerd en gediend hebben boven den Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid, amen.
Oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hovaardigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, den ouderen ongehoorzaam;
Of veracht gij den rijkdom Zijner goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?
Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart, vergadert gij uzelven toorn als een schat, in den dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods.
Verdrukking en benauwdheid over alle ziel des mensen, die het kwade werkt, eerst van den Jood, en ook van den Griek;
Maar heerlijkheid, en eer, en vrede een iegelijk, die het goede werkt, eerst den Jood, en ook den Griek.
In den dag wanneer God de verborgene dingen der mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie.
Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.
Welk is dan het voordeel van den Jood? Of welk is de nuttigheid der besnijdenis?
Indien nu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek naar den mens.)
Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.
Gelijk ook David den mens zalig spreekt, welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken;
Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al den zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke een vader is van ons allen;
En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven.
Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven.
Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn.
Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.
En niet, gelijk de schuld was door den een, die gezondigd heeft, alzo is de gift; want de schuld is wel uit een misdaad tot verdoemenis, maar de genadegift is uit vele misdaden tot rechtvaardigmaking.
Want indien door de misdaad van een de dood geheerst heeft door dien enen, veel meer zullen degenen, die den overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heersen door dien Enen, namelijk Jezus Christus.
Opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot den dood, alzo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heere.
Wij zijn dan met Hem begraven, door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.
Weet gij niet, dat wien gij uzelven stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt desgenen, dien gij gehoorzaamt, of der zonde tot den dood, of der gehoorzaamheid tot gerechtigheid?
Weet gij niet, broeders! (want ik spreek tot degenen, die de wet verstaan) dat de wet heerst over den mens, zo langen tijd als hij leeft?
Want een vrouw, die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans.
Want toen wij in het vlees waren, wrochten de bewegingen der zonden, die door de wet zijn, in onze leden, om den dood vruchten te dragen.
Is dan het goede mij de dood geworden? Dat zij verre. Maar de zonde is mij de dood geworden; opdat zij zou openbaar worden zonde te zijn; werkende mij door het goede den dood; opdat de zonde boven mate werd zondigende door het gebod.
Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens;
Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.
Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.
Want die naar het vlees zijn, bedenken, dat des vleses is; maar die naar den Geest zijn, bedenken, dat des Geestes is.
Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.
Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven; maar indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven.
Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.
Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader!
Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:1-Genesis 21:8
- 2.Genesis 21:9-Genesis 37:31
- 3.Genesis 37:32-Exodus 6:28
- 4.Exodus 7:15-Exodus 18:20
- 5.Exodus 19:3-Exodus 29:19
- 6.Exodus 29:20-Exodus 39:2
- 7.Exodus 39:9-Leviticus 7:25
- 8.Leviticus 7:29-Leviticus 15:6
- 9.Leviticus 15:7-Leviticus 23:40
- 10.Leviticus 23:41-Numberi 6:9
- 11.Numberi 6:10-Numberi 11:17
- 12.Numberi 11:20-Numberi 21:31
- 13.Numberi 21:33-Numberi 32:23
- 14.Numberi 32:27-Deuteronomium 4:48
- 15.Deuteronomium 5:4-Deuteronomium 17:9
- 16.Deuteronomium 17:12-Deuteronomium 29:20
- 17.Deuteronomium 29:29-Jozua 8:27
- 18.Jozua 8:29-Jozua 19:34
- 19.Jozua 19:39-Richteren 3:17
- 20.Richteren 3:20-Richteren 17:4
- 21.Richteren 17:12-1 Samuël 6:9
- 22.1 Samuël 6:10-1 Samuël 17:12
- 23.1 Samuël 17:13-1 Samuël 28:10
- 24.1 Samuël 28:15-2 Samuël 11:2
- 25.2 Samuël 11:3-2 Samuël 19:14
- 26.2 Samuël 19:15-1 Koningen 1:44
- 27.1 Koningen 1:46-1 Koningen 9:15
- 28.1 Koningen 9:19-1 Koningen 16:19
- 29.1 Koningen 16:21-2 Koningen 2:14
- 30.2 Koningen 2:23-2 Koningen 9:25
- 31.2 Koningen 9:27-2 Koningen 18:6
- 32.2 Koningen 18:7-2 Koningen 25:25
- 33.2 Koningen 25:26-1 Kronieken 9:16
- 34.1 Kronieken 9:19-1 Kronieken 27:24
- 35.1 Kronieken 28:1-2 Kronieken 11:22
- 36.2 Kronieken 12:2-2 Kronieken 23:13
- 37.2 Kronieken 23:15-2 Kronieken 33:17
- 38.2 Kronieken 33:18-Ezra 7:23
- 39.Ezra 7:24-Nehemia 11:13
- 40.Nehemia 11:15-Esther 9:2
- 41.Esther 9:5-Job 24:3
- 42.Job 24:4-Psalmen 1:1
- 43.Psalmen 1:6-Psalmen 30:8
- 44.Psalmen 31:1-Psalmen 55:8
- 45.Psalmen 55:18-Psalmen 80:17
- 46.Psalmen 81:1-Psalmen 106:1
- 47.Psalmen 106:16-Psalmen 132:2
- 48.Psalmen 132:5-Spreuken 9:16
- 49.Spreuken 10:1-Spreuken 24:7
- 50.Spreuken 24:9-Prediker 12:6
- 51.Prediker 12:11-Jesaja 13:11
- 52.Jesaja 13:13-Jesaja 31:1
- 53.Jesaja 31:4-Jesaja 49:4
- 54.Jesaja 49:7-Jeremia 4:4
- 55.Jeremia 4:11-Jeremia 23:10
- 56.Jeremia 23:24-Jeremia 34:8
- 57.Jeremia 34:12-Jeremia 45:1
- 58.Jeremia 46:1-Klaagliederen 3:66
- 59.Klaagliederen 4:5-Ezechiël 24:16
- 60.Ezechiël 24:18-Ezechiël 41:16
- 61.Ezechiël 41:17-Daniël 2:10
- 62.Daniël 2:11-Daniël 9:21
- 63.Daniël 9:22-Amos 2:9
- 64.Amos 2:10-Habakuk 2:11
- 65.Habakuk 2:13-Maleachi 1:6
- 66.Maleachi 1:11-Mattheüs 10:42
- 67.Mattheüs 11:5-Mattheüs 22:16
- 68.Mattheüs 22:17-Markus 2:27
- 69.Markus 2:28-Markus 14:14
- 70.Markus 14:23-Lukas 5:5
- 71.Lukas 5:14-Lukas 16:5
- 72.Lukas 16:8-Johannes 3:8
- 73.Johannes 3:13-Johannes 14:9
- 74.Johannes 14:10-Handelingen 4:30
- 75.Handelingen 4:31-Handelingen 13:36
- 76.Handelingen 13:42-Handelingen 23:2
- 77.Handelingen 23:4-Romeinen 8:29
- 78.Romeinen 8:36-1 Corinthiërs 7:40
- 79.1 Corinthiërs 8:1-Galaten 3:2
- 80.Galaten 3:3-Filippenzen 3:6
- 81.Filippenzen 3:14-Titus 2:13
- 82.Titus 3:8-1 Petrus 2:15
- 83.1 Petrus 2:17-Openbaring 5:5
- 84.Openbaring 5:6-Openbaring 19:11
- 85.Openbaring 19:14-Openbaring 22:14
Verwante onderwerpen
- Aanbieden Van Granen En Plengoffers
- Aard Van Evangelisatie
- Afkeer
- Alcohol
- Altaren Bouwen
- Alwetende God
- Autoriteit Respecteren
- Beantwoorde Beloften
- Bedelaars
- Begin
- Begrip
- Beleden Zonde
- Beroepen
- Bestuurders
- Beweringen
