'Uit' in de Bijbel
- 1.Genesis 2:6-Genesis 41:6
- 2.Genesis 41:12-Exodus 14:30
- 3.Exodus 15:20-Leviticus 9:24
- 4.Leviticus 10:2-Numberi 20:11
- 5.Numberi 20:14-Deuteronomium 8:9
- 6.Deuteronomium 8:14-Jozua 8:18
- 7.Jozua 8:22-Richteren 14:9
- 8.Richteren 14:14-1 Samuël 19:8
- 9.1 Samuël 19:24-1 Koningen 5:13
- 10.1 Koningen 6:1-2 Koningen 10:22
- 11.2 Koningen 10:26-1 Kronieken 21:10
- 12.1 Kronieken 21:11-2 Kronieken 24:6
- 13.2 Kronieken 24:23-Esther 6:9
- 14.Esther 7:8-Psalmen 18:45
- 15.Psalmen 19:2-Psalmen 107:6
- 16.Psalmen 107:13-Jesaja 16:2
- 17.Jesaja 16:10-Jeremia 8:1
- 18.Jeremia 8:3-Jeremia 50:9
- 19.Jeremia 50:16-Ezechiël 29:13
- 20.Ezechiël 30:13-Amos 1:5
- 21.Amos 1:8-Mattheüs 7:4
- 22.Mattheüs 7:5-Markus 9:7
- 23.Markus 9:9-Lukas 20:12
- 24.Lukas 20:20-Johannes 16:2
- 25.Johannes 16:14-Handelingen 22:14
- 26.Handelingen 22:18-Galaten 2:15
- 27.Galaten 2:16-1 Johannes 2:19
- 28.1 Johannes 2:21-Openbaring 19:15
- 29.Openbaring 19:21-Openbaring 22:19
Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.
Hij voerde hen uit de duisternis en de schaduw des doods, en Hij brak hun banden.
Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.
Hij zond Zijn woord uit, en heelde hen, en rukte hen uit hun kuilen.
Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, zo voerde Hij hen uit hun angsten.
Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
Maar Hij brengt den nooddruftige uit de verdrukking in een hoog vertrek, en maakt de huisgezinnen als kudden.
Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid; want des mensen heil is ijdelheid.
Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde.
En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken.
Dat zij gedurig voor den HEERE zijn; en Hij roeie hun gedachtenis uit van de aarde.
De HEERE zal de scepter Uwer sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden Uwer vijanden.
Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag Uwer heirkracht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder des dageraads zal U de dauw Uwer jeugd zijn.
Hij zal op den weg uit de beek drinken; daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen.
Pe. Hij strooit uit, hij geeft den nooddruftige; Tsade. zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; Koph. zijn hoorn zal verhoogd worden in eer.
Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt;
Toen Israel uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk, dat een vreemde taal had;
Uit de benauwdheid heb ik den HEERE aangeroepen; de HEERE heeft mij verhoord, stellende mij in de ruimte.
Gezegend zij hij, die daar komt in den Naam des HEEREN! Wij zegenen ulieden uit het huis des HEEREN.
Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.
Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.
Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.
Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.
Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.
De HEERE zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens;
Een lied Hammaaloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!
De HEERE zegene u uit Sion, Hij, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.
Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.
Geloofd zij de HEERE uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah!
En heeft Israel uit het midden van hen uitgebracht; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend; Uw hand strekt Gij uit tegen den toorn mijner vijanden, en Uw rechterhand behoudt mij.
Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.
Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel.
[ (Psalms 142:8) Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer Gij wel bij mij zult gedaan hebben. ]
Ik breid mijn handen uit tot U; mijn ziel is voor U als een dorstig land. Sela.
O HEERE! maak mij levend, om Uws Naams wil; voer mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid.
En roei mijn vijanden uit, om Uw goedertierenheid, en breng hen om, allen, die mijn ziel beangstigen; want ik ben Uw knecht.
Bliksem bliksem, en verstrooi hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen.
Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden;
Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen.
Hallelujah! Looft den HEERE uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen!
Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput;
Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.
Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;
De rechtvaardige wordt uit benauwdheid bevrijd; en de goddeloze komt in zijn plaats.
In de overtreding der lippen is de strik des bozen; maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen.
Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
De goddeloze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen.
Elk van de menigte der mensen roept zijn weldadigheid uit; maar wie zal een recht trouwen man vinden?
Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.
Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel.
Als er geen hout is, gaat het vuur uit; en als er geen oorblazer is, wordt het gekijf gestild.
Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, alzo is een man, die omdoolt uit zijn plaats.
Een man, die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen.
Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
De sprinkhanen hebben geen koning; nochtans gaan zij allen uit, zich verdelende in hopen.
Teth. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat des nachts niet uit.
Jod. Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten den spinrok.
Caph. Zij breidt haar handpalm uit tot den ellendige; en zij steekt haar handen uit tot den nooddruftige.
Er is een tijd om geboren te worden, en een tijd om te sterven; een tijd om te planten, en een tijd om het geplante uit te roeien;
Zij gaan allen naar een plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof.
Want een komt uit het gevangenhuis, om koning te zijn; daar ook een, die in zijn koninkrijk geboren is, verarmt.
Wanneer gij een gelofte aan God zult beloofd hebben, stel niet uit dezelve te betalen; want Hij heeft geen lust aan zotten; wat gij zult beloofd hebben, betaal het.
Gelijk als hij voortgekomen is uit zijner moeders buik, alzo zal hij naakt wederkeren, gaande gelijk hij gekomen was; en hij zal niet medenemen van zijn arbeid, dat hij met zijn hand zou wegdragen.
Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze? Want gij zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen.
Dewelke mijn ziel nog zoekt, maar ik heb haar niet gevonden: een man uit duizend heb ik gevonden; maar een vrouw onder die allen heb ik niet gevonden.
Alzo heb ik ook gezien de goddelozen, die begraven waren, en degenen, die kwamen, en uit de plaats des Heiligen gingen, die werden vergeten in die stad, in dewelke zij recht gedaan hadden. Dit is ook ijdelheid.
Zekerlijk, dit alles heb ik in mijn hart gelegd, opdat ik dit alles klaarlijk mocht verstaan, dat de rechtvaardigen, en de wijzen, en hun werken in de hand Gods zijn; ook liefde, ook haat, weet de mens niet uit al hetgeen voor zijn aangezicht is.
Werp uw brood uit op het water, want gij zult het vinden na vele dagen.
Als de wolken vol geworden zijn, zo storten zij plasregen uit op de aarde; en als de boom naar het zuiden, of als hij naar het noorden valt, in de plaats, waar de boom valt, daar zal hij wezen.
De prediker zocht aangename woorden uit te vinden, en het geschrevene is recht, woorden der waarheid.
Indien gij het niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen! zo ga uit op de voetstappen der schapen, en weid uw geiten bij de woningen der herderen.
Mijn Liefste is gelijk een ree, of een welp der herten; ziet, Hij staat achter onzen muur, kijkende uit de vensteren, blinkende uit de tralien.
Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook, en met allerlei poeder des kruideniers?
Gaat uit, en aanschouwt, gij, dochteren van Sion! den koning Salomo, met de kroon, waarmede Hem Zijn moeder kroonde op den dag Zijner bruiloft, en op den dag der vreugde Zijns harten.
Uw tanden zijn als een kudde schapen, die geschoren zijn, die uit de wasstede opkomen; die al te zamen tweelingen voortbrengen, en geen onder hen is jongeloos.
O fontein der hoven, put der levende wateren, die uit Libanon vloeien!
Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, Hij was doorgegaan; mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet, ik riep Hem, doch Hij antwoordde mij niet.
Uw tanden zijn als een kudde schapen, die uit de wasstede opkomen, die al te zamen tweelingen voortbrengen, en onder dezelve is geen jongeloos.
Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste? Onder den appelboom heb ik u opgewekt, daar heeft u uw moeder met smart voortgebracht, daar heeft zij u met smart voortgebracht, die u gebaard heeft.
