'Die' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:7-Genesis 24:7
- 2.Genesis 24:10-Genesis 41:20
- 3.Genesis 41:24-Exodus 10:2
- 4.Exodus 10:8-Exodus 30:38
- 5.Exodus 31:6-Leviticus 9:6
- 6.Leviticus 9:15-Leviticus 16:26
- 7.Leviticus 16:28-Numberi 1:4
- 8.Numberi 1:5-Numberi 15:39
- 9.Numberi 15:41-Numberi 32:11
- 10.Numberi 32:21-Deuteronomium 6:14
- 11.Deuteronomium 6:17-Deuteronomium 17:8
- 12.Deuteronomium 17:9-Deuteronomium 28:57
- 13.Deuteronomium 28:58-Jozua 9:27
- 14.Jozua 10:6-Richteren 1:33
- 15.Richteren 2:7-Richteren 17:2
- 16.Richteren 17:4-1 Samuël 4:17
- 17.1 Samuël 4:20-1 Samuël 22:7
- 18.1 Samuël 22:8-2 Samuël 7:9
- 19.2 Samuël 7:13-2 Samuël 24:13
- 20.2 Samuël 24:16-1 Koningen 10:11
- 21.1 Koningen 10:19-1 Koningen 21:26
- 22.1 Koningen 22:13-2 Koningen 14:15
- 23.2 Koningen 14:21-2 Koningen 25:13
- 24.2 Koningen 25:16-1 Kronieken 22:15
- 25.1 Kronieken 23:5-2 Kronieken 14:6
- 26.2 Kronieken 15:5-2 Kronieken 32:14
- 27.2 Kronieken 32:17-Ezra 10:17
- 28.Ezra 10:18-Esther 5:2
- 29.Esther 6:2-Job 29:12
- 30.Job 29:13-Psalmen 22:29
- 31.Psalmen 23:4-Psalmen 61:5
- 32.Psalmen 63:9-Psalmen 92:13
- 33.Psalmen 94:9-Psalmen 119:165
- 34.Psalmen 120:6-Spreuken 6:26
- 35.Spreuken 6:29-Spreuken 18:22
- 36.Spreuken 18:24-Spreuken 28:22
- 37.Spreuken 28:23-Hooglied 4:5
- 38.Hooglied 4:15-Jesaja 23:17
- 39.Jesaja 23:18-Jesaja 41:24
- 40.Jesaja 41:26-Jesaja 58:12
- 41.Jesaja 58:13-Jeremia 10:16
- 42.Jeremia 10:19-Jeremia 23:39
- 43.Jeremia 23:40-Jeremia 34:19
- 44.Jeremia 34:20-Jeremia 48:44
- 45.Jeremia 48:45-Ezechiël 5:6
- 46.Ezechiël 5:7-Ezechiël 20:12
- 47.Ezechiël 20:14-Ezechiël 35:7
- 48.Ezechiël 35:10-Daniël 2:30
- 49.Daniël 2:34-Daniël 11:39
- 50.Daniël 11:43-Micha 1:4
- 51.Micha 2:1-Zacharia 1:8
- 52.Zacharia 1:9-Mattheüs 5:10
- 53.Mattheüs 5:12-Mattheüs 15:1
- 54.Mattheüs 15:4-Mattheüs 26:46
- 55.Mattheüs 26:48-Markus 9:40
- 56.Markus 9:42-Lukas 3:16
- 57.Lukas 3:19-Lukas 11:4
- 58.Lukas 11:7-Lukas 20:28
- 59.Lukas 20:30-Johannes 5:11
- 60.Johannes 5:12-Johannes 11:42
- 61.Johannes 11:45-Handelingen 2:5
- 62.Handelingen 2:7-Handelingen 10:44
- 63.Handelingen 10:45-Handelingen 21:23
- 64.Handelingen 21:25-Romeinen 7:2
- 65.Romeinen 7:4-1 Corinthiërs 2:11
- 66.1 Corinthiërs 2:12-1 Corinthiërs 15:29
- 67.1 Corinthiërs 15:57-Galaten 2:9
- 68.Galaten 2:12-Colossenzen 1:8
- 69.Colossenzen 1:12-1 Timotheüs 6:2
- 70.1 Timotheüs 6:3-Hebreeën 7:11
- 71.Hebreeën 7:16-1 Petrus 1:13
- 72.1 Petrus 1:14-1 Johannes 4:8
- 73.1 Johannes 4:16-Openbaring 6:8
- 74.Openbaring 6:9-Openbaring 19:18
- 75.Openbaring 19:19-Openbaring 22:20
Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal den stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid.
Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, gelijk als Ik die weggenomen heb van Saul, dien Ik van voor uw aangezicht heb weggenomen.
Nu dan, Heere HEERE! Gij zijt die God, en Uw woorden zullen waarheid zijn, en Gij hebt dit goede tot Uw knecht gesproken.
En David nam de gouden schilden die bij Hadad-ezers knechten geweest waren, en bracht ze te Jeruzalem.
Welke de koning David ook den HEERE heiligde, met het zilver en het goud, dat hij geheiligd had van alle heidenen, die hij zich onderworpen had;
En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil?
En de koning zeide: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe? Toen zeide Ziba tot den koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten.
Mefiboseth nu had een kleinen zoon, wiens naam was Micha; en allen, die in het huis van Ziba woonden, waren knechten van Mefiboseth.
Toen zeiden de vorsten der kinderen Ammons tot hun heer Hanun: Eert David uw vader in uw ogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Heeft David zijn knechten niet daarom tot u gezonden, dat hij deze stad doorzoeke, en die verspiede, en die omkere?
En het overige des volks gaf hij onder de hand van zijn broeder Abisai, die het in orde stelde tegen de kinderen Ammons aan.
En Hadad-ezer zond heen, en deed de Syriers uitkomen, die op gene zijde der rivier zijn, en zij kwamen te Helam; en Sobach, Hadad-ezers krijgsoverste, toog voor hun aangezicht heen.
Toen nu al de koningen, die Hadad-ezers knechten waren, zagen, dat zij voor Israels aangezicht geslagen waren, maakten zij vrede met Israel, en dienden hen; en de Syriers vreesden de kinderen Ammons meer te verlossen.
En die vrouw werd zwanger; zo zond zij henen, en liet David weten, en zeide: Ik ben zwanger geworden.
En de bode zeide tot David: Die mannen zijn ons zeker te machtig geweest, en zijn tot ons uitgetogen in het veld; maar wij zijn tegen hen aan geweest tot aan de deur der poort.
En als de rouw was overgegaan, zond David heen, en nam haar in zijn huis; en zij werd hem ter vrouwe, en baarde hem een zoon. Doch deze zaak, die David gedaan had, was kwaad in de ogen des HEEREN.
En de HEERE zond Nathan tot David. Als die tot hem inkwam, zeide hij tot hem: Er waren twee mannen in een stad, de een rijk en de ander arm.
Toen nu den rijken man een wandelaar overkwam, verschoonde hij te nemen van zijn schapen en van zijn runderen, om voor den reizenden man, die tot hem gekomen was, wat te bereiden; en hij nam des armen mans ooilam, en bereidde dat voor den man, die tot hem gekomen was.
Toen ontstak Davids toorn zeer tegen dien man; en hij zeide tot Nathan: Zo waarachtig als de HEERE leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods!
Toen zeide Nathan tot David: Gij zijt die man! Zo zegt de HEERE, de God Israels: Ik heb u ten koning gezalfd over Israel, en Ik heb u uit Sauls hand gered;
Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis, en zal uw vrouwen nemen voor uw ogen, en zal haar aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen, voor de ogen dezer zon.
Nochtans, dewijl gij door deze zaak de vijanden des HEEREN grotelijks hebt doen lasteren, zal ook de zoon, die u geboren is, den dood sterven.
Die zeide tot hem: Waarom zijt gij van morgen tot morgen zo mager, gij koningszoon, zult gij het mij niet te kennen geven? Toen zeide Amnon tot hem: Ik heb Thamar, de zuster van mijn broeder Absalom, lief.
Toen zeide Amnon tot Thamar: Breng de spijze in de kamer, dat ik van uw hand ete; zo nam Thamar de koekjes, die zij gemaakt had, en bracht ze haar broeder Amnon in de kamer.
En hij riep zijn jongen, die hem diende, en zeide: Drijf nu deze van mij uit naar buiten, en grendel de deur achter haar toe.
