'Het' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:4-Genesis 11:2
- 2.Genesis 11:3-Genesis 21:34
- 3.Genesis 22:1-Genesis 31:14
- 4.Genesis 31:18-Genesis 40:20
- 5.Genesis 41:1-Genesis 47:14
- 6.Genesis 47:15-Exodus 6:7
- 7.Exodus 6:26-Exodus 13:9
- 8.Exodus 13:11-Exodus 20:20
- 9.Exodus 20:21-Exodus 28:42
- 10.Exodus 28:43-Exodus 34:18
- 11.Exodus 34:19-Exodus 40:38
- 12.Leviticus 1:2-Leviticus 6:22
- 13.Leviticus 6:23-Leviticus 11:32
- 14.Leviticus 11:34-Leviticus 16:9
- 15.Leviticus 16:10-Leviticus 23:31
- 16.Leviticus 23:32-Numberi 1:24
- 17.Numberi 1:26-Numberi 7:10
- 18.Numberi 7:85-Numberi 14:5
- 19.Numberi 14:7-Numberi 20:1
- 20.Numberi 20:3-Numberi 27:7
- 21.Numberi 27:11-Numberi 35:14
- 22.Numberi 35:15-Deuteronomium 5:29
- 23.Deuteronomium 5:31-Deuteronomium 15:11
- 24.Deuteronomium 15:12-Deuteronomium 23:22
- 25.Deuteronomium 24:1-Deuteronomium 31:6
- 26.Deuteronomium 31:7-Jozua 5:10
- 27.Jozua 5:11-Jozua 11:3
- 28.Jozua 11:4-Jozua 18:18
- 29.Jozua 18:19-Richteren 1:29
- 30.Richteren 1:30-Richteren 8:35
- 31.Richteren 9:1-Richteren 18:3
- 32.Richteren 18:7-1 Samuël 1:12
- 33.1 Samuël 1:15-1 Samuël 10:5
- 34.1 Samuël 10:7-1 Samuël 16:2
- 35.1 Samuël 16:6-1 Samuël 24:4
- 36.1 Samuël 24:5-2 Samuël 2:32
- 37.2 Samuël 3:1-2 Samuël 13:4
- 38.2 Samuël 13:5-2 Samuël 19:14
- 39.2 Samuël 19:18-1 Koningen 2:39
- 40.1 Koningen 2:41-1 Koningen 8:17
- 41.1 Koningen 8:18-1 Koningen 13:5
- 42.1 Koningen 13:6-1 Koningen 18:17
- 43.1 Koningen 18:19-2 Koningen 2:5
- 44.2 Koningen 2:8-2 Koningen 8:18
- 45.2 Koningen 8:20-2 Koningen 14:12
- 46.2 Koningen 14:14-2 Koningen 21:6
- 47.2 Koningen 21:7-1 Kronieken 6:63
- 48.1 Kronieken 6:65-1 Kronieken 18:11
- 49.1 Kronieken 18:12-1 Kronieken 26:6
- 50.1 Kronieken 26:10-2 Kronieken 6:11
- 51.2 Kronieken 6:12-2 Kronieken 15:9
- 52.2 Kronieken 15:10-2 Kronieken 24:5
- 53.2 Kronieken 24:6-2 Kronieken 31:13
- 54.2 Kronieken 31:14-Ezra 3:5
- 55.Ezra 3:8-Nehemia 2:20
- 56.Nehemia 3:12-Nehemia 11:17
- 57.Nehemia 11:20-Esther 8:5
- 58.Esther 8:6-Job 12:14
- 59.Job 12:22-Job 28:2
- 60.Job 28:3-Job 38:25
- 61.Job 38:26-Psalmen 22:29
- 62.Psalmen 22:30-Psalmen 50:21
- 63.Psalmen 51:6-Psalmen 78:64
- 64.Psalmen 78:66-Psalmen 105:16
- 65.Psalmen 105:23-Psalmen 136:11
- 66.Psalmen 136:14-Spreuken 12:20
- 67.Spreuken 12:23-Spreuken 21:8
- 68.Spreuken 21:9-Prediker 2:13
- 69.Prediker 2:15-Hooglied 8:4
- 70.Hooglied 8:6-Jesaja 10:22
- 71.Jesaja 10:23-Jesaja 24:5
- 72.Jesaja 24:6-Jesaja 34:16
- 73.Jesaja 34:17-Jesaja 45:23
- 74.Jesaja 45:25-Jesaja 63:4
- 75.Jesaja 63:7-Jeremia 7:23
- 76.Jeremia 7:24-Jeremia 17:12
- 77.Jeremia 17:15-Jeremia 26:23
- 78.Jeremia 27:1-Jeremia 34:20
- 79.Jeremia 34:21-Jeremia 44:1
- 80.Jeremia 44:2-Jeremia 51:27
- 81.Jeremia 51:28-Ezechiël 3:11
- 82.Ezechiël 3:13-Ezechiël 12:10
- 83.Ezechiël 12:12-Ezechiël 20:31
- 84.Ezechiël 20:38-Ezechiël 27:32
- 85.Ezechiël 27:34-Ezechiël 34:27
- 86.Ezechiël 34:28-Ezechiël 40:38
- 87.Ezechiël 40:39-Ezechiël 45:16
- 88.Ezechiël 45:17-Daniël 3:26
- 89.Daniël 3:27-Daniël 11:5
- 90.Daniël 11:6-Hosea 14:4
- 91.Joël 1:1-Obadja 1:10
- 92.Obadja 1:11-Habakuk 2:6
- 93.Habakuk 2:8-Zacharia 4:3
- 94.Zacharia 4:6-Zacharia 14:21
- 95.Maleachi 1:1-Mattheüs 9:24
- 96.Mattheüs 9:25-Mattheüs 15:3
- 97.Mattheüs 15:5-Mattheüs 25:1
- 98.Mattheüs 25:14-Markus 4:26
- 99.Markus 4:27-Markus 10:27
- 100.Markus 10:30-Lukas 1:21
- 101.Lukas 1:23-Lukas 8:8
- 102.Lukas 8:10-Lukas 13:20
- 103.Lukas 13:21-Lukas 22:2
- 104.Lukas 22:3-Johannes 3:5
- 105.Johannes 3:6-Johannes 10:25
- 106.Johannes 10:28-Johannes 19:19
- 107.Johannes 19:20-Handelingen 5:33
- 108.Handelingen 5:34-Handelingen 13:29
- 109.Handelingen 13:31-Handelingen 23:6
- 110.Handelingen 23:8-Romeinen 4:11
- 111.Romeinen 4:14-Romeinen 13:5
- 112.Romeinen 13:11-1 Corinthiërs 12:6
- 113.1 Corinthiërs 12:8-2 Corinthiër 8:11
- 114.2 Corinthiër 8:16-Efeziërs 3:12
- 115.Efeziërs 3:15-1 Thessalonicenzen 2:13
- 116.1 Thessalonicenzen 2:16-Hebreeën 6:4
- 117.Hebreeën 6:5-Hebreeën 13:7
- 118.Hebreeën 13:9-1 Johannes 2:8
