'Den' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:1-Genesis 21:8
- 2.Genesis 21:9-Genesis 37:31
- 3.Genesis 37:32-Exodus 6:28
- 4.Exodus 7:15-Exodus 18:20
- 5.Exodus 19:3-Exodus 29:19
- 6.Exodus 29:20-Exodus 39:2
- 7.Exodus 39:9-Leviticus 7:25
- 8.Leviticus 7:29-Leviticus 15:6
- 9.Leviticus 15:7-Leviticus 23:40
- 10.Leviticus 23:41-Numberi 6:9
- 11.Numberi 6:10-Numberi 11:17
- 12.Numberi 11:20-Numberi 21:31
- 13.Numberi 21:33-Numberi 32:23
- 14.Numberi 32:27-Deuteronomium 4:48
- 15.Deuteronomium 5:4-Deuteronomium 17:9
- 16.Deuteronomium 17:12-Deuteronomium 29:20
- 17.Deuteronomium 29:29-Jozua 8:27
- 18.Jozua 8:29-Jozua 19:34
- 19.Jozua 19:39-Richteren 3:17
- 20.Richteren 3:20-Richteren 17:4
- 21.Richteren 17:12-1 Samuël 6:9
- 22.1 Samuël 6:10-1 Samuël 17:12
- 23.1 Samuël 17:13-1 Samuël 28:10
- 24.1 Samuël 28:15-2 Samuël 11:2
- 25.2 Samuël 11:3-2 Samuël 19:14
- 26.2 Samuël 19:15-1 Koningen 1:44
- 27.1 Koningen 1:46-1 Koningen 9:15
- 28.1 Koningen 9:19-1 Koningen 16:19
- 29.1 Koningen 16:21-2 Koningen 2:14
- 30.2 Koningen 2:23-2 Koningen 9:25
- 31.2 Koningen 9:27-2 Koningen 18:6
- 32.2 Koningen 18:7-2 Koningen 25:25
- 33.2 Koningen 25:26-1 Kronieken 9:16
- 34.1 Kronieken 9:19-1 Kronieken 27:24
- 35.1 Kronieken 28:1-2 Kronieken 11:22
- 36.2 Kronieken 12:2-2 Kronieken 23:13
- 37.2 Kronieken 23:15-2 Kronieken 33:17
- 38.2 Kronieken 33:18-Ezra 7:23
- 39.Ezra 7:24-Nehemia 11:13
- 40.Nehemia 11:15-Esther 9:2
- 41.Esther 9:5-Job 24:3
- 42.Job 24:4-Psalmen 1:1
- 43.Psalmen 1:6-Psalmen 30:8
- 44.Psalmen 31:1-Psalmen 55:8
- 45.Psalmen 55:18-Psalmen 80:17
- 46.Psalmen 81:1-Psalmen 106:1
- 47.Psalmen 106:16-Psalmen 132:2
- 48.Psalmen 132:5-Spreuken 9:16
- 49.Spreuken 10:1-Spreuken 24:7
- 50.Spreuken 24:9-Prediker 12:6
- 51.Prediker 12:11-Jesaja 13:11
- 52.Jesaja 13:13-Jesaja 31:1
- 53.Jesaja 31:4-Jesaja 49:4
- 54.Jesaja 49:7-Jeremia 4:4
- 55.Jeremia 4:11-Jeremia 23:10
- 56.Jeremia 23:24-Jeremia 34:8
- 57.Jeremia 34:12-Jeremia 45:1
- 58.Jeremia 46:1-Klaagliederen 3:66
- 59.Klaagliederen 4:5-Ezechiël 24:16
- 60.Ezechiël 24:18-Ezechiël 41:16
- 61.Ezechiël 41:17-Daniël 2:10
- 62.Daniël 2:11-Daniël 9:21
- 63.Daniël 9:22-Amos 2:9
- 64.Amos 2:10-Habakuk 2:11
- 65.Habakuk 2:13-Maleachi 1:6
- 66.Maleachi 1:11-Mattheüs 10:42
- 67.Mattheüs 11:5-Mattheüs 22:16
- 68.Mattheüs 22:17-Markus 2:27
- 69.Markus 2:28-Markus 14:14
- 70.Markus 14:23-Lukas 5:5
- 71.Lukas 5:14-Lukas 16:5
- 72.Lukas 16:8-Johannes 3:8
- 73.Johannes 3:13-Johannes 14:9
- 74.Johannes 14:10-Handelingen 4:30
- 75.Handelingen 4:31-Handelingen 13:36
- 76.Handelingen 13:42-Handelingen 23:2
- 77.Handelingen 23:4-Romeinen 8:29
- 78.Romeinen 8:36-1 Corinthiërs 7:40
- 79.1 Corinthiërs 8:1-Galaten 3:2
- 80.Galaten 3:3-Filippenzen 3:6
- 81.Filippenzen 3:14-Titus 2:13
- 82.Titus 3:8-1 Petrus 2:15
- 83.1 Petrus 2:17-Openbaring 5:5
- 84.Openbaring 5:6-Openbaring 19:11
- 85.Openbaring 19:14-Openbaring 22:14
En al de schatsteden, die Salomo had, en de wagensteden, en de steden der ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerde te bouwen, in Jeruzalem, en op den Libanon, en in het ganse land zijner heerschappij.
