'Der' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:6-Genesis 36:30
- 2.Genesis 36:34-Exodus 13:11
- 3.Exodus 13:12-Exodus 33:9
- 4.Exodus 33:10-Leviticus 10:7
- 5.Leviticus 10:9-Numberi 1:18
- 6.Numberi 1:20-Numberi 7:36
- 7.Numberi 7:42-Numberi 21:22
- 8.Numberi 21:24-Numberi 31:26
- 9.Numberi 31:30-Deuteronomium 16:19
- 10.Deuteronomium 17:7-Jozua 10:5
- 11.Jozua 10:6-Jozua 24:9
- 12.Jozua 24:12-Richteren 16:14
- 13.Richteren 16:18-1 Samuël 18:25
- 14.1 Samuël 18:30-2 Samuël 19:35
- 15.2 Samuël 19:43-1 Koningen 17:17
- 16.1 Koningen 18:15-2 Koningen 18:11
- 17.2 Koningen 18:20-1 Kronieken 9:32
- 18.1 Kronieken 9:33-1 Kronieken 29:18
- 19.1 Kronieken 29:30-2 Kronieken 28:3
- 20.2 Kronieken 28:12-Ezra 6:8
- 21.Ezra 6:9-Esther 1:17
- 22.Esther 1:18-Job 22:24
- 23.Job 24:3-Psalmen 22:21
- 24.Psalmen 22:22-Psalmen 80:4
- 25.Psalmen 80:7-Psalmen 119:144
- 26.Psalmen 119:160-Spreuken 8:13
- 27.Spreuken 8:16-Spreuken 20:29
- 28.Spreuken 20:30-Hooglied 6:11
- 29.Hooglied 7:9-Jesaja 16:8
- 30.Jesaja 17:3-Jesaja 37:16
- 31.Jesaja 37:20-Jeremia 2:19
- 32.Jeremia 2:31-Jeremia 25:12
- 33.Jeremia 25:15-Jeremia 39:5
- 34.Jeremia 39:9-Jeremia 52:8
- 35.Jeremia 52:12-Ezechiël 21:19
- 36.Ezechiël 21:20-Ezechiël 36:5
- 37.Ezechiël 36:6-Daniël 3:15
- 38.Daniël 3:24-Amos 1:9
- 39.Amos 1:13-Zacharia 2:11
- 40.Zacharia 3:7-Mattheüs 4:19
- 41.Mattheüs 5:3-Mattheüs 25:30
- 42.Mattheüs 25:34-Lukas 7:12
- 43.Lukas 7:36-Johannes 12:9
- 44.Johannes 12:34-Handelingen 16:27
- 45.Handelingen 17:1-Romeinen 8:15
- 46.Romeinen 8:19-2 Corinthiër 1:3
- 47.2 Corinthiër 3:6-Colossenzen 2:2
- 48.Colossenzen 2:3-Hebreeën 7:12
- 49.Hebreeën 7:17-2 Petrus 2:19
- 50.2 Petrus 2:20-Openbaring 18:13
- 51.Openbaring 18:14-Openbaring 22:18
Den ezel der wezen drijven zij weg; den os ener weduwe nemen zij te pand.
Van den stroom der bergen worden zij nat, en zonder toevlucht zijnde, omhelzen zij de steenrotsen.
Uit de stad zuchten de lieden, en de ziel der verwonden schreeuwt uit; nochtans beschikt God niets ongerijmds.
Hij is licht op het vlakke der wateren; vervloekt is hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot den weg der wijngaarden.
Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.
Ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan den donder Zijner mogendheden verstaan?
Dit is het deel des goddelozen mensen bij God, en de erve der tirannen, die zij van den Almachtige ontvangen zullen.
Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods.
De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.
De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.
De Ramoth en Gabisch zal niet gedacht worden; want de trek der wijsheid is meerder dan der Robijnen.
Want Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen.
Als Hij den regen een gezette orde maakte, en een weg voor het weerlicht der donderen;
De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
De zegen desgenen, die verloren ging, kwam op mij; en het hart der weduwe deed ik vrolijk zingen.
Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was de wortel der jeneveren.
Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen.
Zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit den lande.
Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks.
Want ik weet, dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden.