- 119.1 Johannes 2:9-Openbaring 9:4
- 120.Openbaring 9:7-Openbaring 22:13
- 121.Openbaring 22:16-Openbaring 22:19
In het begin des koninkrijks van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, geschiedde dit woord tot Jeremia, van den HEERE, zeggende:
Ik heb gemaakt de aarde, den mens en het vee, die op den aardbodem zijn, door Mijn grote kracht, en door Mijn uitgestrekten arm, en Ik geef ze aan welken het recht is in Mijn ogen.
En nu, Ik heb al deze landen gegeven in de hand van Nebukadnezar, den koning van Babel, Mijn knecht; zelfs ook het gedierte des velds heb Ik hem gegeven, om hem te dienen.
En het zal geschieden, het volk en het koninkrijk, dat hem, Nebukadnezar, den koning van Babel, niet zal dienen, en dat zijn hals niet zal geven onder het juk des konings van Babel; over datzelve volk zal Ik, spreekt de HEERE, bezoeking doen door het zwaard, en door den honger, en door de pestilentie, totdat Ik ze zal verteerd hebben door zijn hand.
Maar het volk, dat zijn hals zal brengen onder het juk des konings van Babel, en hem dienen, datzelve zal Ik in zijn land laten, spreekt de HEERE, en het zal dat bouwen en daarin wonen.
Daarna sprak ik tot Zedekia, den koning van Juda, naar al deze woorden, zeggende: Brengt uw halzen onder het juk des konings van Babel, en dient hem en zijn volk, zo zult gij leven.
Waarom zoudt gij sterven, gij en uw volk door het zwaard, door den honger en door de pestilentie, gelijk als de HEERE gesproken heeft van het volk, dat den koning van Babel niet zal dienen.
Maar zo zij profeten zijn, en zo des HEEREN woord bij hen is, laat hen nu bij den HEERE der heirscharen voorbidden, opdat de vaten, die in het huis des HEEREN, en in het huis des konings van Juda, en te Jeruzalem zijn overgebleven, niet naar Babel komen.
Want zo zegt de HEERE der heirscharen, van de pilaren, en van de zee, en van de stellingen, en van het overige der vaten, die in deze stad zijn overgebleven,
Ja, zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, van de vaten, die in het huis des HEEREN, en in het huis des konings van Juda, en te Jeruzalem zijn overgebleven:
Voorts geschiedde het in hetzelfde jaar, in het begin des koninkrijks van Zedekia, koning van Juda, in het vierde jaar, in de vijfde maand, dat Hananja, zoon van Azur, de profeet, die van Gibeon was, tot mij sprak, in het huis des HEEREN, voor de ogen der priesteren en des gansen volks, zeggende:
Zo spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israels, zeggende: Ik heb het juk des konings van Babel verbroken.
In nog twee volle jaren zal Ik tot deze plaats wederbrengen al de vaten van het huis des HEEREN, die Nebukadnezar, de koning van Babel, uit deze plaats heeft weggenomen, en dezelve naar Babel gebracht.
Ook zal Ik Jechonia, den zoon van Jojakim, koning van Juda, en allen, die gevankelijk weggevoerd zijn van Juda, die te Babel gekomen zijn, tot deze plaats wederbrengen, spreekt de HEERE; want Ik zal het juk des konings van Babel verbreken.
Toen sprak de profeet Jeremia tot den profeet Hananja, voor de ogen der priesteren, en voor de ogen des gansen volks, die in het huis des HEEREN stonden;
De profeet, die geprofeteerd zal hebben van vrede, als het woord van dien profeet komt, dan zal die profeet bekend worden, dat hem de HEERE in der waarheid gezonden heeft.
Toen nam de profeet Hananja het juk van den hals van den profeet Jeremia, en verbrak het.
En Hananja sprak voor de ogen des gansen volks, zeggende: Zo zegt de HEERE: Alzo zal Ik verbreken het juk van Nebukadnezar, den koning van Babel, in nog twee volle jaren, van den hals al der volken. En de profeet Jeremia ging zijns weegs.
Doch des HEEREN woord geschiedde tot Jeremia (nadat de profeet Hananja het juk van den hals van den profeet Jeremia verbroken had), zeggende:
Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Ik heb een ijzeren juk gedaan aan den hals van al deze volken, om Nebukadnezar, den koning van Babel, te dienen, en zij zullen hem dienen; ja, Ik heb hem ook het gedierte des velds gegeven.