En Salomo offerde driemaal des jaars brandofferen en dankofferen, op het altaar, dat hij den HEERE gebouwd had, en rookte op dat, hetwelk voor het aangezicht des HEEREN was, als hij het huis volmaakt had.
De koning Salomo maakte ook schepen te Ezeon-Geber, dat bij Eloth is, aan den oever der Schelfzee, in het land van Edom.
En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot den koning Salomo.
En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, aangaande den Naam des HEEREN, kwam zij, om hem met raadselen te verzoeken.
En Salomo verklaarde haar al haar woorden; geen ding was er verborgen voor den koning, dat hij haar niet verklaarde.
En zij zeide tot den koning: Het woord is waarheid geweest, dat ik in mijn land gehoord heb, van uw zaken en van uw wijsheid.
Geloofd zij de HEERE, uw God, Die behagen in u heeft gehad, om u op den troon van Israel te zetten! Omdat de HEERE Israel in eeuwigheid bemint, daarom heeft Hij u tot koning gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.
En zij gaf den koning honderd en twintig talenten gouds, en zeer veel specerijen, en kostelijk gesteente; als deze specerij, die de koningin van Scheba den koning Salomo gaf, is er nooit meer in menigte gekomen.
En de koning Salomo gaf de koningin van Scheba al haar behagen, wat zij begeerde; behalve dat hij haar gaf naar het vermogen van den koning Salomo; zo keerde zij en toog in haar land, zij en haar knechten.
Behalve dat van de kramers was, en van den handel der kruideniers, en van alle koningen van Arabie, en van de geweldigen van dat land.
Deze troon had zes trappen, en het hoofd van den troon was van achteren rond, en aan beide zijden waren leuningen tot de zitplaats toe, en twee leeuwen stonden bij die leuningen.
Ook waren alle drinkvaten van den koning Salomo van goud, en alle vaten van het huis des wouds van Libanon waren van gesloten goud; geen zilver was er aan; want het werd in de dagen van Salomo niet voor enig ding geacht.
Daartoe vergaderde Salomo wagenen en ruiteren, en hij had duizend en vierhonderd wagenen, en twaalf duizend ruiteren, en legde ze in de wagensteden en bij den koning in Jeruzalem.
En het uitbrengen der paarden was hetgeen Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnen garen, de kooplieden des konings namen het linnen garen voor den prijs.
Want het geschiedde in den tijd van Salomo's ouderdom, dat zijn vrouwen zijn hart achter andere goden neigden; dat zijn hart niet volkomen was met den HEERE, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David.
Want Salomo wandelde Astoreth, den god der Sidoniers, na, en Milchom, het verfoeisel der Ammonieten.
Alzo deed Salomo dat kwaad was in de ogen des HEEREN; en volhardde niet den HEERE te volgen, gelijk zijn vader David.
Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel der Moabieten, op den berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel der kinderen Ammons.
Daarom vertoornde Zich de HEERE tegen Salomo, omdat hij zijn hart geneigd had van den HEERE, den God Israels, Die hem tweemaal verschenen was.
Zo verwekte de HEERE Salomo een tegenpartijder, Hadad, den Edomiet; hij was van des konings zaad in Edom.
