'Te' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:14-Genesis 28:6
- 2.Genesis 28:11-Exodus 2:21
- 3.Exodus 3:4-Exodus 34:33
- 4.Exodus 34:34-Leviticus 21:10
- 5.Leviticus 21:17-Numberi 22:37
- 6.Numberi 22:39-Deuteronomium 7:24
- 7.Deuteronomium 7:26-Deuteronomium 24:6
- 8.Deuteronomium 24:8-Jozua 8:33
- 9.Jozua 9:2-Richteren 2:9
- 10.Richteren 2:21-Richteren 16:22
- 11.Richteren 16:23-1 Samuël 5:7
- 12.1 Samuël 5:10-1 Samuël 19:22
- 13.1 Samuël 19:23-2 Samuël 2:11
- 14.2 Samuël 2:15-2 Samuël 15:7
- 15.2 Samuël 15:8-1 Koningen 3:11
- 16.1 Koningen 3:15-1 Koningen 16:28
- 17.1 Koningen 16:29-2 Koningen 9:36
- 18.2 Koningen 10:1-2 Koningen 25:28
- 19.1 Kronieken 1:10-1 Kronieken 20:6
- 20.1 Kronieken 20:8-2 Kronieken 12:14
- 21.2 Kronieken 13:2-2 Kronieken 30:14
- 22.2 Kronieken 30:17-Ezra 6:8
- 23.Ezra 6:9-Nehemia 12:27
- 24.Nehemia 12:44-Job 15:28
- 25.Job 16:10-Psalmen 56:13
- 26.Psalmen 57:3-Psalmen 143:8
- 27.Psalmen 145:2-Spreuken 30:18
- 28.Spreuken 30:31-Jesaja 7:20
- 29.Jesaja 7:21-Jesaja 36:12
- 30.Jesaja 36:22-Jeremia 5:5
- 31.Jeremia 5:28-Jeremia 28:4
- 32.Jeremia 28:14-Jeremia 46:14
- 33.Jeremia 46:21-Ezechiël 21:11
- 34.Ezechiël 21:15-Daniël 2:29
- 35.Daniël 2:35-Amos 2:15
- 36.Amos 2:16-Zacharia 11:16
- 37.Zacharia 12:3-Mattheüs 14:7
- 38.Mattheüs 14:8-Markus 3:21
- 39.Markus 4:1-Lukas 1:19
- 40.Lukas 1:25-Lukas 12:24
- 41.Lukas 12:25-Johannes 4:21
- 42.Johannes 4:32-Handelingen 8:9
- 43.Handelingen 8:14-Handelingen 18:18
- 44.Handelingen 18:19-Handelingen 27:21
- 45.Handelingen 27:22-1 Corinthiërs 4:14
- 46.1 Corinthiërs 5:5-Galaten 1:9
- 47.Galaten 1:10-1 Thessalonicenzen 4:9
- 48.1 Thessalonicenzen 4:11-Hebreeën 10:19
- 49.Hebreeën 10:25-Openbaring 22:8
- 50.Openbaring 22:12-Openbaring 22:16
Hij zal van den hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden.
Opdat zij niet hore naar de stem der belezers, desgenen, die ervaren is met bezweringen om te gaan.
Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden. (1a) Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan.
Ja, Gij HEERE, God der heirscharen, God Israels! ontwaak, om al deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouwelooslijk ongerechtigheid bedrijven. Sela.
Maar nu hebt Gij dengenen, die U vrezen, een banier gegeven, om die op te werpen, vanwege de waarheid. Sela.
Van het einde des lands roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn.
Zij raadslagen slechts, om hem van zijn hoogheid te verstoten; zij hebben behagen in leugen; met hun mond zegenen zij; maar met hun binnenste vloeken zij. Sela.
Vertrouw op Hem te aller tijd, o gij volk! Stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht. Sela.
Om in verborgen plaatsen den oprechte te schieten; haastig schieten zij naar hem, en vrezen niet.
Zij sterken zichzelven in een boze zaak; zij houden spraak van strikken te verbergen; zij zeggen: Wie zal ze zien?
Zij doorzoeken allerlei schalkheid; ten uiterste doorzoeken zij, wat te doorzoeken is; zelfs het binnenste eens mans, en het diepe hart.
Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd.