Voorts zijn dit de woorden des briefs, dien de profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd, mitsgaders tot de priesteren, en tot de profeten, en tot het ganse volk, dat Nebukadnezar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel.
Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die gij doet dromen.
Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de HEERE, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting.
Daarom zegt de HEERE alzo van den koning, die op Davids troon zit, en van al het volk, dat in deze stad woont, te weten, uw broederen, die met u niet zijn uitgegaan in de gevangenis;
Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, Ik zal het zwaard, den honger en de pestilentie onder hen zenden; en Ik zal ze maken als de afschuwelijke vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden.
En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met den honger en met de pestilentie; en Ik zal ze overgeven tot een beroering, allen koninkrijken der aarde, tot een vloek, en tot een schrik, en tot een aanfluiting, en tot een smaadheid, onder al de volken, waar Ik ze henengedreven zal hebben;
En van hen zal een vloek genomen worden bij al de gevankelijk weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegge: De HEERE stelle u als Zedekia, en als Achab, die de koning van Babel aan het vuur braadde;
Omdat zij een dwaasheid deden in Israel, en overspel bedreven met de vrouwen hunner naasten, en spraken het woord valselijk in Mijn Naam, dat Ik hun niet geboden had; en Ik ben Degene, Die het weet, en een getuige daarvan, spreekt de HEERE.
Zo spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israels, zeggende: Omdat gij brieven in uw naam gezonden hebt tot al het volk, dat te Jeruzalem is, en tot Zefanja, den zoon van Maaseja, den priester, en tot al de priesteren, zeggende:
Want daarom heeft hij tot ons naar Babel gezonden, zeggende: Het zal lang duren; bouwt huizen, en woont daarin en plant hoven, en eet de vrucht daarvan.
Daarom zegt de HEERE alzo: Ziet, Ik zal bezoeking doen over Semaja, den Nechelamiet, en over zijn zaad; hij zal niemand hebben, die in het midden dezes volks wone, en zal het goede niet zien, dat Ik Mijn volke doen zal, spreekt de HEERE; want hij heeft een afval gesproken tegen den HEERE.
Want zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik de gevangenis van Mijn volk, Israel en Juda, wenden zal, zegt de HEERE; en Ik zal hen wederbrengen in het land, dat Ik hun vaderen gegeven heb, en zij zullen het erfelijk bezitten.
O wee! want die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden.
Want het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE der heirscharen, dat Ik zijn juk van uw hals verbreken, en uw banden verscheuren zal; en vreemden zullen zich niet meer van hem doen dienen.
Gij dan, vrees niet, o Mijn knecht Jakob! spreekt de HEERE, ontzet u niet, Israel! want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land hunner gevangenis; en Jakob zal wederkomen, en stil en gerust zijn, en er zal niemand zijn, die hem verschrikke.
Er is niemand, die uw zaak oordeelt, aangaande het gezwel; gij hebt geen heelpleisters.
Want Ik zal u de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt de HEERE; omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is Sion, zeggen zij; niemand vraagt naar haar.
Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de gevangenis der tenten Jakobs wenden, en Mij over hun woningen ontfermen; en de stad zal herbouwd worden op haar hoop, en het paleis zal liggen naar zijn wijze.
En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal hem doen naderen, en hij zal tot Mij genaken; want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken? spreekt de HEERE.
Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, een aanhoudend onweder; het zal blijven op het hoofd der goddelozen.
De hittigheid van des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij gedaan, en totdat Hij daargesteld zal hebben de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij daarop letten.
Zo zegt de HEERE: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israel, als Ik henenging om hem tot rust te brengen.
Want zo zegt de HEERE: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O HEERE! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israel.
Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen.
Dies zullen zij komen, en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot des HEEREN goed, tot het koren, en tot den most, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn.
Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Dit woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda, en in zijn steden, als Ik hun gevangenis wenden zal: De HEERE zegene u, gij woning der gerechtigheid, gij berg der heiligheid!
Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik het huis van Israel en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten.
En het zal geschieden, gelijk als Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen; alzo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt de HEERE.
Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israel en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;
Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE;
Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israel maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de HEERE, zo zal ook het zaad Israels ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen.
Zo zegt de HEERE: Indien de hemelen daarboven gemeten, en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israels verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE.
En het meetsnoer zal wijders nevens dezelve uitgaan tot aan den heuvel Gareb, en zich naar Goath omwenden.
En het ganse dal der dode lichamen en der as, en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan den hoek van de Paardenpoort tegen het oosten, zal den HEERE een heiligheid zijn; er zal niets weder uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid.
Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, in het tiende jaar van Zedekia, koning van Juda; dit jaar was het achttiende jaar van Nebukadrezar.
(Het heir nu des konings van Babel belegerde toen Jeruzalem, en de profeet Jeremia was besloten in het voorhof der bewaring, dat in het huis des konings van Juda is.
Zie, Hanameel, de zoon van Sallum, uw oom, zal tot u komen, zeggende: Koop u mijn veld, dat bij Anathoth is, want gij hebt het recht van lossing, om te kopen.
Alzo kwam Hanameel, mijns ooms zoon, naar des HEEREN woord, tot mij, in het voorhof der bewaring, en zeide tot mij: Koop toch mijn veld, hetwelk is bij Anathoth, dat in het land van Benjamin is; want gij hebt het erfrecht, en gij hebt de lossing, koop het voor u. Toen merkte ik, dat het des HEEREN woord was.
Dies kocht ik van Hanameel, mijns ooms zoon, het veld, dat bij Anathoth is; en ik woog hem het geld toe, zeventien zilveren sikkelen.
