'Haar' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:21-Genesis 32:15
- 2.Genesis 33:2-Leviticus 7:27
- 3.Leviticus 8:16-Numberi 30:8
- 4.Numberi 30:9-Jozua 15:45
- 5.Jozua 15:46-Richteren 13:10
- 6.Richteren 13:14-1 Samuël 28:7
- 7.1 Samuël 28:10-2 Koningen 8:5
- 8.2 Koningen 8:6-Nehemia 1:3
- 9.Nehemia 2:3-Psalmen 93:3
- 10.Psalmen 96:11-Jesaja 3:16
- 11.Jesaja 3:17-Jeremia 30:17
- 12.Jeremia 30:18-Ezechiël 13:14
- 13.Ezechiël 13:16-Daniël 3:27
- 14.Daniël 4:12-Haggaï 2:12
- 15.Haggaï 2:13-Lukas 1:45
- 16.Lukas 1:56-1 Corinthiërs 6:16
- 17.1 Corinthiërs 7:2-Openbaring 22:2
Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met haar volheid.
De zee bruise met haar volheid, de wereld met degenen, die daarin wonen.
Gij zult opstaan, Gij zult U ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen.
Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen, en hebben medelijden met haar gruis.
Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.
Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.
Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.
Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft.
De oprechten zien het, en zijn verblijd, maar alle ongerechtigheid stopt haar mond.
Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.
Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.
Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van Jaar.
Ik zal haar kost rijkelijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen.
En haar priesters zal Ik met heil bekleden, en haar gunstgenoten zullen zeer juichen.
HEERE! gedenk aan de kinderen van Edom, aan den dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe!
Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel zijn haar sommen!
Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.
De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten; Zij verheft haar stem op de straten.
Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;
Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten;
Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;
Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.
Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;
Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud.
Zij is kostelijker dan robijnen en al; wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken.
Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer.
Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult.
Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.
Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.
Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.
Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde.
Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.
Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
Alzo die tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden.
Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.
Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.
En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;
Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;
En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem:
Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.
Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.
Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele.
Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?
Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken.
Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde;
De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen.
Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel toegericht.
Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:
En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;
Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de diepten der hel.
In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.
Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.
Dood en leven zijn in het geweld der tong; en een ieder, die ze liefheeft, zal haar vrucht eten.
Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden.
Laat uw vader zich verblijden, ook uw moeder; en laat haar zich verheugen, die u gebaard heeft.
Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.
Elkeen, die haar verbergt, zou den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept.
Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!
Om een hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgenaam is van haar vrouw.
De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in de zomer haar spijs.
Aleph. Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen.
Beth. Het hart haars heren vertrouwt op haar, zodat hem geen goed zal ontbreken.
He. Zij is als de schepen eens koopmans; zij doet haar brood van verre komen.
Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.
Cheth. Zij gordt haar lenden met kracht, en zij versterkt haar armen.
Teth. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat des nachts niet uit.
Jod. Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten den spinrok.
Caph. Zij breidt haar handpalm uit tot den ellendige; en zij steekt haar handen uit tot den nooddruftige.
Lamed. Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw; want haar ganse huis is met dubbele klederen gekleed.
Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper.
Nun. Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands.
Ain. Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding; en zij lacht over den nakomenden dag.
Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.
Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.
Koph. Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende:
Thau. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.
Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.
Want met ijdelheid komt zij, en in duisternis gaat zij weg, en met duisternis wordt haar naam bedekt.
Want de wijsheid is tot een schaduw, en het geld is tot een schaduw; maar de uitnemendheid der wetenschap is, dat de wijsheid haar bezitters het leven geeft.
En ik vond een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, welker hart netten en garen, en haar handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden.
Dewelke mijn ziel nog zoekt, maar ik heb haar niet gevonden: een man uit duizend heb ik gevonden; maar een vrouw onder die allen heb ik niet gevonden.
Er is geen mens, die heerschappij heeft over den geest, om den geest in te houden; en hij heeft geen heerschappij over den dag des doods; ook geen geweer in dezen strijd; ook zal de goddeloosheid haar meesters niet verlossen.
Er was een kleine stad, en weinig lieden waren daarin; en een groot koning kwam tegen haar, en hij omsingelde ze, en hij bouwde grote vastigheden tegen haar.
Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem! die bij de reeen of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste!
De pilaren derzelve maakte hij van zilver, haar vloer van goud, haar gehemelte van purper; het binnenste was bespreid met de liefde van de dochteren van Jeruzalem.
Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven ogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van den berg Gileads afscheren.
Wend uw ogen van Mij af, want zij doen Mij geweld aan; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van Gilead afscheren.
Een enige is Mijn duive, Mijn volmaakte, de enige harer moeder, zij is de zuivere dergenen, die haar gebaard heeft; als de dochters haar zien, zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijwijven; en zij zullen haar prijzen.
Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste? Onder den appelboom heb ik u opgewekt, daar heeft u uw moeder met smart voortgebracht, daar heeft zij u met smart voortgebracht, die u gebaard heeft.
Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN.
Wij hebben een kleine zuster, die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zuster doen in dien dag, als men van haar spreken zal?
Zo zij een muur is, wij zullen een paleis van zilver op haar bouwen; en zo zij een deur is, wij zullen haar rondom bezetten met cederen planken.
Sion zal door recht verlost worden, en haar wederkerenden door gerechtigheid.
Verder zegt de HEERE: Daarom dat de dochteren van Sion zich verheffen, en gaan met uitgestrekten hals, en lonken met de ogen, al gaande en trippelende daarhenen treden, en alsof haar voeten gebonden waren.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:21-Genesis 32:15
- 2.Genesis 33:2-Leviticus 7:27
- 3.Leviticus 8:16-Numberi 30:8
- 4.Numberi 30:9-Jozua 15:45
- 5.Jozua 15:46-Richteren 13:10
- 6.Richteren 13:14-1 Samuël 28:7
- 7.1 Samuël 28:10-2 Koningen 8:5
- 8.2 Koningen 8:6-Nehemia 1:3
- 9.Nehemia 2:3-Psalmen 93:3
- 10.Psalmen 96:11-Jesaja 3:16
- 11.Jesaja 3:17-Jeremia 30:17
- 12.Jeremia 30:18-Ezechiël 13:14
- 13.Ezechiël 13:16-Daniël 3:27
- 14.Daniël 4:12-Haggaï 2:12
- 15.Haggaï 2:13-Lukas 1:45
- 16.Lukas 1:56-1 Corinthiërs 6:16
- 17.1 Corinthiërs 7:2-Openbaring 22:2