En zij maakten zich op van Midian, en kwamen tot Paran, en kwamen in Egypte tot Farao, den koning van Egypte, die hem een huis gaf, en hem voeding toezeide, en hem een land gaf.
Ook verwekte God hem een wederpartijder, Rezon, den zoon van Eljada, die gevloden was van zijn heer Hadad-ezer, den koning van Zoba,
Daartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet van Zereda, Salomo's knecht (wiens moeders naam was Zerua, een weduwvrouw), hief ook de hand op tegen den koning.
Dit is nu de zaak, waarom hij de hand tegen den koning ophief. Salomo bouwde Millo, en sloot de breuk der stad van zijn vader David toe.
En de man Jerobeam was een dapper held. Toen Salomo dezen jongeling zag, dat hij arbeidzaam was, zo stelde hij hem over al den last van het huis van Jozef.
Het geschiedde nu te dier tijd, als Jerobeam uit Jeruzalem uitging, dat de profeet Ahia, de Siloniet, hem op den weg vond, en hij zich een nieuw kleed aangedaan had, en zij beiden alleen op het veld waren;
Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, den god der Sidoniers, Kamos, den god der Moabieten, en Milchom, den god der kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David.
Daarom zocht Salomo Jerobeam te doden; maar Jerobeam maakte zich op, en vlood in Egypte, tot Sisak, den koning van Egypte, en was in Egypte, totdat Salomo stierf.
Het geschiedde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde, daar hij nog in Egypte was (want hij was van het aangezicht van den koning Salomo gevloden; en Jerobeam woonde in Egypte),
En hij zeide tot hen: Gaat heen tot aan den derden dag, komt dan weder tot mij. En het volk ging heen.
Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden.
Zo kwam Jerobeam en het ganse volk tot Rehabeam op den derden dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag.
En de koning antwoordde het volk hardelijk; want hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden.
En hij sprak tot hen naar den raad der jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van den HEERE, opdat Hij Zijn woord bevestigde, hetwelk de HEERE door den dienst van Ahia, den Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, den zoon van Nebat.
Toen gans Israel zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk den koning weder antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isai; naar uw tenten, o Israel! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israel naar zijn tenten.
Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het ganse huis van Juda en den stam van Benjamin, honderd en tachtig duizend uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen het huis Israels te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehabeam, den zoon van Salomo, bracht.
Doch het woord van God geschiedde tot Semaja, den man Gods, zeggende:
Zeg tot Rehabeam, den zoon van Salomo, den koning van Juda, en tot het ganse huis van Juda en Benjamin, en overige des volks, zeggende:
Zo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het huis des HEEREN te Jeruzalem, zo zal het hart dezes volks tot hun heer, tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkeren.
En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op den vijftienden dag der maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-El, offerende den kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-El priesteren der hoogten, die hij gemaakt had.
En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-El gemaakt had, op den vijftienden dag der achtste maand, der maand, dewelke hij uit zijn hart verdacht had; zo maakte hij den kinderen Israels een feest, en offerde op dat altaar, rokende.
Het geschiedde nu, als de koning het woord van den man Gods hoorde, hetwelk hij tegen het altaar te Beth-El geroepen had, dat Jerobeam zijn hand van op het altaar uitstrekte, zeggende: Grijpt hem! Maar zijn hand, die hij tegen hem uitgestrekt had, verdorde, dat hij ze niet weder tot zich trekken kon.
Toen antwoordde de koning, en zeide tot den man Gods: Aanbid toch het aangezicht des HEEREN, uws Gods, ernstelijk, en bid voor mij, dat mijn hand weder tot mij kome! Toen bad de man Gods het aangezicht des HEEREN ernstelijk; en de hand des konings kwam weder tot hem, en werd gelijk te voren.
En de koning sprak tot den man Gods: Kom met mij naar huis, en sterk u, en ik zal u een geschenk geven.
Maar de man Gods zeide tot den koning: Al gaaft gij mij de helft van uw huis, zo zou ik niet met u gaan, en ik zou in deze plaats geen brood eten, noch water drinken.
Want zo heeft mij de HEERE geboden door Zijn woord, zeggende: Gij zult geen brood eten, noch water drinken; en gij zult niet wederkeren door den weg, dien gij gegaan zijt.
En hij ging door een anderen weg, en keerde niet weder door den weg, door welken hij te Beth-El gekomen was.
