12200 gebeurtenissen in 1 vertaling

'Van' in de Bijbel

Ook maakte Farao Necho Eljakim, den zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mede, en hij kwam in Egypte, en stierf aldaar.

VersbegrippenVerbannen KoningenMensen Die Mensen Andere Namen GevenKoningen Van Heel Israël Of Juda

En Jojakim gaf dat zilver en dat goud aan Farao; doch hij schatte het land, om dat geld naar het bevel van Farao te geven; een ieder naar zijn schatting eiste hij het zilver en goud af van het volk des lands, om aan Farao Necho te geven.

VersbegrippenBelastenEerbetoonBelastingWaardering Van MensenBelasting Die Betaald Moet Worden

Vijf en twintig jaren was Jojakim oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zebudda, een dochter van Pedaja, van Ruma.

VersbegrippenTien Tot Veertien JaarLeeftijd Wanneer GekroondMoeders Van Koningen

Zekerlijk geschiedde dit naar het bevel des HEEREN tegen Juda, dat Hij hen van Zijn aangezicht wegdeed, om de zonden van Manasse, naar alles, wat hij gedaan had;

VersbegrippenHet Gevolg Van De Afwijzing Van GodWeggedreven Van Gods Aanwezigheid

Het overige nu der geschiedenissen van Jojakim, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?

VersbegrippenHistorische BoekenVerwezenlijkingen

De koning nu van Egypte toog voortaan niet meer uit zijn land; want de koning van Babel had, van de rivier van Egypte af tot aan de rivier Frath, ingenomen al wat van den koning van Egypte was.

VersbegrippenZo Ver Als De Eufraat

Jojachin was achttien jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Nehusta, een dochter van Elnathan, van Jeruzalem.

VersbegrippenKoninginnenTwee Tot Vier MaandenLeeftijd Wanneer GekroondMoeders Van Koningen

Te dier tijd togen de knechten van Nebukadnezar, den koning van Babel, naar Jeruzalem; en de stad werd belegerd.

Zelfs kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, tegen de stad, als zijn knechten die belegerden.

Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot den koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar zijner regering.

VersbegrippenEdelenKoningen Van JudaOvergave

En hij bracht van daar uit al de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings; en hij hieuw alle gouden vaten af, die Salomo, de koning van Israel, in den tempel des HEEREN gemaakt had, gelijk als de HEERE gesproken had.

VersbegrippenPaleizenOpslaanSchatEerbetoonContainers BrekenVerwijderd Tempelgereedschap

Zo voerde hij Jojachin weg naar Babel, mitsgaders des konings moeder, en des konings vrouwen, en zijn hovelingen; daartoe de machtigen des lands bracht hij gevankelijk van Jeruzalem naar Babel;

VersbegrippenPolygamieVerbannen Koningen

En alle kloeke mannen tot zeven duizend, en timmerlieden en smeden tot een duizend, en alle helden, die ten oorlog geoefend waren; dezen bracht de koning van Babel gevankelijk naar Babel.

VersbegrippenBabylon, Israël Verbannen NaarTimmerluiZevenduizend

En de koning van Babel maakte Mattanja, deszelfs oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekia.

VersbegrippenMensen Die Mensen Andere Namen GevenKoningen Van Heel Israël Of Juda

Zedekia was een en twintig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hamutal, een dochter van Jeremia, van Libna.

VersbegrippenTien Tot Veertien JaarLeeftijd Wanneer GekroondMoeders Van Koningen

Want het geschiedde, om den toorn des HEEREN tegen Jeruzalem en tegen Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had. En Zedekia rebelleerde tegen den koning van Babel.

VersbegrippenOpstandenWeggedreven Van Gods Aanwezigheid

En het geschiedde in het negende jaar zijner regering, in de tiende maand, op den tienden der maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn ganse heir, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.

VersbegrippenVijanden Van Israël En JudaAanvallenInvasiesKoningenBelegeringReizenVoorbeelden Van OorlogLegers Tegen IsraëlFortenMaand 10Jaren Van Zedekia

Zo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van den koning Zedekia.

VersbegrippenMonotonieJaren Van Zedekia

Doch het heir der Chaldeen jaagde den koning na, en zij achterhaalden hem in de vlakke velden van Jericho, en zal zijn heir werd van bij hem verstrooid.

VersbegrippenSoldatenInhalen

Zij dan grepen den koning, en voerden hem opwaarts tot den koning van Babel, naar Ribla; en zij spraken een oordeel tegen hem.

En zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijn ogen, en men verblindde Zedekia's ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.

VersbegrippenHandicapsOnvriendelijkVervormingBronsVerblindendAndere VerblindingenZonen En Dochters DodenBronzen Ketenen

Daarna in de vijfde maand, op de zevenden der maand (dit was het negentiende jaar van Nebukadnezar, den koning van Babel) kwam Nebuzaradan, de overste der trawanten, de knecht des konings van Babel, te Jeruzalem.

VersbegrippenCommandantMaandMaand 5

En hij verbrandde het huis des HEEREN, en het huis des konings, mitsgaders alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen der groten verbrandde hij met vuur.

VersbegrippenPaleizenVernietiging Van HuizenVernietiging Van De TempelJeruzalem VerbrandenHuizen Onder Aanval

En het ganse heir de Chaldeen, dat met den overste der trawanten was, brak de muren van Jeruzalem rondom af.

