'Een' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:6-Genesis 19:38
- 2.Genesis 20:3-Genesis 30:20
- 3.Genesis 30:21-Genesis 42:32
- 4.Genesis 42:33-Exodus 10:22
- 5.Exodus 10:23-Exodus 22:19
- 6.Exodus 22:25-Exodus 32:5
- 7.Exodus 32:8-Leviticus 3:5
- 8.Leviticus 3:6-Leviticus 13:10
- 9.Leviticus 13:11-Leviticus 21:21
- 10.Leviticus 21:23-Numberi 2:17
- 11.Numberi 2:28-Numberi 9:15
- 12.Numberi 9:16-Numberi 21:14
- 13.Numberi 21:28-Numberi 32:5
- 14.Numberi 32:14-Deuteronomium 15:12
- 15.Deuteronomium 15:15-Deuteronomium 26:14
- 16.Deuteronomium 26:15-Jozua 12:6
- 17.Jozua 12:7-Richteren 5:30
- 18.Richteren 6:8-Richteren 17:7
- 19.Richteren 17:9-1 Samuël 6:3
- 20.1 Samuël 6:7-1 Samuël 17:34
- 21.1 Samuël 17:36-2 Samuël 2:17
- 22.2 Samuël 2:18-2 Samuël 16:22
- 23.2 Samuël 17:8-1 Koningen 3:6
- 24.1 Koningen 3:7-1 Koningen 14:6
- 25.1 Koningen 14:7-2 Koningen 4:16
- 26.2 Koningen 4:17-2 Koningen 17:21
- 27.2 Koningen 17:27-1 Kronieken 21:6
- 28.1 Kronieken 21:10-2 Kronieken 16:3
- 29.2 Kronieken 16:8-Ezra 1:4
- 30.Ezra 1:5-Nehemia 13:5
- 31.Nehemia 13:7-Job 11:12
- 32.Job 12:3-Job 31:18
- 33.Job 31:23-Psalmen 18:26
- 34.Psalmen 18:29-Psalmen 48:6
- 35.Psalmen 48:7-Psalmen 77:13
- 36.Psalmen 77:20-Psalmen 105:21
- 37.Psalmen 105:31-Psalmen 142:3
- 38.Psalmen 143:1-Spreuken 12:27
- 39.Spreuken 13:1-Spreuken 20:16
- 40.Spreuken 20:19-Spreuken 28:15
- 41.Spreuken 28:16-Prediker 8:12
- 42.Prediker 8:13-Jesaja 7:21
- 43.Jesaja 7:22-Jesaja 24:20
- 44.Jesaja 24:22-Jesaja 38:13
- 45.Jesaja 38:14-Jesaja 54:8
- 46.Jesaja 55:3-Jeremia 3:3
- 47.Jeremia 3:14-Jeremia 13:24
- 48.Jeremia 14:8-Jeremia 26:3
- 49.Jeremia 26:6-Jeremia 46:28
- 50.Jeremia 47:2-Klaagliederen 3:52
- 51.Klaagliederen 3:53-Ezechiël 16:5
- 52.Ezechiël 16:8-Ezechiël 27:7
- 53.Ezechiël 27:15-Ezechiël 40:8
- 54.Ezechiël 40:12-Daniël 2:28
- 55.Daniël 2:31-Daniël 11:31
- 56.Daniël 11:34-Joël 2:17
- 57.Joël 2:19-Micha 3:9
- 58.Micha 3:12-Zacharia 1:8
- 59.Zacharia 1:14-Mattheüs 5:14
- 60.Mattheüs 5:15-Mattheüs 17:27
- 61.Mattheüs 18:2-Mattheüs 27:29
- 62.Mattheüs 27:32-Markus 10:37
- 63.Markus 10:45-Lukas 3:8
- 64.Lukas 3:22-Lukas 11:14
- 65.Lukas 11:16-Lukas 19:15
- 66.Lukas 19:20-Johannes 4:46
- 67.Johannes 5:1-Johannes 18:18
- 68.Johannes 18:22-Handelingen 9:26
- 69.Handelingen 9:33-Handelingen 21:16
- 70.Handelingen 21:23-Romeinen 5:15
- 71.Romeinen 5:16-1 Corinthiërs 9:11
- 72.1 Corinthiërs 9:20-2 Corinthiër 11:16
- 73.2 Corinthiër 11:24-Colossenzen 4:6
- 74.Colossenzen 4:11-Hebreeën 2:11
- 75.Hebreeën 2:17-Jakobus 2:23
- 76.Jakobus 2:24-Openbaring 1:13
- 77.Openbaring 1:14-Openbaring 16:21
- 78.Openbaring 17:1-Openbaring 22:18
O Israels Verwachting, Zijn Verlosser in tijd van benauwdheid! waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten?