Zij nu had een veelvervigen rok aan; want alzo werden des konings dochteren, die maagden waren, met mantels gekleed; en zijn dienaar bracht haar uit tot buiten, en grendelde de deur achter haar toe.
Absalom nu vluchtte; en de jongen, die de wacht hield, hief zijn ogen op, en zag toe, en ziet, er kwam veel volks van den weg achter hem, aan de zijde van het gebergte.
(Absalom dan vluchtte, en toog tot Thalmai, den zoon van Ammihur, koning van Gesur.) En hij droeg rouw over zijn zoon, al die dagen.
Zo zond Joab heen naar Thekoa, en nam van daar een wijze vrouw; en hij zeide tot haar: Stel u toch, alsof gij rouw droegt, en trek nu rouwklederen aan, en zalf u niet met olie, en wees als een vrouw, die nu vele dagen rouw gedragen heeft over een dode;
En zie, het ganse geslacht is opgestaan tegen uw dienstmaagd, en hebben gezegd: Geef dien hier, die zijn broeder geslagen heeft, dat wij hem voor de ziel zijns broeders, dien hij doodgeslagen heeft, doden, en ook den erfgenaam verdelgen; alzo zullen zij mijn kool, die overgebleven is, uitblussen, opdat zij mijn man geen naam noch overblijfsel laten op den aardbodem.
Want de koning zal horen, om zijn dienstmaagd te redden van de hand des mans, die voorheeft mij en mijn zoon te zamen van Gods erve te verdelgen.
Toen antwoordde de koning, en zeide tot de vrouw: Verberg nu niet voor mij de zaak, die ik u vragen zal. En de vrouw zeide: Mijn heer de koning spreke toch.
En de koning zeide: Is Joabs hand met u in dit alles? En de vrouw antwoordde en zeide: Zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer koning, indien iemand ter rechter- of ter linkerhand zou kunnen afwijken van alles, wat mijn heer de koning gesproken heeft; want uw knecht Joab heeft het mij geboden, en die heeft al deze woorden in den mond uwer dienstmaagd gelegd;
Ook maakte zich Absalom des morgens vroeg op, en stond aan de zijde van den weg der poort. En het geschiedde, dat Absalom allen man, die een geschil had, om tot den koning ten gerichte te komen, tot zich riep, en zeide: Uit welke stad zijt gij? Als hij dan zeide: Uw knecht is uit een der stammen Israels;
Voorts zeide Absalom: Och, dat men mij ten rechter stelde in het land! Dat alle man tot mij kwame, die een geschil of rechtzaak heeft, dat ik hem recht sprake.
En naar die wijze deed Absalom aan gans Israel, die tot den koning ten gerichte kwamen. Alzo stal Absalom het hart der mannen van Israel.
Ten einde nu van veertig jaren is het geschied, dat Absalom tot den koning zeide: Laat mij toch heengaan, en mijn gelofte, die ik den HEERE beloofd heb, te Hebron betalen.
Zo zeide David tot al zijn knechten, die met hem te Jeruzalem waren: Maakt u op, en laat ons vlieden, want er zou voor ons geen ontkomen zijn voor Absaloms aangezicht; haast u, om weg te gaan, opdat hij niet misschien haaste, en ons achterhale, en een kwaad over ons drijve, en deze stad sla met de scherpte des zwaards.
En al zijn knechten gingen aan zijn zijde heen, ook al de Krethi en al de Plethi, en al de Gethieten, zeshonderd man, die van Gath te voet gekomen waren, gingen voor des konings aangezicht heen.
Toen zeide David tot Ithai: Zo kom, en ga over. Alzo ging Ithai, de Gethiet, over, en al zijn mannen, en al de kinderen die met hem waren.
Toen gaf men David te kennen, zeggende: Achitofel is onder degenen, die zich met Absalom hebben verbonden. Dies zeide David: O, HEERE! maak toch Achitofels raad tot zotheid.
Voorts zeide David tot Abisai en tot al zijn knechten: Ziet, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoekt mijn ziel; hoeveel te meer dan nu deze zoon van Jemini? Laat hem geworden, dat hij vloeke, want de HEERE heeft het hem gezegd.
En Achitofel zeide tot Absalom: Ga in tot de bijwijven uws vaders, die hij gelaten heeft om het huis te bewaren; zo zal gans Israel horen, dat gij bij uw vader stinkende zijt geworden, en de handen van allen, die met u zijn, zullen gesterkt worden.
