'Huis' in de Bijbel
- 1.Genesis 7:1-Leviticus 14:42
- 2.Leviticus 14:43-Deuteronomium 24:10
- 3.Deuteronomium 25:9-1 Samuël 3:15
- 4.1 Samuël 5:2-2 Samuël 13:8
- 5.2 Samuël 13:20-1 Koningen 8:64
- 6.1 Koningen 9:1-2 Koningen 11:7
- 7.2 Koningen 11:10-1 Kronieken 17:23
- 8.1 Kronieken 17:24-2 Kronieken 9:16
- 9.2 Kronieken 9:20-2 Kronieken 36:23
- 10.Ezra 1:2-Esther 5:10
- 11.Esther 6:4-Prediker 7:2
- 12.Prediker 7:4-Jeremia 27:16
- 13.Jeremia 27:18-Ezechiël 18:30
- 14.Ezechiël 18:31-Amos 5:3
- 15.Amos 5:4-Markus 6:4
- 16.Markus 6:10-Handelingen 17:5
- 17.Handelingen 17:7-2 Johannes 1:10
Toen zeide de koning: Wie is in het voorhof? (Haman nu was gekomen in het buitenvoorhof van het huis des konings, om den koning te zeggen, dat men Mordechai zou hangen aan de galg, die hij hem had doen bereiden.)
Daarna keerde Mordechai wederom tot de poort des konings; maar Haman werd voortgedreven naar zijn huis, treurig en met bedekten hoofde.
Toen de koning wederkwam uit den hof van het paleis in het huis van den maaltijd des wijns, zo was Haman gevallen op het bed, waarop Esther was. Toen zeide de koning: Zou hij ook wel de koningin verkrachten bij mij in het huis? Het woord ging uit des konings mond, en zij bedekten Hamans aangezicht.
En Charbona, een van de kamerlingen, voor het aanschijn des konings staande, zeide: Ook zie, de galg, welke Haman gemaakt heeft voor Mordechai, die goed voor den koning gesproken heeft, staat bij Hamans huis, vijftig ellen hoog. Toen zeide de koning: Hang hem daaraan.
Te dienzelfden dage gaf de koning Ahasveros aan de koningin Esther het huis van Haman, den vijand der Joden; en Mordechai kwam voor het aangezicht des konings, want Esther had te kennen gegeven, wat hij voor haar was.
En de koning toog zijn ring af, dien hij van Haman genomen had, en gaf hem aan Mordechai; en Esther stelde Mordechai over het huis van Haman.
Toen zeide de koning Ahasveros tot de koningin Esther en tot Mordechai, den Jood: Ziet, het huis van Haman heb ik Esther gegeven, en hem heeft men aan de galg gehangen, omdat hij zijn hand aan de Joden geslagen had.
Want Mordechai was groot in het huis des konings, en zijn gerucht ging uit door alle landschappen; want die man, Morde chai, werd doorgaans groter.
En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden henen, en nodigden hun drie zusteren, om met hen te eten en te drinken.
Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande.
Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene.
Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene;
En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.
Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis der spinnekop.
Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan; hij zal zich daaraan vasthouden, maar het zal niet staande blijven.
Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden.
Omdat hij onderdrukt heeft, de armen verlaten heeft, een huis geroofd heeft, dat hij niet opgebouwd had;
De inkomste van zijn huis zal weggevoerd worden; het zal al henenvloeien in den dag Zijns toorns.
Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?
Want gij zult zeggen: Waar is het huis van den prins, en waar is de tent van de woningen der goddelozen?
Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt.
Want ik weet, dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden.
Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.
Ook kwamen tot hem al zijn broeders, en al zijn zusters, en allen, die hem te voren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem, en vertroostten hem over al het kwaad, dat de HEERE over hem gebracht had; en zij gaven hem een iegelijk een stuk gelds, een iegelijk ook een gouden voorhoofdsiersel.
Maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze.
Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen.
HEERE! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats des tabernakels Uwer eer.
Een ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.
Een psalm, een lied der inwijding van Davids huis. (1a) Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.
Neig Uw oor tot mij, red mij haastelijk; wees mij tot een sterke Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om mij te behouden.
Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.
Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis.
Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;
Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien;
[ (Psalms 52:10) Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos. ]
Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden. (1a) Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan.
Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis.
Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,
De koningen der heirscharen vloden weg, zij vloden weg; en zij, die te huis bleef, deelde den roof uit.
Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.
Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God!
Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. Sela.
Want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid.
Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods.
Hij is gedachtig geweest Zijner goedertierenheid, en Zijner waarheid aan het huis Israels; en al de einden der aarde hebben gezien het heil onzes Gods.
Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet blijven; die leugenen spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden.
Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen.
Hij zette hem tot een heer over zijn huis, en tot een heerser over al zijn goed;
He. In zijn huis zal have en rijkdom wezen; Vau. en zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid.