Waarom zoudt Gij zijn als een versaagd man, als een held, die niet kan verlossen? Gij zijt toch in het midden van ons, o HEERE! en wij zijn naar Uw Naam genoemd, verlaat ons niet.
Toen zeide ik: Ach, Heere HEERE! zie, die profeten zeggen hun: Gij zult geen zwaard zien, en gij zult geen honger hebben; maar Ik zal u een gewissen vrede geven in deze plaats.
En de HEERE zeide tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken; zij profeteren ulieden een vals gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij huns harten.
Daarom zult gij dit woord tot hen zeggen: Mijn ogen zullen van tranen nederdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de jonkvrouw der dochter Mijns volks is gebroken met een grote breuk, een plage, die zeer smartelijk is.
Hebt Gij dan Juda ganselijk verworpen? Heeft Uw ziel een walging aan Sion? Waarom hebt Gij ons geslagen, dat er geen genezing voor ons is? Men wacht naar vrede, maar daar is niets goeds, en naar tijd van genezing, maar ziet, daar is verschrikking.
En Ik zal hen overgeven tot een beroering aan alle koninkrijken der aarde, vanwege Manasse, zoon van Jehizkia, koning van Juda, om hetgeen hij te Jeruzalem gedaan heeft.
En Ik zal hen wannen met een wan, in de poorten des lands; Ik heb Mijn volk van kinderen beroofd en verdaan; zij zijn van hun wegen niet wedergekeerd.
Hun weduwen zijn Mij meerder geworden dan zand der zeeen; Ik heb hun over de moeder doen komen een jongeling, een verwoester op den middag; Ik heb hem haastelijk hen doen overvallen, de stad met verschrikkingen.
Wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt, een man van twist, en een man van krakeel den gansen lande! Ik heb hun niet op woeker gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven, nog vloekt mij een ieder van hen.
Ik zal uw vermogen en uw schatten tot een roof geven, zonder prijs; en dat om al uw zonden, en in al uw landpalen.
En Ik zal u overvoeren met uw vijanden, in een land, dat gij niet kent; want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, het zal over u branden.
Waarom is mijn pijn steeds durende, en mijn plage smartelijk? Zij weigert geheeld te worden; zoudt Gij mij ganselijk zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet bestendig zijn?
Want Ik heb u tegen dit volk gesteld tot een koperen vasten muur; zij zullen wel tegen u strijden, maar u niet overmogen; want Ik ben met u, om u te behouden en om u uit te rukken, spreekt de HEERE.
Want zo zegt de HEERE: Ga niet in het huis desgenen, die een rouwmaaltijd houdt, en ga niet henen om te rouwklagen, en heb geen medelijden met hen; want Ik heb van dit volk (spreekt de HEERE) weggenomen Mijn vrede, goedertierenheid en barmhartigheden;
Ook zal men hun niets uitdelen over den rouw, om iemand te troosten over een dode; noch hun te drinken geven uit den troostbeker, over iemands vader of over iemands moeder.
