'Koning' in de Bijbel
- 1.Genesis 14:1-Jozua 13:21
- 2.Jozua 13:27-1 Samuël 29:8
- 3.2 Samuël 2:4-2 Samuël 16:6
- 4.2 Samuël 16:9-1 Koningen 1:28
- 5.1 Koningen 1:29-1 Koningen 12:2
- 6.1 Koningen 12:6-2 Koningen 1:15
- 7.2 Koningen 1:17-2 Koningen 14:9
- 8.2 Koningen 14:11-2 Koningen 22:10
- 9.2 Koningen 22:11-2 Kronieken 2:11
- 10.2 Kronieken 2:12-2 Kronieken 24:1
- 11.2 Kronieken 24:6-Ezra 4:5
- 12.Ezra 4:7-Esther 6:2
- 13.Esther 6:3-Jesaja 7:1
- 14.Jesaja 7:6-Jeremia 32:28
- 15.Jeremia 34:1-Ezechiël 26:7
- 16.Ezechiël 28:12-Daniël 6:21
- 17.Daniël 6:22-Johannes 18:33
- 18.Johannes 18:37-Openbaring 19:16
Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dan een Koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou. Een iegelijk, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem.
Doch gij hebt een gewoonte, dat ik u op het pascha een loslate. Wilt gij dan, dat ik u den Koning der Joden loslate?
En zeiden: Wees gegroet, Gij Koning der Joden! En zij gaven Hem kinnebakslagen.
Van toen af zocht Pilatus Hem los te laten; maar de Joden riepen, zeggende: Indien gij Dezen loslaat, zo zijt gij des keizers vriend niet; een iegelijk, die zichzelven koning maakt, wederspreekt den keizer.
En het was de voorbereiding van het pascha, en omtrent de zesde ure; en hij zeide tot de Joden: Ziet, uw Koning!
Maar zij riepen: Neem weg, neem weg, kruis Hem! Pilatus zeide tot hen: Zal ik uw Koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning, dan den keizer.
En Pilatus schreef ook een opschrift, en zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS De NAZARENER De KONING DER JODEN.
De overpriesters dan der Joden zeiden tot Pilatus: Schrijf niet: De Koning der Joden; maar, dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden.
En verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Farao, den koning van Egypteland; en hij stelde hem tot een overste over Egypte, en zijn gehele huis.
Totdat een ander koning opstond, die Jozef niet gekend had.
En omtrent denzelfden tijd sloeg de koning Herodes de handen aan sommigen van de Gemeente, om die kwalijk te handelen.
En van toen aan begeerden zij een koning; en God gaf hun Saul, den zoon van Kis, een man uit den stam van Benjamin, veertig jaren.
En dezen afgezet hebbende, verwekte Hij hun David tot een koning; denwelken Hij ook getuigenis gaf, en zeide: Ik heb gevonden David, den zoon van Jesse; een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal doen.
Welke Jason in zijn huis genomen heeft; en alle dezen doen tegen de geboden des keizers, zeggende, dat er een andere Koning is, namelijk Jezus.
En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning Agrippa en Bernice te Cesarea, om Festus te begroeten.
En toen zij aldaar vele dagen doorgebracht hadden, heeft Festus de zaken van Paulus aan den koning verhaald, zeggende: Hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten;
En Festus zeide: Koning Agrippa, en gij mannen allen, die met ons hier tegenwoordig zijt, gij ziet dezen, van welken mij de ganse menigte der Joden heeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende, dat hij niet meer behoort te leven.
Van welken ik niets zekers heb aan den heer te schrijven; daarom heb ik hem voor ulieden voorgebracht, en meest voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat heb te schrijven.
Ik acht mijzelven gelukkig, o koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal verantwoorden van alles, waarover ik van de Joden beschuldigd word;
Tot dewelke onze twaalf geslachten, geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen; over welke hoop ik, o koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd.
Zag ik, o koning, in het midden van den dag, op den weg een licht, boven den glans der zon, van den hemel mij en degenen, die met mij reisden, omschijnende.
Daarom, o koning Agrippa, ben ik dat Hemels gezicht niet ongehoorzaam geweest;
Want de koning weet van deze dingen, tot welken ik ook vrijmoedigheid gebruikende spreek; want ik geloof niet, dat hem iets van deze dingen verborgen is; want dit is in geen hoek geschied.
Gelooft gij, o koning Agrippa, de profeten? Ik weet dat gij ze gelooft.