Een oud profeet nu woonde te Beth-El; en zijn zoon kwam, en vertelde hem al het werk, dat de man Gods te dien dage in Beth-El gedaan had, met de woorden, die hij tot den koning gesproken had; deze vertelden zij ook hun vader.
En hun vader sprak tot hen: Wat weg is hij getogen? En zijn zonen hadden den weg gezien, welken de man Gods was getogen, die uit Juda gekomen was.
Toen zeide hij tot zijn zonen: Zadelt mij den ezel. En zij zadelden hem den ezel, en hij reed daarop.
En hij toog den man Gods na, en vond hem zittende onder een eik; en hij zeide tot hem: Zijt gij de man Gods, die uit Juda gekomen zijt? En hij zeide: Ik ben het.
Want een woord is tot mij geschied door het woord des HEEREN: Gij zult aldaar noch brood eten, noch water drinken; gij zult niet wederkeren, gaande door den weg, door denwelken gij gegaan zijt.
En het geschiedde, als zij aan de tafel zaten, dat het woord des HEEREN geschiedde tot den profeet, die hem had doen wederkeren;
En hij riep tot den man Gods, die uit Juda gekomen was, zeggende: Zo zegt de HEERE: Daarom dat gij den mond des HEEREN zijt wederspannig geweest, en niet gehouden hebt het gebod, dat u de HEERE, uw God, geboden had,
En het geschiedde, nadat hij brood gegeten, en nadat hij gedronken had, dat hij hem den ezel zadelde, te weten voor den profeet, dien hij had koen wederkeren.
Zo toog hij heen, en een leeuw vond hem op den weg, en doodde hem; en zijn dood lichaam lag geworpen op den weg, en de ezel stond daarbij; ook stond de leeuw bij het dode lichaam.
En ziet, er gingen lieden voorbij, en zagen het dode lichaam geworpen op den weg, en den leeuw, staande bij het dode lichaam; en zij kwamen en zeiden het in de stad, waarin de oude profeet woonde.
Als de profeet, die hem van den weg had doen wederkeren, dit hoorde, zo zeide hij: Het is de man Gods, die den mond des HEEREN wederspannig is geweest; daarom heeft de HEERE hem den leeuw overgegeven die hem gebroken, en hem gedood heeft, naar het woord des HEEREN, dat Hij tot hem gesproken had.
Verder sprak hij tot zijn zonen, zeggende: Zadelt mij den ezel. En zij zadelden hem.
Toen toog hij heen, en vond zijn dood lichaam geworpen op den weg, en den ezel, en den leeuw, staande bij het dode lichaam; de leeuw had het dode lichaam niet gegeten, en den ezel niet gebroken.
Toen nam de profeet het dode lichaam van den man Gods op, en legde dat op den ezel, en voerde het wederom; zo kwam de oude profeet in de stad om rouw te bedrijven en hem te begraven.
En hij werd in deze zaak het huis van Jerobeam tot zonde, om hetzelve te doen afsnijden en te verdelgen van den aardbodem.
Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien, wat mannelijk is, den beslotene en verlatene in Israel; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij.
En gans Israel zal hem beklagen, en hem begraven; want deze alleen van Jerobeam zal in het graf komen, omdat in hem wat goeds voor den HEERE, den God Israels, in het huis van Jerobeam gevonden is.
De HEERE zal ook Israel slaan, gelijk een riet in het water omgedreven wordt, en zal Israel uitrukken uit dit goede land, dat Hij hun vaderen gegeven heeft, en zal hen verstrooien op gene zijde der rivier; daarom dat zij hun bossen gemaakt hebben, den HEERE tot toorn verwekkende.
Toen maakte zich Jerobeams vrouw op, en ging heen, en kwam te Thirza; als zij nu op den dorpel van het huis kwam, zo stierf de jongeling.
En zij begroeven hem, en gans Israel beklaagde hem; naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst van Zijn knecht Ahia, den profeet.
Het geschiedde nu in het vijfde jaar van den koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, optoog tegen Jeruzalem.
In het achttiende jaar nu van den koning Jerobeam, den zoon van Nebat, werd Abiam koning over Juda.
En hij wandelde in al de zonden zijns vaders, die hij voor hem gedaan had; en zijn hart was niet volkomen met den HEERE, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David.