Ga ook niet in een huis des maaltijds, om bij hen te zitten, om te eten en te drinken.
En gijlieden erger gedaan hebt dan uw vaderen; want ziet, gijlieden wandelt, een iegelijk naar het goeddunken van zijn boos hart, om naar Mij niet te horen.
Daarom zal Ik ulieden uit dit land werpen, in een land, dat gij niet gekend hebt, gij noch uw vaders; en aldaar zult gij andere goden dienen, dag en nacht, omdat Ik u geen genade zal geven.
Zal een mens zich goden maken? Zij zijn toch geen goden.
De zonde van Juda is geschreven met een ijzeren griffie, met de punt eens diamants; gegraven in de tafel van hunlieder hart, en aan de hoornen uwer altaren;
Alzo zult gij aflaten (en dat om u zelven) van uw erfenis, die Ik u gegeven heb, en Ik zal u uw vijanden doen dienen in een land, dat gij niet kent; want gijlieden hebt een vuur aangestoken in Mijn toorn, tot in eeuwigheid zal het branden.
Zo zegt de HEERE: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van den HEERE afwijkt!
Want hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen.
Ik, de HEERE, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen.
Gelijk een veldhoen eieren vergadert, maar broedt ze niet uit, alzo is hij, die rijkdom vergadert, doch niet met recht; in de helft zijner dagen zal hij dien moeten verlaten, en in zijn laatste een dwaas zijn.
Een troon der heerlijkheid, een hoogheid van het eerste aan, is de plaats onzes heiligdoms.
Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter U betaamde; ook heb ik den dodelijken dag niet begeerd, Gij weet het; wat uit mijn lippen is gegaan, is voor Uw aangezicht geweest.
Wees Gij mij niet tot een verschrikking; Gij zijt mijn Toevlucht ten dage des kwaads.
Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden; breng over hen den dag des kwaads, en verbreek hen met een dubbele verbreking.
Maar indien gij naar Mij niet zult horen, om den sabbatdag te heiligen, en om geen last te dragen als gij op den sabbatdag door de poorten van Jeruzalem ingaat; zo zal Ik een vuur in haar poorten aansteken, dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren, en niet worden uitgeblust.
Zo ging ik af in het huis des pottenbakkers; en ziet, hij maakte een werk op de schijven.
En het vat, dat hij maakte, werd verdorven, als leem, in de hand des pottenbakkers; toen maakte hij daarvan weder een ander vat, gelijk als het recht was in de ogen des pottenbakkers te maken.
In een ogenblik zal Ik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat Ik het zal uitrukken, en afbreken, en verdoen;
Ook zal Ik in een ogenblik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat Ik het zal bouwen en planten;
Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik formeer een kwaad tegen ulieden, en denk tegen ulieden een gedachte; zo bekeert u nu, een iegelijk van zijn bozen weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed.
Doch zij zeggen: Het is buiten hoop; maar wij zullen naar onze gedachten wandelen, en wij zullen doen, een iegelijk het goeddunken van zijn boos hart.
Daarom, zo zegt de HEERE: Vraagt nu onder de heidenen; wie heeft alzulks gehoord? De jonkvrouw Israels doet een zeer afschuwelijke zaak.
Zal men ook om een rotssteen des velds verlaten de sneeuw van Libanon? Zullen ook de vreemde, koude, vlietende wateren verlaten worden?
Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, zij roken der ijdelheid; want zij hebben hen doen aanstoten op hun wegen, op de oude paden, opdat zij mochten wandelen in stegen van een weg, die niet opgehoogd is;
Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden.
Als een oostenwind zal Ik hen verstrooien voor het aangezicht des vijands; Ik zal hun den nek en niet het aangezicht laten zien, ten dage huns verderfs.