En in die dagen was Achitofels raad, dien hij raadde, als of men naar Gods woord gevraagd had; alzo was alle raad van Achitofel, zo bij David als bij Absalom.
Wijders zeide Husai: Gij kent uw vader en zijn mannen, dat zij helden zijn, dat zij bitter van gemoed zijn, als een beer, die van de jongen beroofd is in het veld; daartoe is uw vader een krijgsman, en zal niet vernachten met het volk.
Zie, nu heeft hij zich verstoken in een der holen, of in een der plaatsen. En het zal geschieden, als er in het eerst sommigen onder hen vallen, dat een ieder, die het zal horen, alsdan zal zeggen: Er is een slag geschied onder het volk, dat Absalom navolgt.
Zo zou hij, die ook een dapper man is, wiens hart is als een leeuwenhart, te enen male smelten; want gans Israel weet, dat uw vader een held is, en het dappere mannen zijn, die met hem zijn.
Dan zullen wij tot hem komen, in een der plaatsen, waar hij gevonden wordt, en hem gemakkelijk overvallen, gelijk als de dauw op den aardbodem valt; en er zal van hem, en van al de mannen, die met hem zijn, ook niet een worden overgelaten.
Een jongen dan nog zag hen, en zeide het Absalom aan; doch die beiden gingen haastelijk, en kwamen in eens mans huis te Bahurim, dewelke een put had in zijn voorhof, en zij daalden daarin.
Toen maakte zich David op, en al het volk, dat met hem was; en zij gingen over de Jordaan. Aan het morgenlicht ontbrak er niet tot een toe, die niet over de Jordaan gegaan was.
En Absalom had Amasa in Joabs plaats gesteld over het heir. Amasa nu was eens mans zoon, wiens naam was Jethra, de Israeliet, die ingegaan was tot Abigail, dochter van Nahas, zuster van Zeruja, Joabs moeder.
Want de strijd werd aldaar verspreid over al dat land. En het woud verteerde meer van het volk, dan die het zwaard verteerde, te denzelven dage.
Toen zeide Joab tot den man, die het hem te kennen gaf: Zie toch, gij hebt het gezien, waarom dan hebt gij hem niet aldaar ter aarde geslagen, alzo het aan mij stond om u tien zilverlingen en een gordel te geven?
Maar die man zeide tot Joab: En of ik al duizend zilverlingen op mijn handen mocht wegen, zo zou ik mijn hand aan des konings zoon niet slaan; want de koning heeft u, en Abisai, en Ithai, voor onze oren geboden, zeggende: Hoedt u, wie gij zijt, van den jongeling, van Absalom.
Absalom nu had genomen, en in zijn leven voor zich opgericht een pilaar, die in het koningsdal is; want hij zeide: Ik heb geen zoon, om aan mijn naam te doen gedenken; en hij had dien pilaar genoemd naar zijn naam; daarom wordt hij tot op dezen dag genoemd: Absaloms hand.
Toen zag de wachter een anderen man lopende, en de wachter riep tot den poortier en zeide: Zie, er loopt nog een man alleen. Toen zeide de koning: Die is ook een boodschapper.
Ahimaaz dan riep en zeide tot den koning Vrede! En hij boog zich voor den koning met het aangezicht ter aarde, en hij zeide: Geloofd zij de HEERE, uw God, Die de mannen, dewelke hun hand tegen mijn heer den koning ophieven, heeft overgegeven.
En ziet, Cuschi kwam aan; en Cuschi zeide: Mijn heer den koning wordt geboodschapt, dat u de HEERE heden heeft recht gedaan van de hand van al degenen, die tegen u opstonden.
Toen zeide de koning tot Cuschi: Is het wel met den jongeling, met Absalom? En Cuschi zeide: De vijanden van mijn heer den koning, en allen, die tegen u ten kwade opstaan, moeten worden als die jongeling.
Toen kwam Joab tot den koning in het huis, en zeide: Gij hebt heden beschaamd het aangezicht van al uw knechten, die uw ziel, en de ziel uwer zonen en uwer dochteren, en de ziel uwer vrouwen, en de ziel uwer bijwijven heden hebben bevrijd;
Liefhebbende die u haten, en hatende die u liefhebben; want gij geeft heden te kennen, dat oversten en knechten bij u niets zijn; want ik merk heden, dat zo Absalom leefde, en wij heden allen dood waren, dat het alsdan recht zou zijn in uw ogen.