En ik onderschreef den brief en verzegelde dien, en deed het getuigen betuigen, als ik het geld op de weegschaal gewogen had.
En ik nam den koopbrief, die verzegeld was naar het gebod en de inzettingen, en den open brief;
En ik gaf den koopbrief aan Baruch, den zoon van Nerija, den zoon van Machseja, voor de ogen van Hanameel, mijns ooms zoon, en voor de ogen der getuigen die den koopbrief hadden onderschreven; voor de ogen van al de Joden, die in het voorhof der bewaring zaten.
Zij zijn er ook ingekomen en hebben het erfelijk bezeten, maar hebben Uwer stem niet gehoorzaamd, en in Uw wet niet gewandeld; zij hebben niets gedaan van alles, wat Gij hun geboden hadt te doen; dies hebt Gij hun al dit kwaad doen bejegenen.
Zie, de wallen! zij zijn gekomen aan de stad, om die in te nemen, en de stad is gegeven in de hand der Chaldeen, die tegen haar strijden; vanwege het zwaard en den honger en de pestilentie; en wat Gij gesproken hebt, is geschied, en zie, Gij ziet het.
Evenwel hebt Gij tot mij gezegd, Heere HEERE! koop u dat veld voor geld, en doe het getuigen betuigen; daar de stad in der Chaldeen hand gegeven is.
Want de kinderen Israels en de kinderen van Juda hebben van hun jeugd aan alleenlijk gedaan, dat kwaad was in Mijn ogen; want de kinderen Israels hebben Mij door het werk hunner handen alleenlijk vertoornd, spreekt de HEERE.
Die Mij den nek hebben toegekeerd en niet het aangezicht; hoewel Ik hen leerde, vroeg op zijnde en lerende, evenwel hoorden zij niet, om tucht aan te nemen;
Maar zij hebben hun verfoeiselen gesteld in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, om dat te verontreinigen.
En zij hebben de hoogten van Baal gebouwd, die in het dal des zoons van Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochteren den Molech door het vuur te laten gaan; hetwelk Ik hun niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen, dat zij dezen gruwel zouden doen; opdat zij Juda mochten doen zondigen.
En nu, daarom zegt de HEERE, de God Israels, alzo van deze stad, waar gij van zegt: Zij is gegeven in de hand des konings van Babel, door het zwaard, en door den honger, en door de pestilentie;
Want zo zegt de HEERE: Gelijk als Ik over dit volk gebracht heb al dit grote kwaad, alzo zal Ik over hen brengen al het goede, dat Ik over hen spreke.
En er zullen velden gekocht worden in dit land, waarvan gij zegt: Het is woest, dat er geen mens noch beest in is; het is in der Chaldeen hand gegeven.
Velden zal men voor geld kopen, en de brieven onderschrijven, en verzegelen, en getuigen doen betuigen, in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, en in de steden van het gebergte, en in de steden der laagte, en in de steden van het zuiden; want Ik zal hun gevangenis wenden, spreekt de HEERE.
Voorts geschiedde des HEEREN woord ten tweeden male tot Jeremia, als hij nog in het voorhof der bewaring was opgesloten, zeggende:
Zo zegt de HEERE, Die het doet, de HEERE, Die dat formeert, opdat Hij het bevestige, HEERE is Zijn Naam;
Want zo zegt de HEERE, de God Israels, van de huizen dezer stad, en van de huizen der koningen van Juda, die door de wallen en door het zwaard zijn afgebroken:
Er zijn er wel ingekomen, om te strijden tegen de Chaldeen, maar het is om die te vullen met dode lichamen van mensen, die Ik verslagen heb in Mijn toorn en in Mijn grimmigheid; en omdat Ik Mijn aangezicht van deze stad verborgen heb, om al hunlieder boosheid.
En Ik zal de gevangenis van Juda en de gevangenis van Israel wenden, en zal ze bouwen als in het eerste.
En het zal Mij zijn tot een vrolijken naam, tot een roem, en tot een sieraad bij alle heidenen der aarde; die al het goede zullen horen, dat Ik hun doe; en zij zullen vrezen en beroerd zijn over al het goede, en over al den vrede, dien Ik hun beschikke.
De stem der vrolijkheid en de stem der blijdschap, de stem des bruidegoms en de stem der bruid, de stem dergenen, die zeggen: Looft den HEERE der heirscharen, want de HEERE is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid! de stem dergenen, die lof aanbrengen ten huize des HEEREN; want Ik zal de gevangenis des lands wenden, als in het eerste, zegt de HEERE.
Zo zegt de HEERE der heirscharen: In deze plaats, die zo woest is, dat er geen mens, zelfs tot het vee toe, in is, mitsgaders in al derzelver steden, zullen wederom woningen zijn van herderen, die de kudden doen legeren.
In de steden van het gebergte, in de steden der laagte, en in de steden van het zuiden, en in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, zullen de kudden wederom onder de handen des tellers doorgaan, zegt de HEERE.
Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik het goede woord verwekken zal, dat Ik tot het huis van Israel en over het huis van Juda gesproken heb.
Want zo zegt de HEERE: Aan David zal niet worden afgesneden een Man, Die op den troon van het huis Israels zitte.
Gelijk het heir des hemels niet geteld, en het zand der zee niet gemeten kan worden, alzo zal Ik vermenigvuldigen het zaad van Mijn knecht David, en de Levieten, die Mij dienen.
Hebt gij niet gezien, wat dit volk spreekt, zeggende: De twee geslachten, die de HEERE verkoren had, die heeft Hij nu verworpen? Ja, zij versmaden Mijn volk, zodat het geen volk meer is voor hun aangezicht.