Zal dan kwaad voor goed vergolden worden? want zij hebben mijn ziel een kuil gegraven; gedenk, dat ik voor Uw aangezicht gestaan heb, om goed voor hen te spreken, om Uw grimmigheid van hen af te wenden.
Laat er een geschrei uit hun huizen gehoord worden, wanneer Gij haastelijk een bende over hen zult brengen; dewijl zij een kuil gegraven hebben om mij te vangen, en strikken verborgen voor mijn voeten.
Zo zegt de HEERE: Ga henen en koop een pottenbakkerskruik, en neem tot u van de oudsten des volks, en van de oudsten der priesteren.
En zeg: Hoort des HEEREN woord, gij koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem! Alzo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Ziet, Ik zal een kwaad brengen over deze plaats, van hetwelk een ieder, die het hoort, zijn oren klinken zullen;
En Ik zal deze stad zetten tot een ontzetting en tot een aanfluiting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten en fluiten over al haar plagen.
En Ik zal hunlieden het vlees hunner zonen en het vlees hunner dochteren doen eten, en zij zullen eten, een iegelijk het vlees zijns naasten, in de belegering en in de benauwing, waarmede hen hun vijanden, en die hun ziel zoeken, benauwen zullen.
En gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de HEERE der heirscharen: Alzo zal Ik dit volk en deze stad verbreken, gelijk als men een pottenbakkersvat verbreekt, dat niet weder geheeld kan worden; en zij zullen hen in Tofeth begraven, omdat er geen andere plaats zal zijn om te begraven.
Zo zal Ik deze plaats doen, spreekt de HEERE, en haar inwoners; en dat om deze stad te stellen als een Tofeth.
Want zo zegt de HEERE: Zie, Ik stel u tot een schrik voor uzelven en voor al uw liefhebbers; die zullen vallen door het zwaard hunner vijanden, dat het uw ogen aanzien; en Ik zal gans Juda geven in de hand des konings van Babel, die hen naar Babel gevankelijk zal wegvoeren, en slaan hen met het zwaard.
HEERE! Gij hebt mij overreed, en ik ben overreed geworden; Gij zijt mij te sterk geweest, en hebt overmocht; ik ben den gansen dag tot een belachen, een ieder van hen bespot mij.
Dies zeide ik: Ik zal Zijner niet gedenken, en niet meer in Zijn Naam spreken; maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen; en ik bemoeide mij om te verdragen, maar konde niet.
Maar de HEERE is met mij als een verschrikkelijk Held; daarom zullen mijn vervolgers struikelen, en niets vermogen; zij zijn zeer beschaamd geworden, omdat zij niet verstandiglijk gehandeld hebben; het zal een eeuwige schande zijn, zij zal niet vergeten worden.
Vervloekt zij de man, die mijn vader geboodschapt heeft, zeggende: U is een jonge zoon geboren, verblijdende hem grotelijks!
Ja, dezelve man zij, als de steden, die de HEERE heeft omgekeerd, en het heeft Hem niet berouwd; en hij hore in den morgenstond een geroep, en op den middagtijd een geschrei.
Dat Hij mij niet gedood heeft van de baarmoeder af! Of mijn moeder mijn graf geweest is, of haar baarmoeder als van een, die eeuwiglijk zwanger is!
En Ik Zelf zal tegen ulieden strijden, met een uitgestrekte hand en met een sterken arm, ja, met toorn, en met grimmigheid, en met grote verbolgenheid.
En Ik zal de inwoners dezer stad slaan, zowel de mensen als de beesten; door een grote pestilentie zullen zij sterven.
Die in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, of door den honger, of door de pestilentie; maar die er uitgaat en valt tot de Chaldeen, die ulieden belegeren, die zal leven, en zijn ziel zal hem tot een buit zijn.
O huis Davids! zo zegt de HEERE: Richt des morgens recht, en verlost den beroofde uit den hand des verdrukkers; opdat Mijn gramschap niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid uwer handelingen.
