'Hen' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:28-Exodus 5:14
- 2.Exodus 5:19-Leviticus 1:2
- 3.Leviticus 4:20-Numberi 15:2
- 4.Numberi 15:18-Deuteronomium 17:5
- 5.Deuteronomium 18:3-Jozua 11:20
- 6.Jozua 11:21-Richteren 18:8
- 7.Richteren 18:9-2 Samuël 21:6
- 8.2 Samuël 21:7-2 Koningen 17:35
- 9.2 Koningen 18:11-2 Kronieken 15:9
- 10.2 Kronieken 15:15-Nehemia 7:3
- 11.Nehemia 7:65-Psalmen 34:7
- 12.Psalmen 34:17-Psalmen 106:26
- 13.Psalmen 106:27-Jesaja 26:16
- 14.Jesaja 26:21-Jeremia 12:15
- 15.Jeremia 13:12-Jeremia 36:31
- 16.Jeremia 37:5-Ezechiël 16:21
- 17.Ezechiël 16:28-Ezechiël 44:24
- 18.Ezechiël 44:25-Mattheüs 4:21
- 19.Mattheüs 5:2-Mattheüs 24:39
- 20.Mattheüs 25:19-Markus 11:2
- 21.Markus 11:5-Lukas 10:23
- 22.Lukas 11:2-Johannes 6:17
- 23.Johannes 6:20-Handelingen 4:3
- 24.Handelingen 4:7-Handelingen 18:6
- 25.Handelingen 18:11-Hebreeën 8:8
- 26.Hebreeën 8:9-Openbaring 22:5
Tsade. Zij roepen, en de HEERE hoort, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden.
Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken.
Laat hen worden als kaf voor den wind, en de Engel des HEEREN drijve hen weg.
Hun weg zij duister en gans slibberig; en de Engel des HEEREN vervolge hen.
Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijanden zijn; noch wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten.
Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden.
Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!
Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.
Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij de HEERE, Die lust heeft tot den vrede Zijns knechts!
Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten.
Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.
En de HEERE zal hen helpen, en zal hen bevrijden; Hij zal ze bevrijden van de goddelozen, en zal ze behouden; want zij betrouwen op Hem.
Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.
Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha!
En zo iemand van hen komt, om mij te zien, hij spreekt valsheid; zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van.
Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.
Want zij hebben het land niet geerfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat Gij een welbehagen in hen hadt.
In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn; Gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde.
Beving greep hen aldaar aan, smart als van een barende vrouw.
Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven;
Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela.
Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in dien morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning.
Een ieder van hen is teruggekeerd, te zamen zijn zij stinkende geworden, er is niemand, die goed doet, ook niet een.
Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard geworden, waar geen vervaardheid was; want God heeft de beenderen desgenen, die u belegerde, verstrooid; gij hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen.
Hij zal dit kwaad mijn verspieders vergelden; roei hen uit door Uw waarheid.
Verslind hen, HEERE! deel hun tong; want ik zie wrevel en twist in de stad.
Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.
God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds zit, Sela; dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen.
Laat hen smelten als water, laat hen daarhenen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren.
Laat hem henengaan, als een smeltende slak; laat hen, als ener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen.
Ja, Gij HEERE, God der heirscharen, God Israels! ontwaak, om al deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouwelooslijk ongerechtigheid bedrijven. Sela.
Maar Gij, HEERE! zult hen belachen; Gij zult alle heidenen bespotten.
Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heere, ons Schild!
Om de zonde huns monds, om het woord hunner lippen; en laat hen gevangen worden in hun hoogmoed; en om den vloek, en om de leugen, die zij vertellen.
Verteer hen in grimmigheid; verteer hen, dat zij er niet zijn, en laat hen weten, dat God heerser is in Jakob, ja, tot aan de einden der aarde. Sela.
Laat hen dan tegen de avond wederkeren, laat hen tieren als een hond, en rondom de stad gaan;
Laat hen zelfs omzwerven om spijs; en laat hen vernachten, al zijn zij niet verzadigd.
Men zal hen storten door het geweld des zwaards; zij zullen de vossen ten deel worden.
Maar God zal hen haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er.
En hun tong zal hen doen aanstoten tegen zichzelven; een ieder, die hen ziet, zal zich wegpakken.
Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.
Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinai in heiligheid!
Opdat gij uw voet, ja, de tong uwer honden, moogt steken in het bloed van de vijanden, van een iegelijk van hen.
Daar is Benjamin de kleine, die over hen heerste, de vorsten van Juda, met hun vergadering, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Nafthali.
Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!
Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.
Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.
Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.
Laat hen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.
Laat hen terugkeren tot loon hunner beschaming, die daar zeggen: Ha, ha!
Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken.
Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.
Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.
Doet geloften en betaalt ze den HEERE, uw God, gij allen, die rondom Hem zijt! Laat hen Dien, Die te vrezen is, geschenken brengen;
Hij kliefde de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als een hoop.
En Hij leidde hen des daags met een wolk, en den gansen nacht met een licht des vuurs.
Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden.
En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren.
En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeen;
Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde.
Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg;
Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn ganse grimmigheid niet op.
Zij dachten niet aan Zijn hand, aan den dag, toen Hij hen van den wederpartijder verloste;
Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en vorsen, die hen verdierven.
Hij zond onder hen de hittigheid Zijns toorns, verbolgenheid, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending der boden van veel kwaads.
En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn.
Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt.
En Hij bracht hen tot de landpale Zijner heiligheid, tot dezen berg, dien Zijn rechterhand verkregen heeft.
