'Hoereerders' in de Bijbel
Ik heb u geschreven in den brief, dat gij u niet zoudt vermengen met de hoereerders;
Doch niet geheellijk met de hoereerders dezer wereld, of met de gierigaards, of met de rovers, of met de afgodendienaars; want anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan.
Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beerven.
Den hoereerders, dien, die bij mannen liggen, den mensendieven, den leugenaars, den meinedigen, en zo er iets anders tegen de gezonde leer is;
Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordelen.
Maar den vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood.
Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de doodslagers, en de afgodendienaars, en een iegelijk, die de leugen liefheeft, en doet.
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
Verwante onderwerpen
- Bezoedeling
- De Aard Van Sexuele Zonde
- Dronkaards
- Ethiek En Gratie
- Gevolgen Van Overspel
- Gods Oordeel Over Zonde
- Hebzucht
- Hebzucht
- Heksen
- Het Einde Van Leugenaars
- Homohuwelijk