En Simei, de zoon van Gera, een zoon van Jemini, die van Bahurim was, haastte zich, en kwam af met de mannen van Juda, den koning David tegemoet;
Want al mijns vaders huis is niet geweest, dan maar lieden des doods voor mijn heer den koning; nochtans hebt gij uw knecht gezet onder degenen, die aan uw tafel eten; wat heb ik dan meer voor gerechtigheid, en meer te roepen aan den koning?
Toen was daar bij geval een Belials man, wiens naam was Seba, een zoon van Bichri, een man van Jemini; die blies met de bazuin, en zeide: Wij hebben geen deel aan David, en wij hebben geen erfenis aan den zoon van Isai, een iegelijk naar zijn tenten, o Israel!
Toen nu David in zijn huis te Jeruzalem kwam, nam de koning de tien vrouwen, zijn bijwijven, die hij gelaten had, om het huis te bewaren, en deed ze in een huis van bewaring, en onderhield ze, maar ging tot haar niet in. En zij waren opgesloten tot op den dag van haarlieder dood, levende als weduwen.
Als zij nu waren bij den groten steen, die bij Gibeon is, zo kwam Amasa voor hun aangezicht. En Joab was omgord over zijn kleed, dat hij aan had, en daarop was een gordel, daar het zwaard aan vastgemaakt was op zijn lenden in zijn schede; en als hij voortging, zo viel het uit.
Maar een man, van Joabs jongens, bleef bij hem staan, en hij zeide: Wie is er, die lust heeft aan Joab, en wie is er, die voor David is, die volge Joab na!
Amasa nu lag in het bloed gewenteld, midden op de straat. Als die man zag, dat al het volk staan bleef, zo deed hij Amasa weg van de straat in het veld, en wierp een kleed op hem, dewijl hij zag, dat al wie bij hem kwam, bleef staan.
Ik ben een van de vreedzamen, van de getrouwen in Israel, en gij zoekt te doden een stad, die een moeder is in Israel; waarom zoudt gij het erfdeel des HEEREN verslinden?
En zij zeiden tot den koning: De man die ons te niet gemaakt, en tegen ons gedacht heeft, dat wij zouden verdelgd worden, zonder te kunnen bestaan in enige landpale van Israel;
Doch de koning verschoonde Mefiboseth, den zoon van Jonathan, den zoon van Saul, om den eed des HEEREN, die tussen hen was, tussen David en tussen Jonathan, Sauls zoon.
Maar de koning nam de twee zonen van Rizpa, dochter van Aja, die zij Saul gebaard had, Armoni en Mefiboseth; daartoe de vijf zonen van Michals zuster, Sauls dochter, die zij Adriel, den zoon van Barzillai, den Meholathiet, gebaard had;
En hij gaf hen in de hand der Gibeonieten, die ze ophingen op den berg voor het aangezicht des HEEREN; en die zeven vielen tegelijk; en zij werden gedood in de dagen van den oogst, in de eerste dagen, in het begin van den gersteoogst.
Zo ging David henen, en nam de beenderen van Saul, en de beenderen van Jonathan, zijn zoon, van de burgeren van Jabes in Gilead, die dezelve gestolen hadden van de straat Beth-San, alwaar de Filistijnen ze hadden opgehangen, ten dage als de Filistijnen Saul sloegen op Gilboa.
En Isbi Benob, die van de kinderen van Rafa was, en het gewicht zijner spies driehonderd gewicht kopers, en hij was aangegord met een nieuw zwaard; deze dacht David te slaan.
En het geschiedde daarna, dat er wederom een krijg was te Gob tegen de Filistijnen. Toen sloeg Sibbechai, de Husathiet, Saf, die van de kinderen van Rafa was.
Nog was er ook een krijg te Gath; en er was een zeer lang man, die zes vingeren had aan zijn handen, en zes tenen aan zijn voeten, vier en twintig in getal, en deze was ook aan Rafa geboren.
Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en ik werd verlost van mijn vijanden.
Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.
Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.
De God, Die mij volkomene wraak geeft, en de volken onder mij nederwerpt;
En Die mij uitvoert van mijn vijanden; en Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man alles gewelds.