Omdat David gedaan had wat recht was in de ogen des HEEREN, en niet geweken was van alles, wat Hij hem geboden had, al de dagen zijns levens, dan alleen in de zaak van Uria, den Hethiet.
In het twintigste jaar van Jerobeam, den koning van Israel, werd Asa koning over Juda.
De hoogten werden wel niet weggenomen; nochtans was het hart van Asa volkomen met den HEERE, al zijn dagen.
En er was krijg tussen Asa en tussen Baesa, den koning van Israel, al hun dagen.
Want Baesa, de koning van Israel, toog op tegen Juda, en bouwde Rama; opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, den koning van Juda.
Toen nam Asa al het zilver en goud, dat overgebleven was in de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings, en gaf ze in de hand zijner knechten; en de koning Asa zond ze tot Benhadad, den zoon van Tabrimmon, den zoon van Hezion, den koning van Syrie, die te Damaskus woonde, zeggende:
Er is een verbond tussen mij en tussen u, tussen mijn vader en tussen uw vader; zie, ik zend u een geschenk, zilver en goud; ga heen, maak uw verbond te niet met Baesa, den koning van Israel, dat hij aftrekke van tegen mij.
En Benhadad hoorde naar den koning Asa, en zond de oversten der heiren, die hij had, tegen de steden van Israel; en sloeg Ijon, en Dan, en Abel Beth-Maacha, en het ganse Cinneroth, met het ganse land Nafthali.
Het overige nu van alle geschiedenissen van Asa, en al zijn macht, en al wat hij gedaan heeft, en de steden, die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? Doch in den tijd zijns ouderdoms werd hij krank aan zijn voeten.
Nadab nu, de zoon van Jerobeam, werd koning over Israel, in het tweede jaar van Asa, den koning van Juda; en hij regeerde twee jaren over Israel.
En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en wandelde in den weg zijns vaders, en in zijn zonde, waarmede hij Israel had doen zondigen.
En Baesa doodde hem, in het derde jaar van Asa, den koning van Juda, en werd koning in zijn plaats.
Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het ganse huis van Jerobeam sloeg; hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst van Zijn knecht Ahia, den Siloniet;
Om de zonden van Jerobeam, die zondigde, en die Israel zondigen deed, en om zijn terging, waarmede hij den HEERE, den God Israels, getergd had.
En er was oorlog tussen Asa en tussen Baesa, den koning van Israel, al hun dagen.
En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en wandelde in den weg van Jerobeam, en in zijn zonde, waarmede hij Israel had doen zondigen.
Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Jehu, den zoon van Hanani, tegen Baesa, zeggende:
Daarom, dat Ik u uit het stof verheven, en u tot een voorganger over Mijn volk Israel gesteld heb, en gij gewandeld hebt in den weg van Jerobeam, en Mijn volk Israel hebt doen zondigen, Mij tot toorn verwekkende door hun zonden;
Zie, zo zal Ik de nakomelingen van Baesa, en de nakomelingen van zijn huis wegdoen; en Ik zal uw huis maken, gelijk het huis van Jerobeam, den zoon van Nebat.
Alzo geschiedde ook het woord des HEEREN, door den dienst van den profeet Jehu, den zoon van Hanani, tegen Baesa en tegen zijn huis; en dat om al het kwaad, dat hij gedaan had in de ogen des HEEREN, Hem tot toorn verwekkende door het werk zijner handen, omdat hij was gelijk het huis van Jerobeam, en omdat hij hetzelve verslagen had.
In het zes en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Ela, de zoon van Baesa, koning over Israel, te Thirza, en regeerde twee jaren.
En Zimri, zijn knecht, overste van de helft der wagenen, maakte een verbintenis tegen hem, als hij te Thirza was, zich dronken drinkende in het huis van Arza, den hofmeester te Thirza;
Zo kwam Zimri in, en sloeg hem, en doodde hem, in het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda; en hij werd koning in zijn plaats.
Alzo verdelgde Zimri het ganse huis van Baesa, naar het woord des HEEREN, dat Hij over Baesa gesproken had, door den dienst van den profeet Jehu;
Om al de zonden van Baesa, en de zonden van Ela, zijn zoon, waarmede zij gezondigd hadden, en waarmede zij Israel hadden doen zondigen, tot toorn verwekkende den HEERE, den God Israels, door hun ijdelheden.
