'Ik' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:29-Genesis 21:30
- 2.Genesis 22:1-Genesis 31:31
- 3.Genesis 31:35-Genesis 48:11
- 4.Genesis 48:15-Exodus 16:12
- 5.Exodus 16:32-Leviticus 18:6
- 6.Leviticus 18:21-Numberi 11:15
- 7.Numberi 11:17-Deuteronomium 2:9
- 8.Deuteronomium 2:19-Deuteronomium 26:3
- 9.Deuteronomium 26:10-Jozua 24:10
- 10.Jozua 24:11-Ruth 1:17
- 11.Ruth 1:21-1 Samuël 17:29
- 12.1 Samuël 17:35-2 Samuël 3:35
- 13.2 Samuël 3:39-2 Samuël 22:3
- 14.2 Samuël 22:4-1 Koningen 17:18
- 15.1 Koningen 17:20-2 Koningen 9:12
- 16.2 Koningen 9:17-2 Kronieken 6:38
- 17.2 Kronieken 7:12-Nehemia 6:1
- 18.Nehemia 6:3-Job 12:3
- 19.Job 12:4-Job 31:34
- 20.Job 31:35-Psalmen 18:29
- 21.Psalmen 18:37-Psalmen 41:4
- 22.Psalmen 41:9-Psalmen 71:17
- 23.Psalmen 71:18-Psalmen 108:7
- 24.Psalmen 108:9-Psalmen 119:104
- 25.Psalmen 119:106-Psalmen 145:5
- 26.Psalmen 145:6-Prediker 7:29
- 27.Prediker 8:2-Jesaja 21:2
- 28.Jesaja 21:3-Jesaja 44:5
- 29.Jesaja 44:6-Jesaja 57:12
- 30.Jesaja 57:15-Jeremia 5:14
- 31.Jeremia 5:15-Jeremia 16:13
- 32.Jeremia 16:15-Jeremia 26:4
- 33.Jeremia 26:5-Jeremia 33:14
- 34.Jeremia 33:15-Jeremia 50:31
- 35.Jeremia 50:32-Ezechiël 7:4
- 36.Ezechiël 7:8-Ezechiël 16:48
- 37.Ezechiël 16:50-Ezechiël 24:24
- 38.Ezechiël 24:25-Ezechiël 34:12
- 39.Ezechiël 34:13-Ezechiël 43:3
- 40.Ezechiël 43:6-Hosea 2:1
- 41.Hosea 2:2-Amos 1:14
- 42.Amos 2:1-Nahum 3:7
- 43.Habakuk 1:2-Zacharia 5:10
- 44.Zacharia 6:1-Mattheüs 7:24
- 45.Mattheüs 8:3-Mattheüs 24:47
- 46.Mattheüs 25:12-Markus 11:29
- 47.Markus 11:33-Lukas 12:8
- 48.Lukas 12:17-Lukas 23:43
- 49.Lukas 23:46-Johannes 8:37
- 50.Johannes 8:38-Johannes 14:30
- 51.Johannes 14:31-Handelingen 2:35
- 52.Handelingen 3:6-Handelingen 23:35
- 53.Handelingen 24:4-Romeinen 11:14
- 54.Romeinen 11:19-1 Corinthiërs 10:33
- 55.1 Corinthiërs 11:1-2 Corinthiër 11:9
- 56.2 Corinthiër 11:11-Filippenzen 1:19
- 57.Filippenzen 1:20-Filémon 1:22
- 58.Hebreeën 1:5-Openbaring 3:3
- 59.Openbaring 3:5-Openbaring 22:16
- 60.Openbaring 22:18-Openbaring 22:20
Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Moab, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij de beenderen des konings van Edom tot kalk verbrand heeft.
Daarom zal Ik een vuur in Moab zenden, dat zal de paleizen van Kerioth verteren; en Moab zal sterven met groot gedruis, met gejuich, met geluid der bazuin.
En Ik zal den rechter uit het midden van haar uitroeien; en al haar vorsten zal Ik met hem doden, zegt de HEERE.
Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Juda, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de wet des HEEREN verworpen, en Zijn inzettingen niet bewaard hebben; en hun leugenen hen verleid hebben, die hun vaders hebben nagewandeld.
Daarom zal Ik een vuur in Juda zenden, dat zal Jeruzalems paleizen verteren.
Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Israel, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij den rechtvaardige voor geld verkopen, en den nooddruftige om een paar schoenen.
Ik daarentegen heb den Amoriet voor hunlieder aangezicht verdelgd, wiens hoogte was als de hoogte der cederen, en hij was sterk als de eiken; maar Ik heb zijn vrucht van boven, en zijn wortelen van onderen verdelgd.
Ook heb Ik ulieden uit Egypteland opgevoerd; en Ik heb u veertig jaren in de woestijn geleid, opdat gij het land van den Amoriet erfelijk bezat.
En Ik heb sommigen uit uw zonen tot profeten verwekt, en uit uw jongelingen tot Nazireen; is dit niet alzo, gij kinderen Israels? spreekt de HEERE.
Ziet, Ik zal uw plaatsen drukken, gelijk als een wagen drukt, die vol garven is.
Hoort dit woord, dat de HEERE tegen ulieden spreekt, gij kinderen van Israel! namelijk tegen het ganse geslacht, dat Ik uit Egypteland heb opgevoerd, zeggende:
Uit alle geslachten des aardbodems heb Ik ulieden alleen gekend; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over ulieden bezoeken.
Dat Ik, ten dage als Ik Israels overtredingen over hem bezoeken zal, ook bezoeking zal doen over de altaren van Beth-El; en de hoornen des altaars zullen worden afgehouwen, en ter aarde vallen.
En Ik zal het winterhuis met het zomerhuis slaan; en de elpenbenen huizen zullen vergaan, en de grote huizen een einde nemen, spreekt de HEERE.
Daarom heb Ik ulieden ook reinheid der tanden gegeven in al uw steden, en gebrek van brood in al uw plaatsen; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.
Daartoe heb Ik ook den regen van ulieden geweerd, als er nog drie maanden waren tot den oogst, en heb doen regenen over de ene stad, maar over de andere stad niet doen regenen; het ene stuk lands werd beregend, maar het andere stuk lands, waar het niet op regende, verdorde.
Ik heb ulieden geslagen met brandkoren en met honigdauw; de veelheid uwer hoven, en uwer wijngaarden, en uwer vijgebomen, en uwer olijfbomen at de rups op; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.
Ik heb de pestilentie onder ulieden gezonden, naar de wijze van Egypte; Ik heb uw jongelingen door het zwaard gedood, en uw paarden gevankelijk laten wegvoeren; en Ik heb den stank uwer heirlegeren zelfs in uw neus doen opgaan; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.
Ik heb sommigen onder ulieden omgekeerd, gelijk God Sodom en Gomorra omkeerde, u, die waart als een vuurbrand, dat uit den brand gered is; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.
Daarom zal Ik u alzo doen, o Israel! omdat Ik u dan dit doen zal, zo schik u, o Israel! om uw God te ontmoeten.
Hoort dit woord, dat Ik over ulieden ophef, een klaaglied, o huis Israels!
Want Ik weet, dat uw overtredingen menigvuldig, en uw zonden machtig vele zijn; zij benauwen den rechtvaardige, nemen zoengeld, en verstoten de nooddruftigen in de poort.
Ja, in alle wijngaarden zal rouwklage zijn; want Ik zal door het midden van u doorgaan; zegt de HEERE.
Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbods dagen niet rieken.
Want ofschoon gij Mij brandofferen offert, mitsgaders uw spijsofferen, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uw vette beesten mag Ik niet aanzien.
Doe het getier uwer liederen van Mij weg; ook mag Ik uw luiten spel niet horen.
Daarom zal Ik ulieden gevankelijk wegvoeren, ver boven Damaskus henen, zegt de HEERE, Wiens Naam is God der heirscharen.
De Heere HEERE heeft gezworen bij Zichzelf (spreekt de HEERE, de God der heerscharen): Ik heb een gruwel van Jakobs hovaardij, en Ik haat zijn paleizen; daarom zal Ik de stad en haar volheid overleveren.
Want ziet, Ik zal over ulieden, o huis Israels! een volk verwekken, spreekt de HEERE, de God der heirscharen; die zullen ulieden drukken, van daar men komt te Hamath, tot aan de beek der wildernis.