En Ik zal over ulieden bezoeking doen naar de vrucht uwer handelingen, spreekt de HEERE; en Ik zal een vuur aansteken in haar woud, dat zal verteren al wat rondom haar is.
Indien gij daarentegen deze woorden niet zult horen, zo heb Ik bij Mij gezworen, spreekt de HEERE, dat dit huis tot een woestheid worden zal.
Want zo zegt de HEERE van het huis des konings van Juda: Gij zijt Mij een Gilead, een hoogte van Libanon; maar zo Ik u niet zette als een woestijn en onbewoonde steden!
Dan zullen veel heidenen voorbij deze stad gaan, en zullen zeggen, een ieder tot zijn naaste: Waarom heeft de HEERE alzo gedaan aan deze grote stad?
Die daar zegt: Ik zal mij een zeer hoog huis bouwen, en doorluchtige opperzalen; en hij houwt zich vensteren uit, en het is bedekt met ceder, en aangestreken met menie.
Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden; men zal hem slepen en daarhenen werpen, verre weg van de poorten van Jeruzalem.
Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, ofschoon Chonia, de zoon van Jojakim, den koning van Juda, een zegelring ware aan Mijn rechterhand, zo zal Ik u toch van daar wegrukken.
En Ik zal u, en uw moeder, die u gebaard heeft, uitwerpen in een ander land, waarin gijlieden niet geboren zijt, en daar zult gij sterven.
Is dan deze man Chonia een veracht, verstrooid, afgodisch beeld? Of is hij een vat, waaraan men geen lust heeft? Waarom zijn hij en zijn zaad uitgeworpen, ja, weggeworpen in een land, dat zij niet kennen?
Zo zegt de HEERE: Schrijft dezen zelfden man kinderloos, een man, die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen; want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op den troon Davids, en heersende meer in Juda.
Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.
Aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat; vanwege den HEERE, en vanwege de woorden Zijner heiligheid.
Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt de HEERE.
Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwelijkheid; zij bedrijven overspel, en gaan om met valsheid, en sterken de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een iegelijk van zijn boosheid; zij allen zijn Mij als Sodom, en haar inwoners als Gomorra.
Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd.
Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre?
Hoe lang? Is er dan een droom in het hart der profeten, die de leugen profeteren? Ja, het zijn profeten van huns harten bedriegerij.
Die daar denken om Mijn volk Mijn Naam te doen vergeten, door hun dromen, die zij, een ieder zijn naaste, vertellen; gelijk als hun vaders Mijn Naam vergeten hebben door Baal.
De profeet, bij welken een droom is, die vertelle den droom; en bij welken Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk; wat heeft het stro met het koren te doen? spreekt de HEERE.
Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?
Daarom, ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die Mijn woorden stelen, een ieder van zijn naaste;
Wanneer dan dit volk, of een profeet, of priester u vragen zal, zeggende: Wat is des HEEREN last? Zo zult gij tot hen zeggen: Wat last? Dat Ik ulieden verlaten zal, spreekt de HEERE.
Aldus zult gijlieden zeggen, een iegelijk tot zijn naaste, en een iegelijk tot zijn broeder: Wat heeft de HEERE geantwoord, en wat heeft de HEERE gesproken?
Maar des HEEREN last zult gij niet meer gedenken; want een iegelijk zal zijn eigen woord een last zijn, dewijl gij verkeert de woorden van den levenden God, den HEERE der heirscharen, onzen God.
En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren.
En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken der aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben;
Zeggende: Bekeert u toch, een iegelijk van zijn bozen weg, en van de boosheid uwer handelingen, en woont in het land, dat de HEERE u en uw vaderen gegeven heeft, van eeuw tot eeuw;
Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt de HEERE; en tot Nebukadrezar, den koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelve, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden.
En dit ganse land zal worden tot een woestheid, tot een ontzetting; en deze volken zullen den koning van Babel dienen zeventig jaren.