Zo zal Ik ook het zaad van Jakob en van Mijn knecht David verwerpen, dat Ik van zijn zaad niet neme, die daar heerse over het zaad van Abraham, Izak en Jakob; want Ik zal hun gevangenis wenden en Mij hunner ontfermen.
Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE (als Nebukadrezar, koning van Babel, en zijn ganse heir, en alle koninkrijken der aarde, die onder de heerschappij zijner hand waren, en al de volken tegen Jeruzalem streden, en tegen al haar steden), zeggende:
Maar hoor des HEEREN woord, o Zedekia, koning van Juda! zo zegt de HEERE van u: Gij zult door het zwaard niet sterven.
Gij zult sterven in vrede, en naar de brandingen van uw vaderen, de vorige koningen, die voor u geweest zijn, alzo zullen zij over u branden, en u beklagen, zeggende: Och heer! want Ik heb het woord gesproken, spreekt de HEERE.
Als het heir des konings van Babel streed tegen Jeruzalem, en tegen al de overgeblevene steden van Juda, tegen Lachis en tegen Azeka; want deze, zijnde vaste steden, waren overgebleven onder de steden van Juda.
Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, nadat de koning Zedekia een verbond gemaakt had met het ganse volk, dat te Jeruzalem was, om vrijheid voor hen uit te roepen.
Nu hoorden al de vorsten en al het volk, die het verbond hadden ingegaan, dat zij, een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd zouden laten vrijgaan, zodat zij zich niet meer van hen zouden doen dienen; zij hoorden dan, en lieten hen gaan;
Zo zegt de HEERE, de God Israels: Ik heb een verbond gemaakt met uw vaderen, ten dage, als Ik hen uit Egypteland, uit het diensthuis uitvoerde, zeggende:
Gijlieden nu waart heden wedergekeerd, en hadt gedaan, dat recht is in Mijn ogen, vrijheid uitroepende, een iegelijk voor zijn naaste; en gij hadt een verbond gemaakt voor Mijn aangezicht, in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is.
En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden des verbonds, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, met het kalf, dat zij in tweeen hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan:
De vorsten van Juda, en de vorsten van Jeruzalem, de kamerlingen, en de priesteren, en al het volk des lands, die door de stukken des kalfs zijn doorgegaan.
Ja, Ik zal hen overgeven in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hun dode lichamen zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zijn.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:4-Genesis 11:2
- 2.Genesis 11:3-Genesis 21:34
- 3.Genesis 22:1-Genesis 31:14
- 4.Genesis 31:18-Genesis 40:20
- 5.Genesis 41:1-Genesis 47:14
- 6.Genesis 47:15-Exodus 6:7
- 7.Exodus 6:26-Exodus 13:9
- 8.Exodus 13:11-Exodus 20:20
- 9.Exodus 20:21-Exodus 28:42
- 10.Exodus 28:43-Exodus 34:18
- 11.Exodus 34:19-Exodus 40:38
- 12.Leviticus 1:2-Leviticus 6:22
- 13.Leviticus 6:23-Leviticus 11:32
- 14.Leviticus 11:34-Leviticus 16:9
- 15.Leviticus 16:10-Leviticus 23:31
- 16.Leviticus 23:32-Numberi 1:24
- 17.Numberi 1:26-Numberi 7:10
- 18.Numberi 7:85-Numberi 14:5
- 19.Numberi 14:7-Numberi 20:1
- 20.Numberi 20:3-Numberi 27:7
- 21.Numberi 27:11-Numberi 35:14
- 22.Numberi 35:15-Deuteronomium 5:29
- 23.Deuteronomium 5:31-Deuteronomium 15:11
- 24.Deuteronomium 15:12-Deuteronomium 23:22
- 25.Deuteronomium 24:1-Deuteronomium 31:6
- 26.Deuteronomium 31:7-Jozua 5:10
- 27.Jozua 5:11-Jozua 11:3
- 28.Jozua 11:4-Jozua 18:18
- 29.Jozua 18:19-Richteren 1:29
- 30.Richteren 1:30-Richteren 8:35
- 31.Richteren 9:1-Richteren 18:3
- 32.Richteren 18:7-1 Samuël 1:12
- 33.1 Samuël 1:15-1 Samuël 10:5
- 34.1 Samuël 10:7-1 Samuël 16:2
- 35.1 Samuël 16:6-1 Samuël 24:4
- 36.1 Samuël 24:5-2 Samuël 2:32
- 37.2 Samuël 3:1-2 Samuël 13:4
- 38.2 Samuël 13:5-2 Samuël 19:14
- 39.2 Samuël 19:18-1 Koningen 2:39
- 40.1 Koningen 2:41-1 Koningen 8:17
- 41.1 Koningen 8:18-1 Koningen 13:5
- 42.1 Koningen 13:6-1 Koningen 18:17