In het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen te Thirza; en het volk had zich gelegerd tegen Gibbethon, dat der Filistijnen is.
Het volk nu, dat zich gelegerd had, hoorde zeggen: Zimri heeft een verbintenis gemaakt, ja, heeft ook den koning verslagen; daarom maakte het ganse Israel ten zelfden dage Omri, den krijgsoverste, koning over Israel, in het leger.
Om zijn zonden, die hij gezondigd had, doende wat kwaad was in de ogen des HEEREN, wandelende in den weg van Jerobeam, en in zijn zonde, die hij gedaan had, doende Israel zondigen.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:1-Genesis 21:8
- 2.Genesis 21:9-Genesis 37:31
- 3.Genesis 37:32-Exodus 6:28
- 4.Exodus 7:15-Exodus 18:20
- 5.Exodus 19:3-Exodus 29:19
- 6.Exodus 29:20-Exodus 39:2
- 7.Exodus 39:9-Leviticus 7:25
- 8.Leviticus 7:29-Leviticus 15:6
- 9.Leviticus 15:7-Leviticus 23:40
- 10.Leviticus 23:41-Numberi 6:9
- 11.Numberi 6:10-Numberi 11:17
- 12.Numberi 11:20-Numberi 21:31
- 13.Numberi 21:33-Numberi 32:23
- 14.Numberi 32:27-Deuteronomium 4:48
- 15.Deuteronomium 5:4-Deuteronomium 17:9
- 16.Deuteronomium 17:12-Deuteronomium 29:20
- 17.Deuteronomium 29:29-Jozua 8:27
- 18.Jozua 8:29-Jozua 19:34
- 19.Jozua 19:39-Richteren 3:17
- 20.Richteren 3:20-Richteren 17:4
- 21.Richteren 17:12-1 Samuël 6:9
- 22.1 Samuël 6:10-1 Samuël 17:12
- 23.1 Samuël 17:13-1 Samuël 28:10
- 24.1 Samuël 28:15-2 Samuël 11:2
- 25.2 Samuël 11:3-2 Samuël 19:14
- 26.2 Samuël 19:15-1 Koningen 1:44
- 27.1 Koningen 1:46-1 Koningen 9:15
- 28.1 Koningen 9:19-1 Koningen 16:19
- 29.1 Koningen 16:21-2 Koningen 2:14
- 30.2 Koningen 2:23-2 Koningen 9:25
- 31.2 Koningen 9:27-2 Koningen 18:6
- 32.2 Koningen 18:7-2 Koningen 25:25
- 33.2 Koningen 25:26-1 Kronieken 9:16
- 34.1 Kronieken 9:19-1 Kronieken 27:24
- 35.1 Kronieken 28:1-2 Kronieken 11:22
- 36.2 Kronieken 12:2-2 Kronieken 23:13
- 37.2 Kronieken 23:15-2 Kronieken 33:17
- 38.2 Kronieken 33:18-Ezra 7:23
- 39.Ezra 7:24-Nehemia 11:13
- 40.Nehemia 11:15-Esther 9:2
- 41.Esther 9:5-Job 24:3
- 42.Job 24:4-Psalmen 1:1
- 43.Psalmen 1:6-Psalmen 30:8
- 44.Psalmen 31:1-Psalmen 55:8
- 45.Psalmen 55:18-Psalmen 80:17
- 46.Psalmen 81:1-Psalmen 106:1
- 47.Psalmen 106:16-Psalmen 132:2
- 48.Psalmen 132:5-Spreuken 9:16
- 49.Spreuken 10:1-Spreuken 24:7
- 50.Spreuken 24:9-Prediker 12:6
- 51.Prediker 12:11-Jesaja 13:11
- 52.Jesaja 13:13-Jesaja 31:1
- 53.Jesaja 31:4-Jesaja 49:4
- 54.Jesaja 49:7-Jeremia 4:4
- 55.Jeremia 4:11-Jeremia 23:10
- 56.Jeremia 23:24-Jeremia 34:8
- 57.Jeremia 34:12-Jeremia 45:1
- 58.Jeremia 46:1-Klaagliederen 3:66
- 59.Klaagliederen 4:5-Ezechiël 24:16
- 60.Ezechiël 24:18-Ezechiël 41:16
- 61.Ezechiël 41:17-Daniël 2:10
- 62.Daniël 2:11-Daniël 9:21
- 63.Daniël 9:22-Amos 2:9
- 64.Amos 2:10-Habakuk 2:11