En het geschiedde, als zij het kruid des lands geheel zouden hebben afgegeten, dat ik zeide: Heere HEERE! vergeef toch; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein!
Toen zeide ik: Heere HEERE! houd toch op; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein!
En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Amos? En ik zeide: Een paslood. Toen zeide de HEERE: Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israel; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.
Maar Izaks hoogten zullen verwoest, en Israels eigendommen verstoord worden; en Ik zal tegen Jerobeams huis opstaan met het zwaard.
Toen antwoordde Amos, en zeide tot Amazia: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon; maar ik was een ossenherder, en las wilde vijgen af.
En Hij zeide: Wat ziet gij Amos? En ik zeide: Een korf met zomervruchten. Toen zeide de HEERE tot mij: Het einde is gekomen over Mijn volk Israel; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.
De HEERE heeft gezworen bij Jakobs heerlijkheid: Zo Ik al hun werken in eeuwigheid zal vergeten!
En het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere HEERE, dat Ik de zon op den middag zal doen ondergaan, en het land bij lichten dage verduisteren.
En Ik zal uw feesten in rouw, en al uw liederen in weeklage veranderen, en op alle lenden een zak, en op alle hoofd kaalheid brengen; en Ik zal het land stellen in rouw, als er is over een enigen zoon, en deszelfs einde als een bitteren dag.
Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere HEERE, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des HEEREN.
Ik zag den Heere staan op het altaar, en Hij zeide: Sla dien knoop, dat de posten beven, en doorkloof ze allen in het hoofd; en Ik zal hun achterste met het zwaard doden; en vliedende zal onder hen niet ontvlieden, noch de ontkomende onder hen behouden worden.
Al groeven zij tot in de hel, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in den hemel, zo zal Ik ze van daar doen nederdalen.
En al verstaken zij zich op de hoogte van Karmel, zo zal Ik ze naspeuren en van daar halen; en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen in den grond van de zee, zo zal Ik van daar een slang gebieden, die zal ze bijten.
En al gingen zij in gevangenis voor het aangezicht hunner vijanden, zo zal Ik vandaar het zwaard gebieden, dat het hen dode; en Ik zal Mijn oog tegen hen zetten ten kwade, en niet ten goede.
Zijt gijlieden Mij niet als de kinderen der Moren, o kinderen Israels? spreekt de HEERE. Heb Ik Israel niet opgevoerd uit Egypteland, en de Filistijnen uit Kafthor, en de Syriers uit Kir?
Ziet, de ogen des Heeren HEEREN zijn tegen dit zondig koninkrijk, dat Ik het van den aardbodem verdelge; behalve dat Ik het huis Jakobs niet ganselijk zal verdelgen, spreekt de HEERE.
Want ziet, Ik geef bevel, en Ik zal het huis Israels onder al de heidenen schudden, gelijk als zaad geschud wordt in een zeef; en niet een steentje zal er ter aarde vallen.
Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, en Ik zal haar reten vertuinen, en wat aan haar is afgebroken, weder oprichten, en zal ze bouwen, als in de dagen van ouds;
En Ik zal de gevangenis van Mijn volk Israel wenden, en zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen, en wijngaarden planten, en derzelver wijn drinken; en zij zullen hoven maken, en derzelver vrucht eten.
En Ik zal ze in hun land planten; en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit hun land, dat Ik hunlieden gegeven heb, zegt de HEERE, uw God.
Ziet, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, gij zijt zeer veracht.
Al verhieft gij u gelijk de arend, en al steldet gij uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt de HEERE.
Zal het niet te dien dage zijn, spreekt de HEERE, dat Ik de wijzen uit Edom, en het verstand uit Ezau's gebergte zal doen vergaan?
En hij zeide tot hen: Ik ben een Hebreer; en ik vreze den HEERE, den God des hemels, Die de zee en het droge gemaakt heeft.
En hij zeide tot hen: Neemt mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van ulieden; want ik weet, dat deze grote storm ulieden om mijnentwil over komt.
En hij zeide: Ik riep uit mijn benauwdheid tot den HEERE, en Hij antwoordde mij; uit den buik des grafs schreide ik, en Gij hoordet mijn stem.
En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.
Ik was nedergedaald tot de gronden der bergen; de grendelen der aarde waren om mij henen in eeuwigheid; maar Gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o HEERE, mijn God!
Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan den HEERE, en mijn gebed kwam tot U, in den tempel Uwer heiligheid.
Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN.
Maak u op, ga naar de grote stad Nineve; en predik tegen haar de prediking, die Ik tot u spreek.
En hij bad tot den HEERE, en zeide: Och HEERE! was dit mijn woord niet, als ik nog in mijn land was? Daarom kwam ik het voor, vluchtende naar Tarsis; want ik wist, dat Gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwaad.
En Ik zou die grote stad Nineve niet verschonen? waarin veel meer dan honderd en twintig duizend mensen zijn, die geen onderscheid weten tussen hun rechterhand, en hun linkerhand; daartoe veel vee?
Daarom zal Ik Samaria stellen tot een steenhoop des velds, tot plantingen eens wijngaards; en Ik zal haar stenen in de vallei storten, en haar fundamenten ontdekken.
En al haar gesneden beelden zullen vermorzeld worden, en al haar hoerenbeloningen zullen met vuur verbrand worden, en al haar afgoden zal Ik stellen tot een woestheid; want zij heeft ze van hoerenloon vergaderd, en zij zullen tot hoerenloon wederkeren.
Hierom zal ik misbaar bedrijven en huilen; ik zal beroofd en naakt gaan; ik zal misbaar maken als de draken, en treuren als de jonge struisen.
Ik zal u nog een erfgenaam toebrengen, gij inwoneres van Maresa! Hij zal komen tot aan Adullam, tot aan de heerlijkheid Israels.
Daarom, alzo zegt de HEERE: Ziet, Ik denk een kwaad over dit geslacht, waaruit gijlieden uw halzen niet zult uittrekken, en zult zo rechtop niet gaan; want het zal een boze tijd zijn.
Zo er iemand is, die met wind omgaat, en valselijk liegt, zeggende: Ik zal u profeteren voor wijn en voor sterken drank! dat is een profeet dezes volks.
Voorzeker zal Ik u, o Jakob! gans verzamelen; voorzeker zal Ik Israels overblijfsel vergaderen; Ik zal het te zamen zetten als schapen van Bozra; als een kudde in het midden van haar kooi zullen zij van mensen deunen.
Voorts zeide ik: Hoort nu, gij hoofden Jakobs, en gij oversten van het huis Israels! Betaamt het ulieden niet het recht te weten?
Maar waarlijk, ik ben vol krachts van den Geest des HEEREN; en vol van gericht en dapperheid, om Jakob te verkondigen zijn overtreding, en Israel zijn zonde.
Te dien dage, spreekt de HEERE, zal Ik haar, die hinkende was, verzamelen, en haar, die verdreven was, vergaderen, en die Ik geplaagd had.
En Ik zal haar, die hinkende was, maken tot een overblijfsel, en haar die verre henen verstoten was, tot een machtig volk; en de HEERE zal Koning over hen zijn op den berg Sions, van nu aan tot in eeuwigheid.
Maak u op en dors, o dochter Sions! Want Ik zal uw hoorn ijzer maken, en uw klauwen koper maken, en gij zult vele volken verpletteren; en Ik zal hunlieder gewin den HEERE verbannen, en hun vermogen den Heere der ganse aarde. [ (Micah 4:14) Nu, rot u met benden, gij dochter der bende, hij zal een belegering tegen ons stellen; zij zullen den rechter Israels met de roede op het kinnebakken slaan. ]
En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat Ik uw paarden uit het midden van u zal uitroeien, en Ik zal uw wagenen verdoen.
En Ik zal de steden uws lands uitroeien, en Ik zal al uw vestingen afbreken.
En Ik zal de toverijen uit uw hand uitroeien, en gij zult geen guichelaars hebben.
En Ik zal uw gesneden beelden en uw opgerichte beelden uit het midden van u uitroeien, dat gij u niet meer zult nederbuigen voor het werk uwer handen.
Voorts zal Ik uw bossen uit het midden van u uitroeien, en Ik zal uw steden verdelgen.
En Ik zal in toorn en in grimmigheid wrake doen aan de heidenen, die niet horen.
O Mijn volk! wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij.
Immers heb Ik u uit Egypteland opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; en Ik heb voor uw aangezicht henen gezonden Mozes, Aaron en Mirjam.