Mijn ingewand ziedt, en is niet stil; de dagen der verdrukking zijn mij voorgekomen.
Ik ben den draken een broeder geworden, en een metgezel der jonge struisen.
Hierom is mijn harp tot een rouwklage geworden, en mijn orgel tot een stem der wenenden.
Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid?
Zo ik den armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen der weduwe laten versmachten;
Zeker, ik kon wel een grote menigte geweldiglijk onderdrukt hebben; maar de verachtste der huisgezinnen zou mij afgeschrikt hebben; zodat ik gewezen zou hebben, en ter deure niet uitgegaan zijn.
Ik zeide: Laat de dagen spreken, en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven.
Want ik ben der woorden vol; de geest mijns buiks benauwt mij.
Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
Dan openbaart Hij het voor het oor der lieden, en Hij verzegelt hun kastijding;
Opdat hij zijn ziel afkere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden.
En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden.
Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.
Er is geen duisternis, en er is geen schaduw des doods, dat aldaar de werkers der ongerechtigheid zich verbergen mochten.
Opdat Hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhore.
Vanwege hun grootheid doen zij de onderdrukten roepen; zij schreeuwen vanwege den arm der groten.
Die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels?
Daar roepen zij; maar Hij antwoordt niet, vanwege den hoogmoed der bozen.
Hij laat den goddeloze niet leven, en het recht der ellendigen beschikt Hij.
En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende;
Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;
Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?
Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.
Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde.
Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde.
Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?
Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?
Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?
Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.
Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien?
Dien Ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den dag des strijds en des oorlogs!
Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?
Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen.
Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen?
Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden?
Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.
Zijn an u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels?
Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.
Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.
In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich.
Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt? [ (Job 39:31) Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats. ] [ (Job 39:32) Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af. ] [ (Job 39:33) Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij. ] [ (Job 39:34) En de HEERE antwoordde Job, en zeide: ] [ (Job 39:35) Is het twisten met den Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop. ] [ (Job 39:36) Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide: ] [ (Job 39:37) Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. ] [ (Job 39:38) Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren. ]
Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht.
De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans.
En hij noemde den naam der eerste Jemima, en den naam der tweede Kezia, en den naam der derde Keren-Happuch.
Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;
Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.
Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.
De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:
Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.
Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!
Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God; want Gij hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden der goddelozen hebt Gij verbroken.
Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op den HEERE.
De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.
Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.
Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.
Laat toch de boosheid der goddelozen een einde nemen, maar bevestig den rechtvaardige, Gij, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God!
Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.
Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeen doorwandelt.
Want Gij hebt mijn recht en mijn rechtszaak afgedaan; Gij hebt gezeten op den troon, o Rechter, der gerechtigheid.
Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.
Opdat ik Uw gansen lof in de poorten der dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil.
Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn.
Hij zit in de achterlage der hoeven, in verborgene plaatsen doodt hij den onschuldige; zijn ogen verbergen zich tegen den arme.
HEERE! Gij hebt den wens der zachtmoedigen gehoord; Gij zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken;
Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast.
Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen den HEERE niet aan.
Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.
Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.
Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij.
Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.
Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.
En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o HEERE! van het geblaas des winds van Uw neus.
Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten.
Toen vergruisde ik hen als stof voor den wind; ik ruimde hen weg als slijk der straten.
Gij hebt mij uitgeholpen van de twisten des volks; Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.
Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester. (1a) De HEERE verhore u in den dag der benauwdheid; de Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek.
Gij zult hun vrucht van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen der mensen.
Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:6-Genesis 36:30
- 2.Genesis 36:34-Exodus 13:11
- 3.Exodus 13:12-Exodus 33:9
- 4.Exodus 33:10-Leviticus 10:7
- 5.Leviticus 10:9-Numberi 1:18
- 6.Numberi 1:20-Numberi 7:36
- 7.Numberi 7:42-Numberi 21:22
- 8.Numberi 21:24-Numberi 31:26
- 9.Numberi 31:30-Deuteronomium 16:19
- 10.Deuteronomium 17:7-Jozua 10:5
- 11.Jozua 10:6-Jozua 24:9
- 12.Jozua 24:12-Richteren 16:14
- 13.Richteren 16:18-1 Samuël 18:25
- 14.1 Samuël 18:30-2 Samuël 19:35
- 15.2 Samuël 19:43-1 Koningen 17:17
- 16.1 Koningen 18:15-2 Koningen 18:11
- 17.2 Koningen 18:20-1 Kronieken 9:32
- 18.1 Kronieken 9:33-1 Kronieken 29:18
- 19.1 Kronieken 29:30-2 Kronieken 28:3
- 20.2 Kronieken 28:12-Ezra 6:8
- 21.Ezra 6:9-Esther 1:17
- 22.Esther 1:18-Job 22:24
- 23.Job 24:3-Psalmen 22:21
- 24.Psalmen 22:22-Psalmen 80:4
- 25.Psalmen 80:7-Psalmen 119:144
- 26.Psalmen 119:160-Spreuken 8:13
- 27.Spreuken 8:16-Spreuken 20:29
- 28.Spreuken 20:30-Hooglied 6:11
- 29.Hooglied 7:9-Jesaja 16:8
- 30.Jesaja 17:3-Jesaja 37:16
- 31.Jesaja 37:20-Jeremia 2:19
- 32.Jeremia 2:31-Jeremia 25:12
- 33.Jeremia 25:15-Jeremia 39:5
- 34.Jeremia 39:9-Jeremia 52:8
- 35.Jeremia 52:12-Ezechiël 21:19
- 36.Ezechiël 21:20-Ezechiël 36:5
- 37.Ezechiël 36:6-Daniël 3:15
- 38.Daniël 3:24-Amos 1:9
- 39.Amos 1:13-Zacharia 2:11
- 40.Zacharia 3:7-Mattheüs 4:19
- 41.Mattheüs 5:3-Mattheüs 25:30
- 42.Mattheüs 25:34-Lukas 7:12
- 43.Lukas 7:36-Johannes 12:9
- 44.Johannes 12:34-Handelingen 16:27
- 45.Handelingen 17:1-Romeinen 8:15
- 46.Romeinen 8:19-2 Corinthiër 1:3
- 47.2 Corinthiër 3:6-Colossenzen 2:2
- 48.Colossenzen 2:3-Hebreeën 7:12
- 49.Hebreeën 7:17-2 Petrus 2:19
- 50.2 Petrus 2:20-Openbaring 18:13
- 51.Openbaring 18:14-Openbaring 22:18
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (142)
- Exodus (215)
- Leviticus (138)
- Numberi (354)
- Deuteronomium (105)
- Jozua (149)
- Richteren (114)
- Ruth (5)
- 1 Samuël (118)
- 2 Samuël (80)
- 1 Koningen (103)
- 2 Koningen (133)
- 1 Kronieken (145)
- 2 Kronieken (165)
- Ezra (69)
- Nehemia (58)
- Esther (47)
- Job (125)
- Psalmen (307)
- Spreuken (172)
- Prediker (42)
- Hooglied (17)
- Jesaja (292)
- Jeremia (318)
- Klaagliederen (24)
- Ezechiël (238)
- Daniël (89)
- Hosea (26)
- Joël (7)
- Amos (25)
- Obadja (4)
- Jona (4)
- Micha (13)
- Nahum (14)
- Habakuk (13)
- Zefanja (18)
- Zacharia (74)
- Maleachi (30)
- Mattheüs (122)
- Markus (59)
- Lukas (92)
- Johannes (60)
- Handelingen (124)
- Romeinen (93)
- 1 Corinthiërs (57)
- 2 Corinthiër (27)
- Galaten (23)
- Efeziërs (34)
- Filippenzen (10)
- Colossenzen (22)
- 1 Thessalonicenzen (8)
- 2 Thessalonicenzen (9)
- 1 Timotheüs (17)
- 2 Timotheüs (12)
- Titus (6)
- Filémon (1)
- Hebreeën (80)
- Jakobus (17)
- 1 Petrus (24)
- 2 Petrus (18)
- 1 Johannes (7)
- 2 Johannes (1)
- 3 Johannes (2)
- Judas (2)
- Openbaring (107)
Verwante onderwerpen
- Alwetende God
- Babylon
- Begin
- Begrip
- De Daad Van Openen
- De Kracht Van God
- De Namen Voor Christus
- De Zon
- Deelname In Christus
- God, De Eeuwige
- Gods Onthulde Dingen