'Naar' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:11-Genesis 36:30
- 2.Genesis 36:40-Exodus 25:20
- 3.Exodus 25:40-Numberi 2:16
- 4.Numberi 2:17-Numberi 24:11
- 5.Numberi 26:2-Deuteronomium 11:27
- 6.Deuteronomium 11:28-Jozua 10:31
- 7.Jozua 10:32-Richteren 7:10
- 8.Richteren 7:17-1 Samuël 15:19
- 9.1 Samuël 15:20-2 Samuël 20:14
- 10.2 Samuël 20:22-1 Koningen 22:49
- 11.1 Koningen 22:53-1 Kronieken 6:32
- 12.1 Kronieken 6:49-2 Kronieken 23:8
- 13.2 Kronieken 23:10-Nehemia 3:19
- 14.Nehemia 4:13-Psalmen 34:11
- 15.Psalmen 35:24-Spreuken 26:5
- 16.Spreuken 27:21-Jeremia 7:23
- 17.Jeremia 7:26-Jeremia 39:5
- 18.Jeremia 39:7-Ezechiël 40:33
- 19.Ezechiël 40:35-Zacharia 1:4
- 20.Zacharia 1:6-Lukas 9:51
- 21.Lukas 9:53-Handelingen 16:12
- 22.Handelingen 16:19-2 Corinthiër 4:1
- 23.2 Corinthiër 5:16-Hebreeën 8:5
- 24.Hebreeën 8:9-Openbaring 21:17
Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden.
Schin. Let op den vrome, en zie naar den oprechte; want het einde van dien man zal vrede zijn.
Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdelijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.
Welgelukzalig is de man, die den HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken.
En zo iemand van hen komt, om mij te zien, hij spreekt valsheid; zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van.
Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. (1a) Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?
Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.
Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester. (1a) Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan. (1b) Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
[ (Psalms 51:20) Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op. ]
Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt;
Opdat zij niet hore naar de stem der belezers, desgenen, die ervaren is met bezweringen om te gaan.
Want Gij, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; Gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen.
[ (Psalms 62:13) En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk. ]
Een psalm van David, als hij was in de woestijn van Juda. (1a) O God! Gij zijt mijn God! ik zoek U in den dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.
Om in verborgen plaatsen den oprechte te schieten; haastig schieten zij naar hem, en vrezen niet.
Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben.
Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.
En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust.
Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg;
Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen.
Laat het gekerm der gevangenen voor Uw aanschijn komen; behoud overig de kinderen des doods, naar de grootheid Uws arms.
Mijn volk, zeide Ik hoor toe, en Ik zal onder u betuigen, Israel, of gij naar Mij hoordet!
Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israel in Mijn wegen gewandeld had!
Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God.
Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.
Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.
De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.
Vraagt naar den HEERE en Zijn sterkte; zoekt Zijn aangezicht geduriglijk.
Om zijn vorsten te binden naar zijn lust, en zijn oudsten te onderwijzen.
Gedenk mijner, o HEERE! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil;
Doch zij vergaten haast Zijn werken, zij verbeidden naar Zijn raad niet.
Maar zij murmureerden in hun tenten; naar de stem des HEEREN hoorden zij niet.
En Hij dacht tot hun beste aan Zijn verbond, en het berouwde Hem naar de veelheid Zijner goedertierenheden.
Zij rijzen op naar den hemel; zij dalen neder tot in de afgronden; hun ziel versmelt van angst.
Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.
De HEERE heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.
Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.
Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.
Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.
Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.
Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;
En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten.
Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.
Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.
Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
Caph. Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.
Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?
De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.
Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.
Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.
Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.
Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.
Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.
Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.
Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging.
HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.
Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
Thau. O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar Uw woord.
Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.
O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
Een lied Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal.
HEERE! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.
Heft uw handen op naar het heiligdom, en looft den HEERE.
Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid, en ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.
Een psalm van David. O HEERE! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen; verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid.
Opdat onze zonen zijn als planten, welke groot geworden zijn in hun jeugd; onze dochter als hoekstenen, uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis.
Pe. Gij doet Uw hand open, en verzadigt al wat er leeft, naar Uw welbehagen.
Looft Hem vanwege Zijn mogendheden; looft Hem naar de menigvuldigheid Zijner grootheid!
Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.
Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.
Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.
Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars!
Hij heeft een bundel gelds in zijn hand genomen; ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen.
Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.
Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren.
Alzo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade najaagt, naar zijn dood jaagt.
De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
Die zich afzondert, tracht naar wat begeerlijks; hij vermengt zich in alle bestendige wijsheid.
De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.
Zult gij uw ogen laten vliegen op hetgeen niets is? Want het zal zich gewisselijk vleugelen maken gelijk een arend, die naar den hemel vliegt.
Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is.
Uw ogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken.
Wanneer gij zegt: Ziet, wij weten dat niet; zal Hij, Die de harten weegt, dat niet merken? En Die uwe ziel gadeslaat, zal Hij het niet weten? Want Hij zal den mens vergelden naar zijn werk.
Mijn zoon! vrees den HEERE en den koning; vermeng u niet met hen, die naar verandering staan;
Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.
Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.
Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:11-Genesis 36:30
- 2.Genesis 36:40-Exodus 25:20
- 3.Exodus 25:40-Numberi 2:16
- 4.Numberi 2:17-Numberi 24:11
- 5.Numberi 26:2-Deuteronomium 11:27
- 6.Deuteronomium 11:28-Jozua 10:31
- 7.Jozua 10:32-Richteren 7:10
- 8.Richteren 7:17-1 Samuël 15:19
- 9.1 Samuël 15:20-2 Samuël 20:14
- 10.2 Samuël 20:22-1 Koningen 22:49
- 11.1 Koningen 22:53-1 Kronieken 6:32
- 12.1 Kronieken 6:49-2 Kronieken 23:8
- 13.2 Kronieken 23:10-Nehemia 3:19
- 14.Nehemia 4:13-Psalmen 34:11
- 15.Psalmen 35:24-Spreuken 26:5
- 16.Spreuken 27:21-Jeremia 7:23
- 17.Jeremia 7:26-Jeremia 39:5
- 18.Jeremia 39:7-Ezechiël 40:33
- 19.Ezechiël 40:35-Zacharia 1:4
- 20.Zacharia 1:6-Lukas 9:51
- 21.Lukas 9:53-Handelingen 16:12
- 22.Handelingen 16:19-2 Corinthiër 4:1
- 23.2 Corinthiër 5:16-Hebreeën 8:5
- 24.Hebreeën 8:9-Openbaring 21:17