'Heeft' in de Bijbel
- 1.Genesis 2:2-Genesis 45:9
- 2.Genesis 46:15-Leviticus 5:5
- 3.Leviticus 5:6-Numberi 14:40
- 4.Numberi 15:22-Deuteronomium 5:2
- 5.Deuteronomium 5:3-Deuteronomium 22:26
- 6.Deuteronomium 22:27-Jozua 23:9
- 7.Jozua 23:10-1 Samuël 15:21
- 8.1 Samuël 15:22-2 Samuël 17:15
- 9.2 Samuël 17:21-2 Koningen 1:14
- 10.2 Koningen 1:18-1 Kronieken 29:1
- 11.1 Kronieken 29:17-Job 10:12
- 12.Job 12:13-Psalmen 28:6
- 13.Psalmen 28:7-Psalmen 110:4
- 14.Psalmen 111:4-Prediker 3:10
- 15.Prediker 3:11-Jesaja 29:22
- 16.Jesaja 30:33-Jesaja 66:7
- 17.Jesaja 66:8-Jeremia 36:28
- 18.Jeremia 37:7-Ezechiël 5:6
- 19.Ezechiël 7:10-Hosea 13:6
- 20.Hosea 13:9-Mattheüs 13:27
- 21.Mattheüs 13:28-Lukas 1:45
- 22.Lukas 1:48-Johannes 1:14
- 23.Johannes 1:15-Johannes 12:39
- 24.Johannes 12:40-Handelingen 13:37
- 25.Handelingen 13:47-1 Corinthiërs 2:7
- 26.1 Corinthiërs 2:8-Efeziërs 2:15
- 27.Efeziërs 2:17-Hebreeën 7:4
- 28.Hebreeën 7:6-1 Johannes 4:12
- 29.1 Johannes 4:13-Openbaring 22:17
Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.
Maar zijn vlees, nog aan hem zijnde, heeft smart; en zijn ziel, in hem zijnde, heeft rouw.
Hetwelk de wijzen verkondigd hebben, en men voor hun vaderen niet verborgen heeft;
Omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om de weekdarmen;
En heeft bewoond verdelgde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steen hopen te worden.
Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest.
God heeft mij den verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen.
Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen, en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht.
Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.
Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk; Hij is tegen mij aangelopen als een geweldige.
Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht.
Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.
Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.
Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen.
Hij heeft mij rondom afgebroken, zodat ik henenga, en heeft mijn verwachting als een boom weggerukt.
Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.
Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.
Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt.
Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
Hij heeft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen; God zal het uit zijn buik uitdrijven.
Omdat hij onderdrukt heeft, de armen verlaten heeft, een huis geroofd heeft, dat hij niet opgebouwd had;
Omdat hij geen rust in zijn buik gekend heeft, zo zal hij van zijn gewenst goed niet uitbehouden.
Ja, wanneer ik daaraan gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een gruwen gevat.
De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.
Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.
Dewijl onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.
Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.
Want God heeft mijn hart week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd;
Omdat ik niet uitgedelgd ben voor de duisternis, en dat Hij van mijn aangezicht de donkerheid bedekt heeft.
Den naakten laten zij vernachten zonder kleding, die geen deksel heeft tegen de koude.
Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?
Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.
Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen.
Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan!
Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods.
Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud.
De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.
Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen.
Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.
Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;
Heeft Hij niet, Die mij in den buik maakte, hem ook gemaakt en Een ons in de baarmoeder bereid?)
En mijn bete alleen gegeten heb, zodat de wees daarvan niet gegeten heeft;
En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;
Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt.
Hij zal de mensen aanschouwen, en zeggen: Ik heb gezondigd, en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat;
Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet.
Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.
Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet, als hij welbehagen heeft aan God.
Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt?
Zekerlijk heeft hij tot God gezegd: Ik heb Uw straf verdragen, ik zal het niet verderven.
Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
Maar nu, dewijl het niets is, dat Zijn toorn Job bezocht heeft, en Hij hem niet zeer in overvloed doorkend heeft;
Zo heeft Job in ijdelheid zijn mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd.
En die met het hart huichelachtig zijn, leggen toorn op; zij roepen niet, als Hij hen gebonden heeft.
Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan?
Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?
Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd?
Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam?
Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen des dauws?
Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?
Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?
Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.
Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht.
Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.
Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
Weet toch, dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HEERE zal horen, als ik tot Hem roep.
Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren.
Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de HEERE een gruwel.
Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.
De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen.
Davids Schiggajon, dat hij den HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini. (1a) HEERE, mijn God, op U betrouw ik; verlos mij van al mijn vervolgers, en red mij.
Indien hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en dien bereid.
En heeft dodelijke wapenen voor hem gereed gemaakt; Hij zal Zijn pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen.
Hij heeft een kuil gedolven, en dien uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft.