Voorts zijn dit de laatste woorden van David. David, de zoon van Isai zegt, en de man, die hoog is opgericht, de gezalfde van Jakobs God, en liefelijk in psalmen van Israel, zegt:
Maar de mannen Belials zullen altemaal zijn als doornen, die weggeworpen worden, omdat men ze met de hand niet kan vatten;
Maar een iegelijk, die ze zal aantasten, voorziet zich met ijzer en het hout ener spies; en zij zullen ganselijk met vuur verbrand worden ter zelver plaats.
Dit zijn de namen der helden, die David gehad heeft: Joscheb Baschebeth, de zoon van Tachkemoni, de voornaamste der hoofdlieden. Deze was Adino, de Ezniet, die zich stelde tegen achthonderd, die van hem verslagen werden op eenmaal.
En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, zoon van Ahohi, deze was onder de drie helden met David, toen zij de Filistijnen beschimpten, die aldaar ten strijde verzameld waren, en de mannen van Israel waren opgetogen.
En David kreeg lust, en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die in de poort is?
Toen braken die drie helden door het leger der Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die in de poort is, en droegen het, en kwamen tot David; doch hij wilde dat niet drinken, maar goot het uit voor den HEERE.
En zeide: Het zij verre van mij, o HEERE, dat ik dit zou doen; zou ik drinken het bloed der mannen, die heengegaan zijn met gevaar van hun leven? En hij wilde het niet drinken. Dit deden die drie helden.
Abisai, Joabs broeder, de zoon van Zeruja, die was ook een hoofd van drieen; en die hief zijn spies op tegen driehonderd, die van hem verslagen werden; en hij had een naam onder die drie.
Was hij niet de heerlijkste van die drie? Daarom was hij hun tot een overste. Maar hij kwam niet tot aan die eerste drie.
Voorts Benaja, de zoon van Jojada, de zoon van een dapperen man, groot van daden, van Kabzeel; die sloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en sloeg een leeuw in het midden van een kuil in den sneeuwtijd.
Die dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; dies had hij een naam onder de drie helden.
Hij was de heerlijkste van de dertig, maar tot die drie eersten kwam hij niet; en David stelde hem over zijn trawanten.
De koning dan zeide tot Joab, den krijgsoverste, die bij hem was: Trek nu om, door alle stammen van Israel, van Dan tot Ber-seba toe, en tel het volk, opdat ik het getal des volks wete.
Toen zeide Joab tot den koning: Nu doe de HEERE, uw God, tot dit volk, zoals deze en die nu zijn, honderdmaal meer, dat de ogen van mijn heer den koning het aanzien; maar waarom heeft mijn heer de koning lust tot deze zaak?
En zij gingen over de Jordaan, en legerden zich bij Aroer, ter rechterhand der stad, die in het midden is van de beek van Gad, en aan Jaezer.
En Joab gaf de som van het getelde volk aan den koning; en in Israel waren achthonderd duizend strijdbare mannen, die het zwaard uittrokken, en de mannen van Juda waren vijfhonderd duizend man.
Ga heen, en spreek tot David: Alzo zegt de HEERE: Drie dingen draag Ik u voor; verkies u een uit die, dat Ik u doe.