Waarmede zal ik den HEERE tegenkomen, en mij bukken voor den hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren?
Zou de HEERE een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tien duizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel?
Zou ik rein zijn, met een goddeloze weegschaal en met een zak van bedriegelijke weegstenen?
Zo zal Ik u ook krenken, u slaande, en verwoestende om uw zonden.
Gij zult eten, maar niet verzadigd worden, en uw nederdrukking zal in het midden van u zijn; en gij zult aangrijpen, maar niet wegbrengen, en wat gij zult wegbrengen, zal Ik aan het zwaard overgeven.
Want de inzettingen van Omri worden onderhouden, en het ganse werk van het huis van Achab; en gij wandelt in derzelver raadslagen; opdat Ik u stelle tot verwoesting, en haar inwoners tot aanfluiting; alzo zult gij de smaadheid Mijns volks dragen.
Ai mij! want ik ben, als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld; als wanneer de nalezingen in den wijnoogst geschied zijn; er is geen druif om te eten; mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht.
Maar ik zal uitzien naar den HEERE, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen.
Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de HEERE mij een licht zijn.
Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij brengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn gerechtigheid.
Ik zal haar wonderen doen zien, als in de dagen, toen gij uit Egypteland uittoogt.
Alzo zegt de HEERE: Zijn zij voorspoedig, en alzo velen, alzo zullen zij ook geschoren worden, en hij zal doorgaan; Ik heb u wel gedrukt, maar Ik zal u niet meer drukken.
Maar nu zal Ik zijn juk van u breken, en zal uw banden verscheuren.
Doch tegen u heeft de HEERE bevolen, dat er van uw naam niemand meer gezaaid zal worden; uit het huis uws gods zal Ik uitroeien de gesneden en gegoten beelden; Ik zal u daar een graf maken, als gij zult veracht zijn geworden.
Ziet, Ik wil aan u, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal haar wagenen in rook verbranden, en het zwaard zal uw jonge leeuwen verteren, en Ik zal uw roof uitroeien van de aarde, en de stem uwer gezanten zal niet meer gehoord worden.
Ziet, Ik wil aan u, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht, en Ik zal den heidenen uw naaktheid, en den koninkrijken uw schande wijzen.
En Ik zal verfoeilijke dingen op u werpen, en u tot schande maken, en Ik zal u als een spiegel stellen.
En het zal geschieden, dat allen, die u zien, van u wegvlieden zullen en zeggen: Nineve is verstoord, wie zal medelijden met haar hebben? Van waar zal ik u troosters zoeken?
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:29-Genesis 21:30
- 2.Genesis 22:1-Genesis 31:31
- 3.Genesis 31:35-Genesis 48:11
- 4.Genesis 48:15-Exodus 16:12
- 5.Exodus 16:32-Leviticus 18:6
- 6.Leviticus 18:21-Numberi 11:15
- 7.Numberi 11:17-Deuteronomium 2:9
- 8.Deuteronomium 2:19-Deuteronomium 26:3
- 9.Deuteronomium 26:10-Jozua 24:10
- 10.Jozua 24:11-Ruth 1:17
- 11.Ruth 1:21-1 Samuël 17:29
- 12.1 Samuël 17:35-2 Samuël 3:35
- 13.2 Samuël 3:39-2 Samuël 22:3
- 14.2 Samuël 22:4-1 Koningen 17:18
- 15.1 Koningen 17:20-2 Koningen 9:12