En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.
Wanneer iemand zijn broeder uit het huis zijns vaders zal aangrijpen, zeggende: Gij hebt een kleed, wees ons ten overste, laat toch dezen aanstoot onder uw hand wezen;
Het gelaat huns aangezichts getuigt tegen hen, en hun zonden spreken zij vrij uit, gelijk Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hunlieder ziel; want zij doen zichzelven kwaad.
Als de Heere zal afgewassen hebben den drek der dochteren van Sion, en de bloedschulden van Jeruzalem zal verdreven hebben uit derzelver midden, door den Geest des oordeels, en door den Geest der uitbranding.
En de HEERE zeide tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, gij en uw zoon, Schear-Jaschub, aan het einde van den watergang des oppersten vijvers, aan den hogen weg van het veld des vollers;
Eis u een teken van den HEERE, uw God; eis beneden in de diepte, of eis boven uit de hoogte.
Ook al de bergen, die men met houwelen pleegt om te hakken, daar zal men niet komen uit vrees der doornen en der distelen; maar die zullen wezen tot inzending van den os, en tot vertreding van het kleinvee.
Daarom zal de HEERE afhouwen uit Israel den kop en den staart, den tak en de bieze, op een dag.
Hoewel hij het zo niet meent, en zijn hart alzo niet denkt, maar hij zal in zijn hart hebben te verdelgen, en uit te roeien niet weinige volken.
Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isai, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen.
En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israel verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier einden des aardrijks.
En er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel Zijns volks, dat overgebleven zal zijn van Assur, gelijk als Israel geschiedde ten dage, toen het uit Egypteland optoog.
En gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils;
Zij komen uit verren lande, van het einde des hemels; de HEERE en de instrumenten Zijner gramschap, om dat ganse land te verderven.
Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij, die de heidenen krenktet!
Verheug u niet, gij gans Palestina! dat de roede die u sloeg, gebroken is; want uit de wortel der slang zal een basilisk voortkomen, en haar vrucht zal een vurige vliegende draak zijn.
Anderszins zal het geschieden, dat de dochteren van Moab aan de veren van Arnon zullen zijn, als een zwervende vogel, uit het nest gedreven zijnde.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 2:6-Genesis 41:6
- 2.Genesis 41:12-Exodus 14:30
- 3.Exodus 15:20-Leviticus 9:24
- 4.Leviticus 10:2-Numberi 20:11
- 5.Numberi 20:14-Deuteronomium 8:9
- 6.Deuteronomium 8:14-Jozua 8:18
- 7.Jozua 8:22-Richteren 14:9
- 8.Richteren 14:14-1 Samuël 19:8
- 9.1 Samuël 19:24-1 Koningen 5:13
- 10.1 Koningen 6:1-2 Koningen 10:22
- 11.2 Koningen 10:26-1 Kronieken 21:10
- 12.1 Kronieken 21:11-2 Kronieken 24:6
- 13.2 Kronieken 24:23-Esther 6:9
- 14.Esther 7:8-Psalmen 18:45
- 15.Psalmen 19:2-Psalmen 107:6
- 16.Psalmen 107:13-Jesaja 16:2
- 17.Jesaja 16:10-Jeremia 8:1
- 18.Jeremia 8:3-Jeremia 50:9
- 19.Jeremia 50:16-Ezechiël 29:13
- 20.Ezechiël 30:13-Amos 1:5
- 21.Amos 1:8-Mattheüs 7:4
- 22.Mattheüs 7:5-Markus 9:7
- 23.Markus 9:9-Lukas 20:12
- 24.Lukas 20:20-Johannes 16:2
- 25.Johannes 16:14-Handelingen 22:14
- 26.Handelingen 22:18-Galaten 2:15
- 27.Galaten 2:16-1 Johannes 2:19
- 28.1 Johannes 2:21-Openbaring 19:15
- 29.Openbaring 19:21-Openbaring 22:19