Namelijk Jeruzalem en de steden van Juda, en haar koningen, en haar vorsten; om die te stellen tot een woestheid, tot een ontzetting, tot een aanfluiting en tot een vloek, gelijk het is te dezen dage;
En allen koningen van het noorden, die nabij en die verre zijn, den een met den anderen; ja, allen koninkrijken der aarde, die op den aardbodem zijn. En de koning van Sesach zal na hen drinken.
Gij zult dan al deze woorden tot hen profeteren, en gij zult tot hen zeggen: De HEERE zal brullen uit de hoogte, en Zijn stem verheffen uit de woning Zijner heiligheid; Hij zal schrikkelijk brullen over Zijn woonstede; Hij zal een vreugdegeschrei, als de druiven treders, uitroepen tegen alle inwoners der aarde.
Het geschal zal komen tot aan het einde der aarde; want de HEERE heeft een twist met de volken, Hij zal gericht houden met alle vlees; de goddelozen heeft Hij aan het zwaard overgegeven, spreekt de HEERE.
Zo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, een kwaad gaat er uit van volk tot volk. en een groot onweder zal er verwekt worden van de zijden der aarde.
Huilt, gij herders! en schreeuwt, en wentelt u in de as, gij heerlijken van de kudde! want uw dagen zijn vervuld, dat men slachten zal, en van uw verstrooiingen, dan zult gij vervallen als een kostelijk vat.
Er zal zijn een stem des geroeps der herderen, en een gehuil der heerlijken van de kudde, omdat de HEERE hun weide verstoort.
Hij heeft, als een jonge leeuw, Zijn hutte verlaten; want hunlieder land is geworden tot een verwoesting, vanwege de hittigheid des verdrukkers, ja, vanwege de hittigheid Zijns toorns.
Zo zegt de HEERE: Sta in het voorhof van het huis des HEEREN, en spreek tot alle steden van Juda, die komen om aan te bidden in het huis des HEEREN, al de woorden, die Ik u geboden heb tot hen te spreken, doe er niet een woord af.
Misschien zullen zij horen, en zich bekeren, een iegelijk van zijn bozen weg; zo zou Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik hun denk te doen vanwege de boosheid hunner handelingen.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:6-Genesis 19:38
- 2.Genesis 20:3-Genesis 30:20
- 3.Genesis 30:21-Genesis 42:32
- 4.Genesis 42:33-Exodus 10:22
- 5.Exodus 10:23-Exodus 22:19
- 6.Exodus 22:25-Exodus 32:5
- 7.Exodus 32:8-Leviticus 3:5
- 8.Leviticus 3:6-Leviticus 13:10
- 9.Leviticus 13:11-Leviticus 21:21
- 10.Leviticus 21:23-Numberi 2:17
- 11.Numberi 2:28-Numberi 9:15
- 12.Numberi 9:16-Numberi 21:14
- 13.Numberi 21:28-Numberi 32:5
- 14.Numberi 32:14-Deuteronomium 15:12
- 15.Deuteronomium 15:15-Deuteronomium 26:14
- 16.Deuteronomium 26:15-Jozua 12:6