- 65.Habakuk 2:13-Maleachi 1:6
- 66.Maleachi 1:11-Mattheüs 10:42
- 67.Mattheüs 11:5-Mattheüs 22:16
- 68.Mattheüs 22:17-Markus 2:27
- 69.Markus 2:28-Markus 14:14
- 70.Markus 14:23-Lukas 5:5
- 71.Lukas 5:14-Lukas 16:5
- 72.Lukas 16:8-Johannes 3:8
- 73.Johannes 3:13-Johannes 14:9
- 74.Johannes 14:10-Handelingen 4:30
- 75.Handelingen 4:31-Handelingen 13:36
- 76.Handelingen 13:42-Handelingen 23:2
- 77.Handelingen 23:4-Romeinen 8:29
- 78.Romeinen 8:36-1 Corinthiërs 7:40
- 79.1 Corinthiërs 8:1-Galaten 3:2
- 80.Galaten 3:3-Filippenzen 3:6
- 81.Filippenzen 3:14-Titus 2:13
- 82.Titus 3:8-1 Petrus 2:15
- 83.1 Petrus 2:17-Openbaring 5:5
- 84.Openbaring 5:6-Openbaring 19:11
- 85.Openbaring 19:14-Openbaring 22:14
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (276)
- Exodus (355)
- Leviticus (307)
- Numberi (411)
- Deuteronomium (296)
- Jozua (231)
- Richteren (170)
- Ruth (16)
- 1 Samuël (262)
- 2 Samuël (249)
- 1 Koningen (315)
- 2 Koningen (316)
- 1 Kronieken (219)
- 2 Kronieken (318)
- Ezra (80)
- Nehemia (110)
- Esther (87)
- Job (181)
- Psalmen (556)
- Spreuken (199)
- Prediker (47)
- Hooglied (10)
- Jesaja (370)
- Jeremia (392)
- Klaagliederen (32)
- Ezechiël (278)
- Daniël (144)
- Hosea (48)
- Joël (15)
- Amos (43)
- Obadja (6)
- Jona (16)
- Micha (28)
- Nahum (12)
- Habakuk (15)
- Zefanja (19)
- Zacharia (69)
- Maleachi (22)
- Mattheüs (259)
- Markus (145)
- Lukas (254)
- Johannes (178)
- Handelingen (303)
- Romeinen (93)
- 1 Corinthiërs (98)
- 2 Corinthiër (41)
- Galaten (32)
- Efeziërs (56)
- Filippenzen (27)
- Colossenzen (22)
- 1 Thessalonicenzen (16)
- 2 Thessalonicenzen (10)
- 1 Timotheüs (20)
- 2 Timotheüs (18)
- Titus (10)
- Filémon (5)
- Hebreeën (57)
- Jakobus (26)
- 1 Petrus (23)
- 2 Petrus (15)
- 1 Johannes (31)
- 2 Johannes (5)
- 3 Johannes (1)
- Judas (8)
- Openbaring (149)
Verwante onderwerpen
- Aanbieden Van Granen En Plengoffers
- Aard Van Evangelisatie
- Afkeer
- Alcohol
- Altaren Bouwen
- Alwetende God
- Autoriteit Respecteren
- Beantwoorde Beloften
- Bedelaars
- Begin
- Begrip
- Beleden Zonde
- Beroepen
- Bestuurders
- Beweringen
- Bidden Tijdens Harde Tijden
- Brood
- Buigen
- Christus En De Hemel
- Communicatie
- Dag 7
- Dageraad
- De Aard Van Discipelschap
- De Aard Van Onderdrukking
- De Armen Helpen
- De Daad Van Openen
- De Duivel
- De Eenheid Van God
- De Eerste Tempel
- De Geest Van God
- De Glorie Van God
- De Kracht Van God
- De Namen Voor Christus
- De Oorsprong Van Het Kwaad
- De Openbaring Van God
- De Sabbat In OT
- De Soevereiniteit Van God
- De Vader
- De Weg
- De Zevende Dag Van De Week
- De Zon
- Deelname In Christus
- Dieren Op Specifieke Leeftijden
- Doodstraf
- Doop Van De Heilige Geest
- Doopsel
- Een Nieuwe Dag
- Een Nieuwe Start