En als hij dit gezegd had, stond de koning op, en de stadhouder, en Bernice, en die met hen gezeten waren;
Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben.
De stadhouder van den koning Aretas in Damaskus, bezette de stad der Damaskenen, willende mij vangen;
Den Koning nu der eeuwen, den onverderfelijken, den onzienlijken, den alleen wijzen God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
Welke te Zijner tijd vertonen zal de zalige en alleen machtige Heere, de Koning der koningen, en Heere der heren;
Want deze Melchizedek was koning van Salem, een priester des Allerhoogsten Gods, die Abraham tegemoet ging, als hij wederkeerde van het slaan der koningen, en hem zegende;
Aan welken ook Abraham van alles de tienden deelde; die vooreerst overgezet wordt, koning der gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, hetwelk is een koning des vredes;
Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil; hetzij den koning, als de opperste macht hebbende;
Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den koning.
En zij hadden over zich tot een koning den engel des afgronds; zijn naam was in het Hebreeuws Abaddon, en in de Griekse taal had hij den naam Apollyon.
En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden grote stemmen in den hemel, zeggende: De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid.
Zeggende: Wij danken U, Heere God almachtig, Die is, en Die was, en Die komen zal, dat Gij Uw grote kracht hebt aangenomen, en als Koning hebt geheerst;
En zij zongen het gezang van Mozes, den dienstknecht Gods, en het gezang des Lams, zeggende: Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heere, Gij almachtige God, rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Gij Koning der heiligen!
En het beest, dat was en niet is, die is ook de achtste koning, en is uit de zeven en gaat ten verderve.
Dezen zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen (want Het is een Heere der heren, en een Koning der koningen), en die met Hem zijn, de geroepenen, en uitverkorenen en gelovigen.
En ik hoorde als een stem ener grote schare, en als een stem veler wateren, en als een stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja, want de Heere, de almachtige God, heeft als Koning geheerst.
En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij dezen Naam geschreven: Koning der koningen, en Heere der heren.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 14:1-Jozua 13:21
- 2.Jozua 13:27-1 Samuël 29:8
- 3.2 Samuël 2:4-2 Samuël 16:6
- 4.2 Samuël 16:9-1 Koningen 1:28
- 5.1 Koningen 1:29-1 Koningen 12:2
- 6.1 Koningen 12:6-2 Koningen 1:15
- 7.2 Koningen 1:17-2 Koningen 14:9
- 8.2 Koningen 14:11-2 Koningen 22:10
- 9.2 Koningen 22:11-2 Kronieken 2:11
- 10.2 Kronieken 2:12-2 Kronieken 24:1
- 11.2 Kronieken 24:6-Ezra 4:5
- 12.Ezra 4:7-Esther 6:2
- 13.Esther 6:3-Jesaja 7:1
- 14.Jesaja 7:6-Jeremia 32:28
- 15.Jeremia 34:1-Ezechiël 26:7
- 16.Ezechiël 28:12-Daniël 6:21
- 17.Daniël 6:22-Johannes 18:33
- 18.Johannes 18:37-Openbaring 19:16
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (14)
- Exodus (14)
- Numberi (13)
- Deuteronomium (18)
- Jozua (44)
- Richteren (30)
- 1 Samuël (67)
- 2 Samuël (180)
- 1 Koningen (216)
- 2 Koningen (249)
- 1 Kronieken (48)
- 2 Kronieken (197)
- Ezra (44)
- Nehemia (17)
- Esther (83)
- Job (5)
- Psalmen (31)
- Spreuken (12)
- Prediker (10)
- Hooglied (5)
- Jesaja (45)
- Jeremia (148)
- Klaagliederen (2)
- Ezechiël (20)
- Daniël (111)
- Hosea (13)
- Amos (3)
- Jona (1)
- Micha (4)
- Nahum (1)
- Zefanja (2)
- Zacharia (7)
- Maleachi (1)
Verwante onderwerpen
- Artaxerxes De Koning
- Christus Is Koning Van Israël
- De Aard Van Koningen
- De Bevelen Van De Koning
- De Koning Jezus Christus
- Geen Koning
- Genoemde Profeten Van De Heer
- Goddelijk Koningschap
- Goede Koningen
- Goede Koningen Nabootsen
- Herders Als Koningen En Leiders
- Hoe Koningen Zich Moeten Gedragen
- Houdingen Tegenover Koningen