- 17.Jozua 12:7-Richteren 5:30
- 18.Richteren 6:8-Richteren 17:7
- 19.Richteren 17:9-1 Samuël 6:3
- 20.1 Samuël 6:7-1 Samuël 17:34
- 21.1 Samuël 17:36-2 Samuël 2:17
- 22.2 Samuël 2:18-2 Samuël 16:22
- 23.2 Samuël 17:8-1 Koningen 3:6
- 24.1 Koningen 3:7-1 Koningen 14:6
- 25.1 Koningen 14:7-2 Koningen 4:16
- 26.2 Koningen 4:17-2 Koningen 17:21
- 27.2 Koningen 17:27-1 Kronieken 21:6
- 28.1 Kronieken 21:10-2 Kronieken 16:3
- 29.2 Kronieken 16:8-Ezra 1:4
- 30.Ezra 1:5-Nehemia 13:5
- 31.Nehemia 13:7-Job 11:12
- 32.Job 12:3-Job 31:18
- 33.Job 31:23-Psalmen 18:26
- 34.Psalmen 18:29-Psalmen 48:6
- 35.Psalmen 48:7-Psalmen 77:13
- 36.Psalmen 77:20-Psalmen 105:21
- 37.Psalmen 105:31-Psalmen 142:3
- 38.Psalmen 143:1-Spreuken 12:27
- 39.Spreuken 13:1-Spreuken 20:16
- 40.Spreuken 20:19-Spreuken 28:15
- 41.Spreuken 28:16-Prediker 8:12
- 42.Prediker 8:13-Jesaja 7:21
- 43.Jesaja 7:22-Jesaja 24:20
- 44.Jesaja 24:22-Jesaja 38:13
- 45.Jesaja 38:14-Jesaja 54:8
- 46.Jesaja 55:3-Jeremia 3:3
- 47.Jeremia 3:14-Jeremia 13:24
- 48.Jeremia 14:8-Jeremia 26:3
- 49.Jeremia 26:6-Jeremia 46:28
- 50.Jeremia 47:2-Klaagliederen 3:52
- 51.Klaagliederen 3:53-Ezechiël 16:5
- 52.Ezechiël 16:8-Ezechiël 27:7
- 53.Ezechiël 27:15-Ezechiël 40:8
- 54.Ezechiël 40:12-Daniël 2:28
- 55.Daniël 2:31-Daniël 11:31
- 56.Daniël 11:34-Joël 2:17
- 57.Joël 2:19-Micha 3:9
- 58.Micha 3:12-Zacharia 1:8
- 59.Zacharia 1:14-Mattheüs 5:14
- 60.Mattheüs 5:15-Mattheüs 17:27
- 61.Mattheüs 18:2-Mattheüs 27:29
- 62.Mattheüs 27:32-Markus 10:37
- 63.Markus 10:45-Lukas 3:8
- 64.Lukas 3:22-Lukas 11:14
- 65.Lukas 11:16-Lukas 19:15
- 66.Lukas 19:20-Johannes 4:46
- 67.Johannes 5:1-Johannes 18:18
- 68.Johannes 18:22-Handelingen 9:26
- 69.Handelingen 9:33-Handelingen 21:16
- 70.Handelingen 21:23-Romeinen 5:15
- 71.Romeinen 5:16-1 Corinthiërs 9:11
- 72.1 Corinthiërs 9:20-2 Corinthiër 11:16
- 73.2 Corinthiër 11:24-Colossenzen 4:6
- 74.Colossenzen 4:11-Hebreeën 2:11
- 75.Hebreeën 2:17-Jakobus 2:23
- 76.Jakobus 2:24-Openbaring 1:13
- 77.Openbaring 1:14-Openbaring 16:21
- 78.Openbaring 17:1-Openbaring 22:18
Verwante onderwerpen
- Aanbieden Van Granen En Plengoffers
- Afkeer
- Afkeer Van God
- Alcohol
- Alleenstaande Zijn
- Altaren Bouwen
- Archeologie
- Babylon
- Balans
- Beroepen
- Beste Vrienden
- De Aard Van Menselijke Wijsheid
- De Daad Van Openen
- De Glorie Van God
- De Invloed Van God Kennen
- De Kracht Van God
- De Namen Voor Christus
- De Openbaring Van God
- De Ouders Verlaten Voor De Echtgenoot
- De Rijken
- De Schoonheid Van Vrouwen
- De tong
- Deelname In Christus
- Dieren Op Specifieke Leeftijden
- Dieven
- Doodstraf