En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer hunner erfenis, en deed de stammen Israels in hun tenten wonen.
Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen.
Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten; en er was niemand, die hen begroef.
Gij spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling.
Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn; dat aan den naam Israels niet meer gedacht worde.
Ook heeft zich Assur bij hen gevoegd; zij zijn den kinderen van Lot tot een arm geweest. Sela.
Maak hen en hun prinsen als Oreb en als Zeeb, en al hun vorsten als Zebah en als Zalmuna;
Mijn God! maak hen als een wervel, als stoppelen voor den wind.
Vervolg hen alzo met Uw onweder, en verschrik hen met Uw draaiwind.
Laat hen beschaamd en verschrikt wezen tot in eeuwigheid, en laat hen schaamrood worden, en omkomen;
Als zij door het dal der moerbezienbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken.
Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.
En van Sion zal gezegd worden: Die en die is daarin geboren; en de Allerhoogste Zelf zal hen bevestigen.
De HEERE zal hen rekenen in het opschrijven der volken, zeggende: Deze is aldaar geboren. Sela.
Gij overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert;
En Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen wederkeren, en Hij zal hen in hun boosheid verdelgen; de HEERE, onze God, zal hen verdelgen.
Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade; Hij bewaart de zielen Zijner gunstgenoten; Hij redt hen uit der goddelozen hand.
Mozes en Aaron waren onder Zijn priesters, en Samuel onder de aanroepers Zijns Naams; zij riepen tot den HEERE, en Hij verhoorde hen.
Hij sprak tot hen in een wolkkolom; zij hebben Zijn getuigenissen onderhouden, en de inzettingen, die Hij hun gegeven had.
O HEERE, onze God! Gij hebt hen verhoord, Gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hun daden.
De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.
Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:
Zij deden onder hen de bevelen Zijner tekenen, en de wonderwerken in het land van Cham.
En Hij voerde hen uit met zilver en goud; en onder hun stammen was niemand, die struikelde.
Egypte was blijde, als zij uittrokken, want hun verschrikking was op hen gevallen.
Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood.
Doch Hij verloste hen om Zijns Naams wil, opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte.
En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn.
En Hij verloste hen uit de hand des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands.
En de wateren overdekten hun wederpartijders; niet een van hen bleef over.
Dies Hij zeide, dat Hij hen verdelgen zou, ten ware Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf.
Dies hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende dat Hij hen nedervellen zou in de woestijn;
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:28-Exodus 5:14
- 2.Exodus 5:19-Leviticus 1:2
- 3.Leviticus 4:20-Numberi 15:2
- 4.Numberi 15:18-Deuteronomium 17:5
- 5.Deuteronomium 18:3-Jozua 11:20
- 6.Jozua 11:21-Richteren 18:8
- 7.Richteren 18:9-2 Samuël 21:6
- 8.2 Samuël 21:7-2 Koningen 17:35
- 9.2 Koningen 18:11-2 Kronieken 15:9
- 10.2 Kronieken 15:15-Nehemia 7:3
- 11.Nehemia 7:65-Psalmen 34:7
- 12.Psalmen 34:17-Psalmen 106:26
- 13.Psalmen 106:27-Jesaja 26:16
- 14.Jesaja 26:21-Jeremia 12:15
- 15.Jeremia 13:12-Jeremia 36:31
- 16.Jeremia 37:5-Ezechiël 16:21
- 17.Ezechiël 16:28-Ezechiël 44:24
- 18.Ezechiël 44:25-Mattheüs 4:21
- 19.Mattheüs 5:2-Mattheüs 24:39
- 20.Mattheüs 25:19-Markus 11:2
- 21.Markus 11:5-Lukas 10:23
- 22.Lukas 11:2-Johannes 6:17
- 23.Johannes 6:20-Handelingen 4:3
- 24.Handelingen 4:7-Handelingen 18:6
- 25.Handelingen 18:11-Hebreeën 8:8
- 26.Hebreeën 8:9-Openbaring 22:5
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (89)
- Exodus (110)
- Leviticus (49)
- Numberi (108)
- Deuteronomium (82)
- Jozua (91)
- Richteren (89)
- 1 Samuël (57)
- 2 Samuël (33)
- 1 Koningen (38)
- 2 Koningen (69)
- 1 Kronieken (54)
- 2 Kronieken (83)
- Ezra (29)
- Nehemia (58)
- Esther (15)
- Job (25)
- Psalmen (162)
- Spreuken (16)
- Prediker (5)
- Hooglied (2)
- Jesaja (92)
- Jeremia (188)
- Klaagliederen (4)
- Ezechiël (156)
- Daniël (18)
- Hosea (26)
- Joël (3)
- Amos (3)
- Obadja (3)
- Jona (3)
- Micha (6)
- Nahum (2)
- Zefanja (5)
- Zacharia (18)
- Maleachi (3)
- Mattheüs (124)
- Markus (114)
- Lukas (153)
- Johannes (98)
- Handelingen (166)
- Romeinen (15)
- 1 Corinthiërs (6)
- 2 Corinthiër (10)
- Galaten (1)
- Efeziërs (4)
- Colossenzen (1)
- 1 Thessalonicenzen (3)
- 1 Timotheüs (1)
- Titus (4)
- Hebreeën (13)
- Jakobus (2)
- 1 Petrus (3)
- 2 Petrus (3)
- 1 Johannes (2)
- 3 Johannes (1)
- Judas (1)
- Openbaring (23)