- 43.1 Koningen 18:19-2 Koningen 2:5
- 44.2 Koningen 2:8-2 Koningen 8:18
- 45.2 Koningen 8:20-2 Koningen 14:12
- 46.2 Koningen 14:14-2 Koningen 21:6
- 47.2 Koningen 21:7-1 Kronieken 6:63
- 48.1 Kronieken 6:65-1 Kronieken 18:11
- 49.1 Kronieken 18:12-1 Kronieken 26:6
- 50.1 Kronieken 26:10-2 Kronieken 6:11
- 51.2 Kronieken 6:12-2 Kronieken 15:9
- 52.2 Kronieken 15:10-2 Kronieken 24:5
- 53.2 Kronieken 24:6-2 Kronieken 31:13
- 54.2 Kronieken 31:14-Ezra 3:5
- 55.Ezra 3:8-Nehemia 2:20
- 56.Nehemia 3:12-Nehemia 11:17
- 57.Nehemia 11:20-Esther 8:5
- 58.Esther 8:6-Job 12:14
- 59.Job 12:22-Job 28:2
- 60.Job 28:3-Job 38:25
- 61.Job 38:26-Psalmen 22:29
- 62.Psalmen 22:30-Psalmen 50:21
- 63.Psalmen 51:6-Psalmen 78:64
- 64.Psalmen 78:66-Psalmen 105:16
- 65.Psalmen 105:23-Psalmen 136:11
- 66.Psalmen 136:14-Spreuken 12:20
- 67.Spreuken 12:23-Spreuken 21:8
- 68.Spreuken 21:9-Prediker 2:13
- 69.Prediker 2:15-Hooglied 8:4
- 70.Hooglied 8:6-Jesaja 10:22
- 71.Jesaja 10:23-Jesaja 24:5
- 72.Jesaja 24:6-Jesaja 34:16
- 73.Jesaja 34:17-Jesaja 45:23
- 74.Jesaja 45:25-Jesaja 63:4
- 75.Jesaja 63:7-Jeremia 7:23
- 76.Jeremia 7:24-Jeremia 17:12
- 77.Jeremia 17:15-Jeremia 26:23
- 78.Jeremia 27:1-Jeremia 34:20
- 79.Jeremia 34:21-Jeremia 44:1
- 80.Jeremia 44:2-Jeremia 51:27
- 81.Jeremia 51:28-Ezechiël 3:11
- 82.Ezechiël 3:13-Ezechiël 12:10
- 83.Ezechiël 12:12-Ezechiël 20:31
- 84.Ezechiël 20:38-Ezechiël 27:32
- 85.Ezechiël 27:34-Ezechiël 34:27
- 86.Ezechiël 34:28-Ezechiël 40:38
- 87.Ezechiël 40:39-Ezechiël 45:16
- 88.Ezechiël 45:17-Daniël 3:26
- 89.Daniël 3:27-Daniël 11:5
- 90.Daniël 11:6-Hosea 14:4
- 91.Joël 1:1-Obadja 1:10
- 92.Obadja 1:11-Habakuk 2:6
- 93.Habakuk 2:8-Zacharia 4:3
- 94.Zacharia 4:6-Zacharia 14:21
- 95.Maleachi 1:1-Mattheüs 9:24
- 96.Mattheüs 9:25-Mattheüs 15:3
- 97.Mattheüs 15:5-Mattheüs 25:1
- 98.Mattheüs 25:14-Markus 4:26
- 99.Markus 4:27-Markus 10:27
- 100.Markus 10:30-Lukas 1:21
- 101.Lukas 1:23-Lukas 8:8
- 102.Lukas 8:10-Lukas 13:20
- 103.Lukas 13:21-Lukas 22:2
- 104.Lukas 22:3-Johannes 3:5
- 105.Johannes 3:6-Johannes 10:25
- 106.Johannes 10:28-Johannes 19:19
- 107.Johannes 19:20-Handelingen 5:33
- 108.Handelingen 5:34-Handelingen 13:29
- 109.Handelingen 13:31-Handelingen 23:6
- 110.Handelingen 23:8-Romeinen 4:11
- 111.Romeinen 4:14-Romeinen 13:5
- 112.Romeinen 13:11-1 Corinthiërs 12:6
- 113.1 Corinthiërs 12:8-2 Corinthiër 8:11
- 114.2 Corinthiër 8:16-Efeziërs 3:12
- 115.Efeziërs 3:15-1 Thessalonicenzen 2:13
- 116.1 Thessalonicenzen 2:16-Hebreeën 6:4
- 117.Hebreeën 6:5-Hebreeën 13:7
- 118.Hebreeën 13:9-1 Johannes 2:8
- 119.1 Johannes 2:9-Openbaring 9:4
- 120.Openbaring 9:7-Openbaring 22:13
- 121.Openbaring 22:16-Openbaring 22:19
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (546)
- Exodus (554)
- Leviticus (493)
- Numberi (519)
- Deuteronomium (434)
- Jozua (343)
- Richteren (274)
- Ruth (33)
- 1 Samuël (376)
- 2 Samuël (294)
- 1 Koningen (424)
- 2 Koningen (381)
- 1 Kronieken (279)
- 2 Kronieken (436)
- Ezra (96)
- Nehemia (149)
- Esther (89)
- Job (319)
- Psalmen (494)
- Spreuken (254)
- Prediker (91)
- Hooglied (24)
- Jesaja (522)
- Jeremia (614)
- Klaagliederen (41)
- Ezechiël (677)
- Daniël (180)
- Hosea (64)
- Joël (28)
- Amos (69)
- Obadja (9)
- Jona (25)
- Micha (42)
- Nahum (18)
- Habakuk (25)
- Zefanja (27)
- Haggaï (38)
- Zacharia (119)
- Maleachi (25)
- Mattheüs (333)
- Markus (238)
- Lukas (377)
- Johannes (264)
- Handelingen (322)
- Romeinen (162)
- 1 Corinthiërs (131)
- 2 Corinthiër (78)
- Galaten (53)
- Efeziërs (41)
- Filippenzen (32)
- Colossenzen (35)
- 1 Thessalonicenzen (19)
- 2 Thessalonicenzen (8)
- 1 Timotheüs (27)
- 2 Timotheüs (18)
- Titus (11)
- Filémon (2)
- Hebreeën (129)
- Jakobus (32)
- 1 Petrus (36)
- 2 Petrus (22)
- 1 Johannes (28)
- 2 Johannes (2)
- 3 Johannes (3)
- Judas (9)
- Openbaring (166)
Verwante onderwerpen
- 40 Tot 50 jaar
- Aanbieden Van Granen En Plengoffers
- Aanvaarden Van Christus