Maar de HEERE zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.
De HEERE is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk zijner handen! Higgajon, Sela.
Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid.
Zekerlijk, de fondamenten worden omgestoten; wat heeft de rechtvaardige bedreven?
Want de HEERE is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt den oprechte.
Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil; ik zal den HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft.
De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.
In wiens ogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen, die den HEERE vrezen; heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet;
Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren.
Voor den opperzangmeester, een psalm van David, de knecht des HEEREN, die de woorden dezes lieds tot den HEERE gesproken heeft, ten dage, als de HEERE hem gered had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul. (1a) Hij zeide dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!
Het is God, Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.
Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
Gij hebt mij uitgeholpen van de twisten des volks; Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.
Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.
Het leven heeft hij van U begeerd. Gij hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwiglijk en altoos.
Hij heeft het op den HEERE gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!
Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.
Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.
[ (Psalms 22:32) Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft. ]
Want Hij heeft ze gegrond op de zeeen, en heeft ze gevestigd op de rivieren.
Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 2:2-Genesis 45:9
- 2.Genesis 46:15-Leviticus 5:5
- 3.Leviticus 5:6-Numberi 14:40
- 4.Numberi 15:22-Deuteronomium 5:2
- 5.Deuteronomium 5:3-Deuteronomium 22:26
- 6.Deuteronomium 22:27-Jozua 23:9
- 7.Jozua 23:10-1 Samuël 15:21
- 8.1 Samuël 15:22-2 Samuël 17:15
- 9.2 Samuël 17:21-2 Koningen 1:14
- 10.2 Koningen 1:18-1 Kronieken 29:1
- 11.1 Kronieken 29:17-Job 10:12
- 12.Job 12:13-Psalmen 28:6
- 13.Psalmen 28:7-Psalmen 110:4
- 14.Psalmen 111:4-Prediker 3:10
- 15.Prediker 3:11-Jesaja 29:22
- 16.Jesaja 30:33-Jesaja 66:7
- 17.Jesaja 66:8-Jeremia 36:28
- 18.Jeremia 37:7-Ezechiël 5:6
- 19.Ezechiël 7:10-Hosea 13:6
- 20.Hosea 13:9-Mattheüs 13:27
- 21.Mattheüs 13:28-Lukas 1:45
- 22.Lukas 1:48-Johannes 1:14
- 23.Johannes 1:15-Johannes 12:39
- 24.Johannes 12:40-Handelingen 13:37
- 25.Handelingen 13:47-1 Corinthiërs 2:7
- 26.1 Corinthiërs 2:8-Efeziërs 2:15
- 27.Efeziërs 2:17-Hebreeën 7:4
- 28.Hebreeën 7:6-1 Johannes 4:12
- 29.1 Johannes 4:13-Openbaring 22:17
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (114)
- Exodus (78)
- Leviticus (93)
- Numberi (88)
- Deuteronomium (182)
- Jozua (53)
- Richteren (38)
- Ruth (10)
- 1 Samuël (102)
- 2 Samuël (65)
- 1 Koningen (74)
- 2 Koningen (74)
- 1 Kronieken (32)
- 2 Kronieken (49)
- Ezra (16)
- Nehemia (5)
- Esther (12)
- Job (83)
- Psalmen (189)
- Spreuken (34)
- Prediker (33)
- Hooglied (9)
- Jesaja (168)
- Jeremia (154)
- Klaagliederen (43)
- Ezechiël (49)
- Daniël (29)
- Hosea (25)
- Joël (11)
- Amos (11)
- Obadja (2)
- Jona (2)
- Micha (9)
- Nahum (4)
- Habakuk (3)
- Zefanja (2)
- Zacharia (13)
- Maleachi (5)
- Mattheüs (83)
- Markus (51)
- Lukas (99)
- Johannes (142)
- Handelingen (100)
- Romeinen (56)
- 1 Corinthiërs (40)
- 2 Corinthiër (35)
- Galaten (18)
- Efeziërs (27)
- Filippenzen (8)
- Colossenzen (14)
- 1 Thessalonicenzen (5)
- 2 Thessalonicenzen (4)
- 1 Timotheüs (10)
- 2 Timotheüs (14)
- Titus (5)
- Filémon (1)
- Hebreeën (69)
- Jakobus (13)
- 1 Petrus (12)
- 2 Petrus (12)
- 1 Johannes (31)
- 2 Johannes (2)
- 3 Johannes (1)
- Judas (3)
- Openbaring (53)
Verwante onderwerpen
- De Aard Van Liefde
- De Namen Voor Christus
- De Rechterhand Van God
- De Vader
- Degene Die Christus Gestuurd Heeft
- Eeuwig Leven
- God Die De Macht Heeft
- God Haalt Israël Uit Egypte