- Eerbied En Gods Aard
- Eindigen
- Engelen Die Gods Werk Doen
- Ephah [Tien Omers]
- Familie Kracht
- Gebroken Horens
- Geen Arbeid Op Feestdagen
- Geesten
- Geesten
- Genade Voor Jou
- Genoemde Individuen Doden
- Genoemde Poorten
- Genoemde Profeten Van De Heer
- Geurtjes
- Gevallen En Verlost Hart
- Gevangenen
- God Aanbidden
- God Aanroepen
- God Behagen
- God Die Handelt Vanuit De Hemel
- God Dienen
- God Dodend
- God Haalt Israël Uit Egypte
- God Redt Van De Vijanden
- God, De Schepper
- God, Levend En Zelfvoorzienend
- Goddelijke Manifestaties
- Gods Hand
- Gods Houding Tegenover Onderdrukking
- Gods Onthulde Dingen
- Gods Redding Bekend Gemaakt
- Gods Stem
- Gods Verborgen Dingen
- Gods Waarheid
- Gods Werk Verhinderen
- Godzijdank!
- Goud
- Gretigheid
- Hand Van God
- Handicaps
- Hart En De Heilige Geest
- Heersers
- Heiligheid Van Het Leven
- Heiligheid, Afzonderlijk Voor God
- Herfst
- Het Belang Van Vertrouwen
- Het Doel Van God
- Het Laatste Oordeel
- Hogepriesters In OT
- Houdingen Tegenover Armoede
- Huizen
- Juiste Maatregelen
- Koningen Van Juda
- Laatste Dingen
- Lichaam
- Liederen
- Liefde En De Wereld
- Liefde Voor God
- Lijst van koningen van Israël
- Lof
- Lof En Aanbidding
- Lucht
- Maand
- Maand 7
- Man Van God
- Messiaanse Profetieën
- Moederschap
- Munstelsel
- Muren
- Muziek
- Naar De Hemel Gaan
- Nacht
- Namen En Titels Voor Christus
- Namen En Titels Voor De Christenen
- Namen En Titels Voor De Heilige Geest
- Namen En Titels Voor Satan
- Natuur
- Niet Sterven
- Ochtend
- Olie Op Offers
- Oneerbiedigheid
- Onrein Tot De Avond
- Ontrouw Aan God
- Op Gods Plan Vertrouwen
- Opgefriste God
- Oprechtheid
- Ovens
- Overgave
- Overwinning Op Het Kwaad
- Paden
- Perfecte Offers
- Persoonlijke Ethiek
- Pogingen Om Bepaalde Mensen Te Doden
- Praktische Zaken Omtrent Het Gebed
- Prijs De Heer!
- Prinsdommen
- Redding
- Regen
- Reine Kledij
- Relatie Tussen Vader En Zoon
- Remedies Tegen Armoede
- Rivieren
- Samen Aanbidden
- Satan
- Schapen En Geiten
- Sociale Ethiek
- Sociale Verplichtingen
- Soorten Muziekinstrumenten
- Spotters
- Staan
- Stijgen
- Strijd
- Strijdwagens
- Symbolen
- Syrië
- Tekenen Van Bekering
- Tenten
- Toekomst
- Troon
- Trots
- Trouw
- Trouw Tot God
- Twee Dieren
- Types Van Christus
- Uitrusting, Spiritueel
- Vals Vertrouwen
- Valse Goden
- Vee Offeren
- Verbintenis Tot God
- Verordeningen
- Versterkingen
- Vijanden Van Israël En Juda
- Vloeken
- Voeten
- Voorspellingen Over Christus
- Voortdurend
- Vreemdelingen
- Vrees God!
- Wachten Op De Heer
- Watervallen
- Weduwes
- Wegen
- Wijze En Methodes Van Loven
- Woord Van God
- Zeven Dagen
- Zeven Dagen Voor Juridische Zaken
- Zij Die Vroeg Opstonden
- Zitten
- Zonde Veroorzaakt Dood