- 16.2 Koningen 9:17-2 Kronieken 6:38
- 17.2 Kronieken 7:12-Nehemia 6:1
- 18.Nehemia 6:3-Job 12:3
- 19.Job 12:4-Job 31:34
- 20.Job 31:35-Psalmen 18:29
- 21.Psalmen 18:37-Psalmen 41:4
- 22.Psalmen 41:9-Psalmen 71:17
- 23.Psalmen 71:18-Psalmen 108:7
- 24.Psalmen 108:9-Psalmen 119:104
- 25.Psalmen 119:106-Psalmen 145:5
- 26.Psalmen 145:6-Prediker 7:29
- 27.Prediker 8:2-Jesaja 21:2
- 28.Jesaja 21:3-Jesaja 44:5
- 29.Jesaja 44:6-Jesaja 57:12
- 30.Jesaja 57:15-Jeremia 5:14
- 31.Jeremia 5:15-Jeremia 16:13
- 32.Jeremia 16:15-Jeremia 26:4
- 33.Jeremia 26:5-Jeremia 33:14
- 34.Jeremia 33:15-Jeremia 50:31
- 35.Jeremia 50:32-Ezechiël 7:4
- 36.Ezechiël 7:8-Ezechiël 16:48
- 37.Ezechiël 16:50-Ezechiël 24:24
- 38.Ezechiël 24:25-Ezechiël 34:12
- 39.Ezechiël 34:13-Ezechiël 43:3
- 40.Ezechiël 43:6-Hosea 2:1
- 41.Hosea 2:2-Amos 1:14
- 42.Amos 2:1-Nahum 3:7
- 43.Habakuk 1:2-Zacharia 5:10
- 44.Zacharia 6:1-Mattheüs 7:24
- 45.Mattheüs 8:3-Mattheüs 24:47
- 46.Mattheüs 25:12-Markus 11:29
- 47.Markus 11:33-Lukas 12:8
- 48.Lukas 12:17-Lukas 23:43
- 49.Lukas 23:46-Johannes 8:37
- 50.Johannes 8:38-Johannes 14:30
- 51.Johannes 14:31-Handelingen 2:35
- 52.Handelingen 3:6-Handelingen 23:35
- 53.Handelingen 24:4-Romeinen 11:14
- 54.Romeinen 11:19-1 Corinthiërs 10:33
- 55.1 Corinthiërs 11:1-2 Corinthiër 11:9
- 56.2 Corinthiër 11:11-Filippenzen 1:19
- 57.Filippenzen 1:20-Filémon 1:22
- 58.Hebreeën 1:5-Openbaring 3:3
- 59.Openbaring 3:5-Openbaring 22:16
- 60.Openbaring 22:18-Openbaring 22:20
Verwante onderwerpen
- Abraham
- Afwijzing Van God
- Alwetende God
- Bang Zijn
- Beantwoorde Beloften
- Bedankt
- Begin
- Beleden Zonde
- Bescherming Tegen Gevaar
- Beweringen
- Beëindiging
- Christus Die De Waarheid Spreekt
- Dat Ben Ik
- De Daad Van Openen
- De Gerechtigheid Van God
- De Heer Is God
- De Menselijke Beschrijvingen Van God
- De Namen Voor Christus
- De Openbaring Van God
- De Regenboog
- De Vader
- Doelen
- Eenzaamheid
- Engelen Die Gods Werk Doen
- Gabriël
- Geboden in OT
- Gezicht Van God
- God Aanroepen
- God Als Rechter
- God Dodend
- God Haalt Israël Uit Egypte
- God Tegen
- Goddelijk Hart
- Gods Hand
- Gods Onthulde Dingen
- Gods Redding Bekend Gemaakt
- Gods Stem
- Gods Verborgen Dingen
- Gods Waarheid
- Gods Werk Verhinderen
- Gods Woord Is Rechtvaardig
- Hand Van God
- Het Gevolg Van De Afwijzing Van God
- Het Woord Spreken Dat God Geschonken Heeft
- Ik Ben De Heer
- Ik Bid
- Ik Volg De Geboden
- Ik Zal Hun God Zijn
- In De Tegenwoordigheid Van De Mens
- Individuen Dienen
- Land
- Lauw
- Liefde Voor God
- Lof
- Luisteren Naar God
- Messiaanse Profetieën
- Mezelf
- Minderwaardigheid
- Missie Van Jezus Christus
- Monden
- Nabijheid Van De Dood
- Nacht
- Namen En Titels Voor Christus
- Nederigheid
- Nederlaag
- Overwinnen
- Pleidooi Van Onschuld
- Regenboog
- Rekeningen Vereffenen
- Relatie Tussen Vader En Zoon
- Samenkomen Israël
- Tevreden Zijn
- Vals Vertrouwen
- Volg De Geboden
- Volg De Geboden Van Christus
- Voorspellingen Over Christus
- Voorspellingen Uitgesproken Door Jezus
- Voortdurend
- Wanhoop
- We Danken God
- We Hebben Gezondigd
- Wederopbouw
- Wegen Van De Mens
- Weten Over Gods Koninkrijk