De HEERE gaf te spreken; der boodschappers van goede tijdingen was een grote heirschaar.
De koningen der heirscharen vloden weg, zij vloden weg; en zij, die te huis bleef, deelde den roof uit.
Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God!
Om Uws tempels wil te Jeruzalem, zullen U de koningen geschenk toebrengen.
Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.
Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.
Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!
Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, om te doen gedenken. (1a) Haast U, o God, om mij te verlossen, o HEERE, tot mijn hulp.
Laat hen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.
Wees mij tot een Rotssteen, om daarin te wonen, om geduriglijk daarin te gaan; Gij hebt bevel gegeven, om mij te verlossen, want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg.
Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen,
Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.
Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;
Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!
Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.
Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ze ons te zamen uitplunderen; zij hebben alle Gods vergaderplaatsen in het land verbrand.
Als God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Sela.
Doet geloften en betaalt ze den HEERE, uw God, gij allen, die rondom Hem zijt! Laat hen Dien, Die te vrezen is, geschenken brengen;
Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den HEERE; mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.
Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela.
Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in Zijn wet.
Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.
En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren.
Dies verliet Hij den tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.
Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israel, Zijn erfenis.
Want zij hebben in het hart te zamen geraadslaagd; tegen U hebben zij een verbond gemaakt;
Die verdelgd zijn te Endor; zij zijn geworden tot drek der aarde.
Want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid.
Breng ons weder, o God onzes heils! en doe te niet Uw toornigheid over ons.
Den gansen dag omringen zij mij als water; te zamen omgeven zij mij.
Gij hebt het verbond Uws knechts te niet gedaan; Gij hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde.
Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?
Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods.
[ (Psalms 92:16) Om te verkondigen, dat de HEERE recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht. ]
Om hem rust te geven van de kwade dagen; totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt.
Verhardt uw hart niet, gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn;
Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen; Hij is vreselijk boven alle goden.
Voor het aangezicht des HEEREN; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid.
Voor het aangezicht des HEEREN, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle rechtmatigheid.
Allen morgen zal ik alle goddelozen des lands verdelgen, om uit de stad des HEEREN alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien.
Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.
Gij zult opstaan, Gij zult U ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen.
Om het zuchten der gevangenen te horen, om los te maken de kinderen des doods;
Opdat men den Naam des HEEREN vertelle te Sion, en Zijn lof te Jeruzalem;
Wanneer de volken samen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den HEERE te dienen.
Aan degenen, die Zijn verbond houden, en die aan Zijn bevelen denken, om die te doen.
De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.
Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.
Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.
Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:
Om zijn vorsten te binden naar zijn lust, en zijn oudsten te onderwijzen.
Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om den nacht te verlichten.
Welgelukzalig zijn zij, die het recht onderhouden, die te aller tijd gerechtigheid doet.
Dies Hij zeide, dat Hij hen verdelgen zou, ten ware Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf.
En Hij leidde hen op een rechten weg, om te gaan tot een stad ter woning.
Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te doden.
Want Hij zal den nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen.
Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.
Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen.
Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen.
Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.
Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.
En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.
Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid.
Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.
Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.
Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.
Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.
Waarheen de stammen opgaan, de stammen des HEEREN, tot de getuigenis Israels, om den Naam des HEEREN te danken.
Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.
Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.
Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.
Geloofd zij de HEERE uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah!
De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.
Die veel kwaads in het hart denken, allen dag samenkomen om te oorlogen.
Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.
Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.
Dat de goddelozen elk in zijn garen vallen, te zamen, totdat ik zal zijn voorbijgegaan.
Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.