- Bidden Tijdens Harde Tijden
- Brood
- Buigen
- Christus En De Hemel
- Communicatie
- Dag 7
- Dageraad
- De Aard Van Discipelschap
- De Aard Van Onderdrukking
- De Armen Helpen
- De Daad Van Openen
- De Duivel
- De Eenheid Van God
- De Eerste Tempel
- De Geest Van God
- De Glorie Van God
- De Kracht Van God
- De Namen Voor Christus
- De Oorsprong Van Het Kwaad
- De Openbaring Van God
- De Sabbat In OT
- De Soevereiniteit Van God
- De Vader
- De Weg
- De Zevende Dag Van De Week
- De Zon
- Deelname In Christus
- Dieren Op Specifieke Leeftijden
- Doodstraf
- Doop Van De Heilige Geest
- Doopsel
- Een Nieuwe Dag
- Een Nieuwe Start
- Eerbied En Gods Aard
- Eindigen
- Engelen Die Gods Werk Doen
- Ephah [Tien Omers]
- Familie Kracht
- Gebroken Horens
- Geen Arbeid Op Feestdagen
- Geesten
- Geesten
- Genade Voor Jou
- Genoemde Individuen Doden
- Genoemde Poorten
- Genoemde Profeten Van De Heer
- Geurtjes
- Gevallen En Verlost Hart
- Gevangenen
- God Aanbidden
- God Aanroepen
- God Behagen
- God Die Handelt Vanuit De Hemel
- God Dienen
- God Dodend
- God Haalt Israël Uit Egypte
- God Redt Van De Vijanden
- God, De Schepper
- God, Levend En Zelfvoorzienend
- Goddelijke Manifestaties
- Gods Hand
- Gods Houding Tegenover Onderdrukking
- Gods Onthulde Dingen
- Gods Redding Bekend Gemaakt
- Gods Stem
- Gods Verborgen Dingen
- Gods Waarheid
- Gods Werk Verhinderen
- Godzijdank!
- Goud
- Gretigheid
- Hand Van God
- Handicaps
- Hart En De Heilige Geest
- Heersers
- Heiligheid Van Het Leven
- Heiligheid, Afzonderlijk Voor God
- Herfst
- Het Belang Van Vertrouwen
- Het Doel Van God
- Het Laatste Oordeel
- Hogepriesters In OT
- Houdingen Tegenover Armoede
- Huizen
- Juiste Maatregelen
- Koningen Van Juda
- Laatste Dingen
- Lichaam
- Liederen
- Liefde En De Wereld
- Liefde Voor God
- Lijst van koningen van Israël
- Lof
- Lof En Aanbidding
- Lucht
- Maand
- Maand 7
- Man Van God
- Messiaanse Profetieën
- Moederschap
- Munstelsel
- Muren
- Muziek
- Naar De Hemel Gaan
- Nacht
- Namen En Titels Voor Christus
- Namen En Titels Voor De Christenen
- Namen En Titels Voor De Heilige Geest
- Namen En Titels Voor Satan
- Natuur
- Niet Sterven
- Ochtend
- Olie Op Offers
- Oneerbiedigheid
- Onrein Tot De Avond
- Ontrouw Aan God
- Op Gods Plan Vertrouwen
- Opgefriste God
- Oprechtheid
- Ovens
- Overgave
- Overwinning Op Het Kwaad
- Paden
- Perfecte Offers
- Persoonlijke Ethiek
- Pogingen Om Bepaalde Mensen Te Doden
- Praktische Zaken Omtrent Het Gebed
- Prijs De Heer!
- Prinsdommen
- Redding
- Regen
- Reine Kledij
- Relatie Tussen Vader En Zoon
- Remedies Tegen Armoede
- Rivieren
- Samen Aanbidden
- Satan
- Schapen En Geiten
- Sociale Ethiek
- Sociale Verplichtingen
- Soorten Muziekinstrumenten
- Spotters
- Staan
- Stijgen
- Strijd
- Strijdwagens
- Symbolen
- Syrië
- Tekenen Van Bekering
- Tenten
- Toekomst
- Troon
- Trots
- Trouw
- Trouw Tot God
- Twee Dieren
- Types Van Christus
- Uitrusting, Spiritueel
- Vals Vertrouwen
- Valse Goden
- Vee Offeren
- Verbintenis Tot God
- Verordeningen
- Versterkingen
- Vijanden Van Israël En Juda
- Vloeken
- Voeten
- Voorspellingen Over Christus
- Voortdurend
- Vreemdelingen
- Vrees God!
- Wachten Op De Heer
- Watervallen
- Weduwes
- Wegen
- Wijze En Methodes Van Loven
- Woord Van God
- Zeven Dagen
- Zeven Dagen Voor Juridische Zaken
- Zij Die Vroeg Opstonden
- Zitten
- Zonde Veroorzaakt Dood