- Dwazen
- Echtgenoot En Vrouw
- Een Goede Echtgenoot
- Een Goede Vrouw
- Een Korte Tijd
- Een Materiële Zaak
- Een Vrouw Van God Zijn
- Eenheid Is Het Doel Van God
- Eenheid Tussen Gods Mensen
- Eenzaamheid
- Eigendom, Huizen
- Engelen Die Gods Werk Doen
- Ephah [Tien Omers]
- Fysieke Slaap
- Geesten
- Geiten
- Geiten Offeren
- Geld Aan De Kerk Geven
- Genoemde Profeten Van De Heer
- Gereedschap
- Gevallen En Verlost Hart
- Gevolgen Van Dwaasheid
- Gewaden
- Gewicht
- Gewichten En Maten, Afstanden
- Gewichten En Maten, Droog
- Gewoonten In Verband Met Het Huwelijk
- Gezegdes
- God Behagen
- God Dodend
- God Haalt Israël Uit Egypte
- God, De Eeuwige
- God, De Rots
- Gods Bescherming
- Gods Hand
- Gods Redding Bekend Gemaakt
- Gods Stem
- Gods Verborgen Dingen
- Goud
- Gouden Voorwerpen Voor Het Tabernakel
- Grappen Maken
- Gretigheid
- Groepen Van Slaven
- Haar
- Hand Van God
- Handicaps
- Haren
- Heiligdom
- Hert
- Het Lichaam
- Hoofden
- Huizen
- Huwelijk
- Huwelijk Kjv
- Huwelijk Tussen Man En Vrouw
- Ijzer
- Ik Zal Hun God Zijn
- Insecten
- Intimiteit
- Jagen
- Jouw Familie Beschermen
- Juiste Maatregelen
- Kanker
- Karakter Van Het Kwaad
- Kenmerken Van Dwazen
- Kleding
- Kleur
- Korte Tijd Tot Het Einde
- Korte Tijd Voor Actie
- Kracht Van God
- Lammeren
- Leger
- Lichaam
- Liederen
- Liefde Voor Elkaar
- Liegen
- Liegen En Bedrog
- Linnen
- Lippen
- Man En Vrouw
- Mannelijke Dieren
- Menigtes
- Menselijk Hart
- Messiaanse Profetieën
- Misbruik Van Liefde
- Munstelsel
- Muren
- Muziek
- Nacht
- Namen En Titels Voor Christus
- Namen En Titels Voor De Christenen
- Olie Op Offers
- Onderdak
- Ongelovigen Beschreven Als
- Ontrouw
- Oorlog
- Opgefriste God
- Opstand
- Orkanen
- Perfecte Offers
- Redding
- Regenboog
- Rest
- Rivieren
- Samenwerken
- Samenzweringen
- Satan
- Schapen En Geiten
- Schat
- Schrijven
- Sex
- Sex Voor Het Huwelijk
- Slaven Van God
- Slavernij
- Soorten Vogels
- Spiritueel Licht
- Stemmen
- Stormen
- Symbolen
- Taal
- Tekenen En Wonderen Van Het Evangelie
- Tenten
- Theofanie
- Toekomst
- Toevluchtsoord
- Troon
- Twee Dieren
- Types Van Christus
- Types Van Heilige Geest
- Val
- Vals Vertrouwen
- Vee Offeren
- Verbondsrelaties
- Verordeningen
- Versterkingen
- Verzoening
- Vleugels
- Vliegen
- Voedsel
- Voeten
- Vogels
- Voorspellingen Over Christus
- Vreemdelingen
- Vrienden
- Vriendschap En Vertrouwen
- Vriendschap Kjv
- Vrouw
- Vrouw
- Vrouwen
- Waardevolle Stenen
- Weduwes
- Wegen
- Wijn
- Winst
- Zeuren
- Zeven Dagen
- Zeven Dagen Voor Juridische Zaken
- Zeven Dingen
- Zitten
- Zoals Wezen
- Zonde Veroorzaakt Dood