Zo kwam Gad tot David, en maakte het hem bekend, en zeide tot hem: Zal u een honger van zeven jaren in uw land komen? Of wilt gij drie maanden vlieden voor het aangezicht uwer vijanden, dat die u vervolgen? Of dat er drie dagen pestilentie in uw land zij? Merk nu, en zie toe, wat antwoord ik Dien zal wederbrengen, Die mij gezonden heeft.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:7-Genesis 24:7
- 2.Genesis 24:10-Genesis 41:20
- 3.Genesis 41:24-Exodus 10:2
- 4.Exodus 10:8-Exodus 30:38
- 5.Exodus 31:6-Leviticus 9:6
- 6.Leviticus 9:15-Leviticus 16:26
- 7.Leviticus 16:28-Numberi 1:4
- 8.Numberi 1:5-Numberi 15:39
- 9.Numberi 15:41-Numberi 32:11
- 10.Numberi 32:21-Deuteronomium 6:14
- 11.Deuteronomium 6:17-Deuteronomium 17:8
- 12.Deuteronomium 17:9-Deuteronomium 28:57
- 13.Deuteronomium 28:58-Jozua 9:27
- 14.Jozua 10:6-Richteren 1:33
- 15.Richteren 2:7-Richteren 17:2
- 16.Richteren 17:4-1 Samuël 4:17
- 17.1 Samuël 4:20-1 Samuël 22:7
- 18.1 Samuël 22:8-2 Samuël 7:9
- 19.2 Samuël 7:13-2 Samuël 24:13
- 20.2 Samuël 24:16-1 Koningen 10:11
- 21.1 Koningen 10:19-1 Koningen 21:26
- 22.1 Koningen 22:13-2 Koningen 14:15
- 23.2 Koningen 14:21-2 Koningen 25:13
- 24.2 Koningen 25:16-1 Kronieken 22:15
- 25.1 Kronieken 23:5-2 Kronieken 14:6
- 26.2 Kronieken 15:5-2 Kronieken 32:14
- 27.2 Kronieken 32:17-Ezra 10:17
- 28.Ezra 10:18-Esther 5:2
- 29.Esther 6:2-Job 29:12
- 30.Job 29:13-Psalmen 22:29
- 31.Psalmen 23:4-Psalmen 61:5
- 32.Psalmen 63:9-Psalmen 92:13
- 33.Psalmen 94:9-Psalmen 119:165
- 34.Psalmen 120:6-Spreuken 6:26
- 35.Spreuken 6:29-Spreuken 18:22
- 36.Spreuken 18:24-Spreuken 28:22
- 37.Spreuken 28:23-Hooglied 4:5
- 38.Hooglied 4:15-Jesaja 23:17
- 39.Jesaja 23:18-Jesaja 41:24
- 40.Jesaja 41:26-Jesaja 58:12
- 41.Jesaja 58:13-Jeremia 10:16
- 42.Jeremia 10:19-Jeremia 23:39
- 43.Jeremia 23:40-Jeremia 34:19
- 44.Jeremia 34:20-Jeremia 48:44
- 45.Jeremia 48:45-Ezechiël 5:6
- 46.Ezechiël 5:7-Ezechiël 20:12
- 47.Ezechiël 20:14-Ezechiël 35:7
- 48.Ezechiël 35:10-Daniël 2:30
- 49.Daniël 2:34-Daniël 11:39
- 50.Daniël 11:43-Micha 1:4
- 51.Micha 2:1-Zacharia 1:8
- 52.Zacharia 1:9-Mattheüs 5:10
- 53.Mattheüs 5:12-Mattheüs 15:1
- 54.Mattheüs 15:4-Mattheüs 26:46
- 55.Mattheüs 26:48-Markus 9:40
- 56.Markus 9:42-Lukas 3:16
- 57.Lukas 3:19-Lukas 11:4
- 58.Lukas 11:7-Lukas 20:28
- 59.Lukas 20:30-Johannes 5:11
- 60.Johannes 5:12-Johannes 11:42
- 61.Johannes 11:45-Handelingen 2:5
- 62.Handelingen 2:7-Handelingen 10:44
- 63.Handelingen 10:45-Handelingen 21:23
- 64.Handelingen 21:25-Romeinen 7:2
- 65.Romeinen 7:4-1 Corinthiërs 2:11
- 66.1 Corinthiërs 2:12-1 Corinthiërs 15:29
- 67.1 Corinthiërs 15:57-Galaten 2:9
- 68.Galaten 2:12-Colossenzen 1:8
- 69.Colossenzen 1:12-1 Timotheüs 6:2
- 70.1 Timotheüs 6:3-Hebreeën 7:11
- 71.Hebreeën 7:16-1 Petrus 1:13
- 72.1 Petrus 1:14-1 Johannes 4:8
- 73.1 Johannes 4:16-Openbaring 6:8
- 74.Openbaring 6:9-Openbaring 19:18
- 75.Openbaring 19:19-Openbaring 22:20
Verwante onderwerpen
- Aanbeveling
- Aanmoedigingen In Lijden
- Aanvaarden Van Christus
- Aard En Gevolgen Van Ongeloof
- Achterklap
- Afkeer
- Afwijzing Van God
- Alcohol
- Alwetende God