- Aard Van Evangelisatie
- Abraham
- Afkeer
- Afleiding
- Afwerpen
- Alcohol
- Alles Gebeurt Voor Een Reden
- Altaar Van De Heer
- Altaren Bouwen
- Alwetende God
- Amen
- Andere Goden
- Angst Voor Andere Mensen
- Antwoord
- Babylon
- Beantwoorde Beloften
- Bedden
- Beeld
- Begin
- Begrip
- Belang
- Beleden Zonde
- Bergen
- Beroepen
- Beslissingen Nemen
- Beslissingen Nemen
- Besprenkelen
- Bestraffing Door God
- Bewaarders
- Beweringen
- Bezittingen
- Beëindiging
- Bijzondere Dingen
- Blij Zijn En Van Het Leven Genieten
- Blijven Geloven
- Bloed
- Bloed Sprenkelen
- Bossen
- Boten
- Bouw
- Bovenop Het Dak
- Brandhout
- Brood
- Buigen
- Buiging
- Buitenaardse Wezens
- Buitengaan
- Cederhout
- Christus
- Conflict Oplossen
- Dag Van De HEER
- Dageraad
- De Aanwezigheid Van God
- De Aard Van Discipelschap
- De Aard Van Eeuwig Leven
- De Aard Van Geloof
- De Aard Van God Kennen
- De Aard Van Menselijke Wijsheid
- De Aard Van Onderdrukking
- De Aard Van Zonde
- De Aarde Verzorgen
- De Betekenis Van Mozes
- De Bijbel Lezen
- De Bron Van Menselijke Wijsheid
- De Daad Van Openen
- De Doden
- De Dood Van Christus
- De Eerste Tempel
- De Functie Van Priesters In De Tijd Van OT
- De Gerechtigheid Van God
- De Komst Van Het Koninkrijk Van God
- De Kracht Van God
- De Kracht Van Woorden
- De Legale Aspecten Van Bestraffing
- De Maan
- De Menselijke Beschrijvingen Van God
- De Namen Voor Christus
- De Oorsprong Van Het Kwaad
- De Openbaring Van God
- De Reachtie Van Gelovigen Tegen Het Kwaad
- De Rol Van Vrouwen
- De Soevereiniteit Van God
- De Toekomst
- De Wereld
- De Zee
- De Zon
- Deelname In Christus
- Delen
- Delen In Christus
- Dertig
- Dienaren Van De Heer
- Doden Zal Gebeuren
- Doelen
- Dood
- Dood Van Een Kind
- Dood Van Geliefde
- Doodstraf
- Door De Mens In Leven Gehouden Worden
- Duisternis
- Een Goede Dag Hebben
- Een Nieuwe Dag
- Een Nieuwe Start
- Eenzaamheid
- Eeuwig Leven
- Eeuwigheid
- Eigendom, Huizen
- Einde Van Dagen
- Eindigen
- Eindtijd
- Engelen Die Gods Werk Doen
- Ethiek En Gratie
- Evangelisatie
- Evangeliseren
- Evangeliseren
- Feesten
- Focus
- Funderingen
- Gasten
- Gebaren
- Geboden in OT
- Gedood Worden Door Het Zwaard
- Geesten
- Geheimhouding
- Gehoorzaamheid
- Geld Aan De Kerk Geven
- Geld Sparen
- Geld Zegeningen
- Geldmiddelen
- Geloof Als De Basis Van Redding
- Geloof Hebben
- Geloof In God
- Geloof kjv
- Geluid
- Generaties
- Genieten Van Het Leven
- Genoemde Profeten Van De Heer
- Gered Worden
- Gereedschap
- Geruchten
- Geschiedenis
- Geurtjes
- Gevallen En Verlost Hart
- Gevangenen
- Gevolgen
- Gevolgen Van Twijfel
- Gezicht Van God
- Gezondheid En Genezen
- Gideon
- God Als Rechter
- God Behagen
- God Dodend
- God Gaf Het Land
- God Haalt Israël Uit Egypte
- God Tegen
- God Verandert Slechte Dingen In Goed
- God Verheft De Mens
- God Verschijnt In Vuur
- God, De Eeuwige
- God, De Heer
- God, Levend En Zelfvoorzienend
- Goddelijk Hart
- Gods Hand
- Gods Onthulde Dingen
- Gods Plan
- Gods Plan
- Gods Plan Voor Ons
- Gods Redding Bekend Gemaakt
- Gods Schepping
- Gods Stem
- Gods Verborgen Dingen
- Gods Werk Verhinderen
- Gods Woord Is Rechtvaardig
- Gods Zwaard
- Goud
- Gouden Voorwerpen Voor Het Tabernakel
- Graan
- Gras
- Grenzen
- Gretigheid
- Gunst
- Haar
- Hand Van God
- Handicaps
- Hardheid Van Hart
- Haren
- Harpen
- Hart En De Heilige Geest
- Hebzucht
- Hebzucht
- Heersers
- Heiligdom
- Heiligdommen
- Heiligheid, Afzonderlijk Voor God
- Herfst
- Herstel
- Het Bloed Van Jezus
- Het Brein
- Het Bronzen Altaar Opzetten
- Het Doel Van God
- Het Einde Van De Wereld
- Het Evangelie Verspreiden
- Het Graf
- Het Instituut Priesters In De Tijd Van OT
- Het Juiste Doen
- Het Koninkrijk Binnengaan
- Het Kruis
- Het Lichaam
- Het Nieuw Verbond
- Het Schrift Lezen
- Het Verbond Breken
- Het Woord Van God
- Historische Boeken
- Homohuwelijk
- Honderd
- Hoofden
- Hoop En Geloof