[ (Psalms 142:8) Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer Gij wel bij mij zult gedaan hebben. ]
Doe mij Uw goedertierenheid in den morgenstond horen, want ik betrouw op U; maak mij bekend den weg, dien ik te gaan heb, want ik hef mijn ziel tot U op.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:14-Genesis 28:6
- 2.Genesis 28:11-Exodus 2:21
- 3.Exodus 3:4-Exodus 34:33
- 4.Exodus 34:34-Leviticus 21:10
- 5.Leviticus 21:17-Numberi 22:37
- 6.Numberi 22:39-Deuteronomium 7:24
- 7.Deuteronomium 7:26-Deuteronomium 24:6
- 8.Deuteronomium 24:8-Jozua 8:33
- 9.Jozua 9:2-Richteren 2:9
- 10.Richteren 2:21-Richteren 16:22
- 11.Richteren 16:23-1 Samuël 5:7
- 12.1 Samuël 5:10-1 Samuël 19:22
- 13.1 Samuël 19:23-2 Samuël 2:11
- 14.2 Samuël 2:15-2 Samuël 15:7
- 15.2 Samuël 15:8-1 Koningen 3:11
- 16.1 Koningen 3:15-1 Koningen 16:28
- 17.1 Koningen 16:29-2 Koningen 9:36
- 18.2 Koningen 10:1-2 Koningen 25:28
- 19.1 Kronieken 1:10-1 Kronieken 20:6
- 20.1 Kronieken 20:8-2 Kronieken 12:14
- 21.2 Kronieken 13:2-2 Kronieken 30:14
- 22.2 Kronieken 30:17-Ezra 6:8
- 23.Ezra 6:9-Nehemia 12:27
- 24.Nehemia 12:44-Job 15:28
- 25.Job 16:10-Psalmen 56:13
- 26.Psalmen 57:3-Psalmen 143:8
- 27.Psalmen 145:2-Spreuken 30:18
- 28.Spreuken 30:31-Jesaja 7:20
- 29.Jesaja 7:21-Jesaja 36:12
- 30.Jesaja 36:22-Jeremia 5:5
- 31.Jeremia 5:28-Jeremia 28:4
- 32.Jeremia 28:14-Jeremia 46:14
- 33.Jeremia 46:21-Ezechiël 21:11
- 34.Ezechiël 21:15-Daniël 2:29
- 35.Daniël 2:35-Amos 2:15
- 36.Amos 2:16-Zacharia 11:16
- 37.Zacharia 12:3-Mattheüs 14:7
- 38.Mattheüs 14:8-Markus 3:21
- 39.Markus 4:1-Lukas 1:19
- 40.Lukas 1:25-Lukas 12:24
- 41.Lukas 12:25-Johannes 4:21
- 42.Johannes 4:32-Handelingen 8:9
- 43.Handelingen 8:14-Handelingen 18:18
- 44.Handelingen 18:19-Handelingen 27:21
- 45.Handelingen 27:22-1 Corinthiërs 4:14
- 46.1 Corinthiërs 5:5-Galaten 1:9
- 47.Galaten 1:10-1 Thessalonicenzen 4:9
- 48.1 Thessalonicenzen 4:11-Hebreeën 10:19
- 49.Hebreeën 10:25-Openbaring 22:8
- 50.Openbaring 22:12-Openbaring 22:16
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (193)
- Exodus (136)
- Leviticus (87)
- Numberi (126)
- Deuteronomium (222)
- Jozua (120)
- Richteren (165)
- Ruth (24)
- 1 Samuël (223)
- 2 Samuël (186)
- 1 Koningen (154)
- 2 Koningen (164)
- 1 Kronieken (137)
- 2 Kronieken (229)
- Ezra (73)
- Nehemia (71)
- Esther (52)
- Job (78)
- Psalmen (169)
- Spreuken (96)
- Prediker (60)
- Hooglied (10)
- Jesaja (205)
- Jeremia (257)
- Klaagliederen (10)
- Ezechiël (131)
- Daniël (81)
- Hosea (27)
- Joël (8)
- Amos (27)
- Obadja (3)
- Jona (12)
- Micha (18)
- Nahum (2)
- Habakuk (9)
- Zefanja (7)
- Zacharia (49)
- Maleachi (7)
- Mattheüs (158)
- Markus (109)
- Lukas (190)
- Johannes (69)
- Handelingen (262)
- Romeinen (73)
- 1 Corinthiërs (62)
- 2 Corinthiër (48)
- Galaten (29)
- Efeziërs (23)
- Filippenzen (23)
- Colossenzen (11)
- 1 Thessalonicenzen (19)
- 2 Thessalonicenzen (11)
- 1 Timotheüs (18)
- 2 Timotheüs (13)
- Titus (10)
- Filémon (4)
- Hebreeën (57)
- Jakobus (5)
- 1 Petrus (10)
- 2 Petrus (11)
- 1 Johannes (2)
- 2 Johannes (1)
- 3 Johannes (4)
- Judas (4)
- Openbaring (48)