- Amen
- Andere Goden
- Andere Vertrouwen
- Babylon
- Beantwoorde Beloften
- Begin
- Beleden Zonde
- Beste Vrienden
- Bestraffing Door God
- Bewakers
- Brieven
- Christus Die De Waarheid Spreekt
- Communicatie
- Competitie
- De Aard Van Discipelschap
- De Aard Van Eeuwig Leven
- De Aard Van Geloof
- De Bron Van Menselijke Wijsheid
- De Daad Van Openen
- De Doden
- De Eenheid Van God
- De Eerste Tempel
- De Gerechtigheid Van God
- De Goedheid Van God
- De Namen Voor Christus
- De Rijken
- De Vader
- De Waarheid Vertellen
- De Wederkomst
- De Wet Van Mozes
- De Zon
- Deelname In Christus
- Degene Die Christus Gestuurd Heeft
- Degenen In Nood Helpen
- Dienaren Van De Heer
- Doelen
- Doodstraf
- Doop Van De Heilige Geest
- Duisternis
- Een Plek Voor Gods Naam
- Eenzaamheid
- Eerbied En Zegening
- Eeuwig Leven
- Engelen Die Gods Werk Doen
- Ethiek En Gratie
- Familie En Vrienden
- Fouten
- Geesten
- Geld Aan De Kerk Geven
- Genoemde Profeten Van De Heer
- Gered Door Geloof
- Gevechten
- God Dodend
- God Haalt Israël Uit Egypte
- God, Levend En Zelfvoorzienend
- Gods Hand
- Gods Onthulde Dingen
- Gods Stem
- Gods Verborgen Dingen
- Gods Waarheid
- Goud
- Haat
- Haat
- Hand Van God
- Handicaps
- Hebzucht
- Heersers
- Heiligen
- Hemel, Bevrijdde Gemeenschap
- Het Belang Van Vertrouwen
- Het Laatste Oordeel
- Het Vaderschap Van God
- Het Woord Van God
- Historische Boeken
- Hoe Zal De Hemel Eruit Zien?
- Homosexueel Zijn
- Hoop In God
- Horen
- Houden Van Iedereen
- Huizen
- Iemand Missen
- Iemand Verliezen
- Ik Ben De Heer
- In De Tegenwoordigheid Van De Mens
- Karakter Van Het Kwaad
- Korte Tijd Tot Het Einde
- Kwellingen
- Laatste Dingen
- Lichaam
- Liefde Vinden
- Liefde Voor God
- Lijders
- Lof
- Menigtes
- Messiaanse Profetieën
- Ministerie
- Misbruik
- Misbruik Van Liefde
- Moeders En Zonen
- Namen En Titels Voor Christus
- Namen En Titels Voor De Christenen
- Nederlaag
- Nood Aan Gods Begeleiding
- Oneerbiedigheid
- Ongelovigen Beschreven Als
- Onrein Tot De Avond
- Ontrouw
- Ontvankelijkheid
- Onze Vader In De Hemel
- Oorlog
- Over De Discipelen Van Christus Zullen Lijden
- Overwinnen
- Overwinning Op Het Kwaad
- Overwinning Over Spirituele Krachten
- Passie
- Persoonlijke Ethiek
- Poorten
- Relatie Tussen Vader En Zoon
- Rentmeesterschap Over Geld
- Resultaten Van Angst Van God
- Rivieren
- Schaamte Over Slecht Gedrag
- Sexuele Immoraliteit
- Slaven Van God
- Staan
- Straf
- Tafels
- Tekenen En Wonderen Van Het Evangelie
- Terechtwijzing
- Toedienen
- Toekomst
- Troon
- Trouw Tot God
- Types
- Types Van Christus
- Vals Vertrouwen
- Valse Religie
- Verbintenis Tot God
- Verenigingen Van Kwaad
- Verlossing
- Vervolging
- Verzoening
- Vijandelijke Aanvallen
- Vijanden In Spirituele Oorlog
- Vloeken
- Volg De Geboden
- Voorspelling
- Voorspellingen Over Christus
- Vreemdelingen
- Vreemdelingen Inbegrepen In De Wet
- Vriendelijkheid
- Vriendelijkheid
- Vruchten Van Gerechtigheid
- Wee De Goddelozen
- Woord Van God
- Zee
- Zegen De Heer!
- Zegeningen Van God
- Zeven Dagen
- Zeven Dagen Voor Juridische Zaken
- Zonde Veroorzaakt Dood
- Homosexuelen