Toen Israel uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk, dat een vreemde taal had;
Gij huis van Aaron! vertrouw op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.
De HEERE is onzer gedachtig geweest, Hij zal zegenen; Hij zal het huis van Israel zegenen, Hij zal het huis van Aaron zegenen.
In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!
Het huis van Aaron zegge nu, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.
Gezegend zij hij, die daar komt in den Naam des HEEREN! Wij zegenen ulieden uit het huis des HEEREN.
Een lied Hammaaloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.
Want daar zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen van het huis van David.
Een lied Hammaaloth, van Salomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.
Uw huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel.
Een lied Hammaaloth. Ziet, looft den HEERE, alle gij knechten des HEEREN! gij, die allen nacht in het huis des HEEREN staat.
Gij, die staat in het huis des HEEREN, in de voorhoven van het huis onzes Gods!
Gij huis Israels! looft den HEERE; gij huis Aarons! looft den HEERE.
Gij huis van Levi! looft den HEERE; gij die den HEERE vreest! looft den HEERE.
Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.
De vloek des HEEREN is in het huis des goddelozen; maar de woning der rechtvaardigen zal Hij zegenen.
Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden;
En gevonden zijnde, vergeldt hij het zevenvoudig; hij geeft al het goed van zijn huis.
Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;
Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.
Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;
Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen;
Hij heeft een bundel gelds in zijn hand genomen; ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen.
Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen.
En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;
Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn desgenen, die wijs van hart is.
De goddelozen worden omgekeerd, dat zij niet meer zijn; maar het huis der rechtvaardigen zal bestaan.
Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.
Het huis der goddelozen zal verdelgd worden; maar de tent der oprechten zal bloeien.
In het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in des goddelozen inkomst is beroerte.
Het huis der hovaardigen zal de HEERE afrukken; maar de landpale der weduwe zal Hij vastzetten.
Die gierigheid pleegt, beroert zijn huis; maar die geschenken haat, zal leven.
Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.
Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.
Huis en goed is een erve van de vaderen; maar een verstandige vrouw is van den HEERE.
Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.
De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort.
Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd;
Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op den akker, en bouw daarna uw huis.
Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.
Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.
Daartoe zult gij genoegzaamheid van geitenmelk hebben tot uw spijze, tot spijze van uw huis, en leeftocht uwer maagden.
De konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen.
Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.
Lamed. Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw; want haar ganse huis is met dubbele klederen gekleed.
Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.
Er is geen einde van al het volk, van allen, die voor hen geweest zijn; de nakomelingen zullen zich ook over hem niet verblijden; gewisselijk, dat is ook ijdelheid en kwelling des geestes. [ (Ecclesiastes 4:17) Bewaar uw voet, als gij tot het huis Gods ingaat, en zijt liever nabij om te horen, dan om der zotten slachtoffer te geven; want zij weten niet, dat zij kwaad doen. ]
Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds; want in hetzelve is het einde aller mensen, en de levende legt het in zijn hart.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 7:1-Leviticus 14:42
- 2.Leviticus 14:43-Deuteronomium 24:10
- 3.Deuteronomium 25:9-1 Samuël 3:15
- 4.1 Samuël 5:2-2 Samuël 13:8
- 5.2 Samuël 13:20-1 Koningen 8:64
- 6.1 Koningen 9:1-2 Koningen 11:7
- 7.2 Koningen 11:10-1 Kronieken 17:23
- 8.1 Kronieken 17:24-2 Kronieken 9:16
- 9.2 Kronieken 9:20-2 Kronieken 36:23
- 10.Ezra 1:2-Esther 5:10
- 11.Esther 6:4-Prediker 7:2
- 12.Prediker 7:4-Jeremia 27:16
- 13.Jeremia 27:18-Ezechiël 18:30
- 14.Ezechiël 18:31-Amos 5:3
- 15.Amos 5:4-Markus 6:4
- 16.Markus 6:10-Handelingen 17:5
- 17.Handelingen 17:7-2 Johannes 1:10
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (72)
- Exodus (19)
- Leviticus (33)
- Numberi (51)
- Deuteronomium (31)
- Jozua (13)
- Richteren (60)
- Ruth (5)
- 1 Samuël (55)
- 2 Samuël (88)
- 1 Koningen (140)
- 2 Koningen (98)
- 1 Kronieken (78)
- 2 Kronieken (157)
- Ezra (50)
- Nehemia (37)
- Esther (21)
- Job (17)
- Psalmen (39)
- Spreuken (34)
- Prediker (5)
- Hooglied (3)
- Jesaja (46)
- Jeremia (91)
- Klaagliederen (1)
- Ezechiël (128)
- Daniël (9)
- Hosea (10)
- Joël (4)
- Amos (20)
- Obadja (2)
- Micha (10)
- Nahum (1)
- Habakuk (3)
- Zefanja (2)
- Zacharia (24)
- Maleachi (1)