- Horen
- Huilen
- Huisdieren
- Huizen
- Identiteit Van Evangelisatie
- Ijver
- Ijzer
- Immigranten
- In De Tegenwoordigheid Van De Mens
- Ingang Tot Het Koninkrijk Van God
- Israël Op De Vlucht
- Jacob De Patriarch
- Jaren
- Je Lichaam Verzorgen
- Jona
- Juk
- Kanker Genezen
- Karakter Van Het Kwaad
- Kleur
- Koken
- Koningen Van Juda
- Kookpot
- Korte Tijd Voor Actie
- Kwellingen
- Laatste Dagen
- Laatste Dingen
- Laatste Oordeel
- Lammeren
- Land
- Leven Voor Het Materiële
- Leven Zoeken
- Levensdoel
- Lichaam
- Lichamelijke Zwakte
- Liefde En De Wereld
- Lijst van koningen van Israël
- Linnen
- Lippen
- Lof
- Maand
- Menselijk Belang Van Wijsheid
- Menselijk Hart
- Menselijke En Goddelijke Heerschappij
- Menselijke Macht
- Mensen Uit Je Leven Verwijderen
- Mensen Verbranden
- Mensenetende Dieren
- Meren
- Messiaanse Profetieën
- Ministerie
- Missie Van Israël
- Monden
- Morgen
- Motieven
- Munstelsel
- Muren
- Naar De Hemel Gaan
- Naar De Kerk Gaan
- Naar Een Nieuwe Plek Gaan
- Nacht
- Namen En Titels Voor Christus
- Namen En Titels Voor De Christenen
- Namen En Titels Voor De Kerk
- Natuurlijk Leven
- Natuurlijke Rampen
- Nederigheid
- Nederlaag
- Neuzen
- Niet Sterven
- Ochtend
- Offer Op Het Bronzen Altaar
- Offeringen Doden
- Offers Verbranden
- Olie
- Onbepaalde Sommen Geld
- Ondersteuning
- Ongelovigen Beschreven Als
- Ontmoediging
- Ontrouw Aan God
- Ontrouw Tegenover God
- Oordeel
- Oorzaken Van Lijden
- Oost
- Opgefriste God
- Opslaan
- Ovens
- Overwinnen
- Paaslam
- Perfecte Offers
- Pijn En Verraad
- Plechtigheden
- Poorten
- Positief Blijven
- Praktische Zaken Omtrent Het Gebed
- Prediking
- Priesters Die Verzoenen
- Proces
- Rechtbanken Van De Tempel
- Rechtvaardig Door Geloof
- Redding
- Regen
- Reine Kledij
- Relatie Tussen Vader En Zoon
- Relaties Opbouwen
- Rest
- Richting
- Rivieren
- Rivieren En Stromen
- Roken
- Ruimte
- Saul
- Schaamte Over Slecht Gedrag
- Schapen
- Schat
- Schilden
- School
- Schreeuwen
- Schrijven
- Sex
- Sexuele Immoraliteit
- Sociale Ethiek
- Soorten Muziekinstrumenten
- Spiritueel Licht
- Spirituele Armoede
- Staan
- Stad
- Stemmen
- Sterk Blijven En Niet Opgeven
- Sterk Eindigen
- Stilte
- Stof
- Straf
- Strijdwagens
- Succes En Hard Werk
- Symbolen
- Taal
- Tafels
- Tekenen En Wonderen Van Het Evangelie
- Tekenen Van De Tijd
- Tekenen Van Het Einde Der Tijden
- Tekort Aan Andere Dingen Dan Voedsel
- Tenten
- Testen
- Theofanie
- Tien Dingen
- Tien Mensen
- Tienden En Offers
- Tijd Van Vrede
- Toekomst
- Trompet
- Troon
- Trouw Tot God
- Types
- Types Van Christus
- Types Van Heilige Geest
- Uitpikken
- Vals Vertrouwen
- Valse Goden
- Vanuit Het Noorden
- Vennootschap
- Verandering En Groei
- Verbintenis Tot God
- Verboden Voedsel
- Verbond
- Verdergaan
- Verdriet
- Verjonging
- Verkennen
- Verlies
- Verlies Van Een Geliefde
- Verloren Zijn
- Verspreiden
- Versterkingen
- Vertrouw In Relaties
- Vervulling
- Verwezenlijkingen
- Verzoening
- Verzoening
- Verzoening
- Vet Van Offers
- Viering
- Vijanden Van Israël En Juda
- Vis
- Visie
- Vlees Eten
- Vleesoffers
- Vleugels
- Voedsel
- Voedsel Voor Priesters Beschreven
- Voeten
- Vogels
- Volg De Geboden
- Voorbeelden Van Aanmoediging
- Voorbeelden Van Geloof
- Voorbij Jordanië
- Voorbode
- Voorspelling Eindtijd
- Voorspellingen Over Christus
- Voortdurend
- Vreemdelingen
- Vrije Wil
- Vroeg Opstaan
- Vruchtbaar Zijn
- Vuur
- Waarde
- Waardigheid
- Wedstrijd
- Weed
- Wegen
- Weken
- Werken Voor De Heer
- Weten Over Gods Koninkrijk
- Winst
- Woord Van God
- Wormen
- Zaad Zaaien
- Zaaien
- Zaden
- Zaden Planten
- Zand En Grind
- Zee
- Zegeningen En Voorspoed
- Zeilen
- Zelfbeeld
- Zeuren
- Zeven Dagen
- Zeven Dagen Voor Juridische Zaken
- Zich Verloren Voelen
- Ziektes
- Zij Die Van Israël Moeten Worden Afgesneden
- Zij Die Vroeg Opstonden
- Zilver
- Zitten
- Zon
- Zonde Veroorzaakt Dood
- Zorgen
- Zwaarden