VersbegrippenVernietiging Van JeruzalemVernietiging Van De Muur Van Jeruzalem

Het overige nu des volks, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot den koning van Babel gevallen waren, en het overige der menigte, voerde Nebuzaradan, de overste der trawanten, gevankelijk weg.

VersbegrippenBewakersRestBallingschap van Juda naar Babylon

Maar van de armsten des lands liet de overste der trawanten enigen overig tot wijngaardeniers en tot akkerlieden.

VersbegrippenBoerenRestKleine OverblijfselenPloegerImmigranten

De twee pilaren, de ene zee, en de stellingen, die Salomo voor het huis des HEEREN gemaakt had; het koper van al deze vaten was zonder gewicht.

VersbegrippenPijlers Voor De Tempel Van SalomoBrons VergarenTwee Delen Van Constructies

De hoogte van een pilaar was achttien ellen, en het kapiteel daarop was koper; en de hoogte des kapiteels was drie ellen; en het net, en de granaatappelen op het kapiteel rondom, waren alle van koper; en dezen gelijk had de andere pilaar, met het net.

VersbegrippenAfmetingen Van PilarenGranaatappels

En uit de stad nam hij een hoveling, die over de krijgslieden gesteld was, en vijf mannen uit degenen, die des konings aangezicht zagen, die in de stad gevonden werden, mitsgaders den oversten schrijver des heirs, die het volk des lands ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk des lands, die in de stad gevonden werden.

VersbegrippenDienstplichtSchriftgeleerdenSecretarisVijf MensenDe Jaren Zestig

Als Nebuzaradan, de overste der trawanten, dezen genomen had, zo bracht hij hen tot den koning van Babel, naar Ribla.

En de koning van Babel sloeg hen, en doodde hen te Ribla, in het land van Hamath. Alzo werd Juda uit zijn land gevankelijk weggevoerd.

VersbegrippenThuisDe Aard Van BestraffingVoorbeelden Van OorlogBallingschap van Juda naar BabylonIsraëlieten Doden

Maar aangaande het volk, dat in het land van Juda overgebleven was, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, had laten overblijven, daarover stelde hij Gedalia, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan.

VersbegrippenOverlevenden Van Israël

Toen nu al de oversten der heiren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia tot overste gesteld had, kwamen zij tot Gedalia naar Mizpa; namelijk, Ismael, de zoon van Nethanja, en Johanan, de zoon van Kareah, en Seraja, de zoon van Tanhumeth, de Netofathiet, en Jaazanja, de zoon van den Maachathiet, zij en hun mannen.

En Gedalia zwoer hun en hun mannen, en zeide tot hen: Vreest niet van te zijn knechten der Chaldeen, blijft in het land, en dient den koning van Babel, zo zal het u wel gaan.

VersbegrippenWees Niet Bang Van Mensen

Maar het geschiedde in de zevende maand, dat Ismael, de zoon van Nethanja, den zoon van Elisama, van koninklijk zaad, kwam, en tien mannen met hem; en zij sloegen Gedalia, dat hij stierf; mitsgaders de Joden en de Chaldeen, die met hem te Mizpa waren.

VersbegrippenTien MensenMaand 7Genoemde Individuen Doden

Toen maakte zich al het volk op, van de minste tot den meeste, en de oversten der heiren, en kwamen in Egypte; want zij vreesden voor de Chaldeen.

VersbegrippenReizenGroot En KleinAngst Van De Vijand

Het geschiedde daarna in het zeven en dertigste jaar der wegvoering van Jojachin, den koning van Juda, in de twaalfde maand, op den zeven en twintigsten der maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel, in het jaar, als hij koning werd, het hoofd van Jojachin, den koning van Juda, uit het gevangenhuis, verhief.

VersbegrippenMaand 12Hoofden OpheffenMensen Die Bevrijd Worden Door MensenKoningen Van Juda

En aangaande zijn tering, een gedurige tering werd hem van den koning gegeven, elk dagelijks bestemde deel op zijn dag, al de dagen zijns levens.

VersbegrippenEenmaal Per DagVoedsel Verdelen

De kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras.

En de kinderen van Gomer waren Askenaz, en Difath, en Thogarma.

En de kinderen van Javan waren Elisa en Tharsisa, de Chittieten en Dodanieten.

De kinderen van Cham waren Cusch en Mitsraim, Put, en Kanaan.

En de kinderen van Cusch waren Seba, en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha; en de kinderen van Raema waren Scheba en Dedan.

En de Pathrusieten, en de Casluchieten, (van welke de Filistijnen zijn voortgekomen) en de Cafthorieten.

De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.

En Ofir, en Havila, en Jobab. Alle dezen waren zonen van Joktan.

De kinderen van Abraham waren Izak en Ismael.

VersbegrippenSarah

Dit zijn hun geboorten: de eerstgeborene van Ismael was Nebajoth, en Kedar, en Adbeel, en Mibsam,

VersbegrippenEerstgeboren Zonen

Jetur, Nafis, en Kedma; deze zijn de kinderen van Ismael.

De kinderen nu van Ketura, Abrahams bijwijf: die baarde Zimram, en Joksan, en Medan, en Midian, en Isbak, en Suah. En de kinderen van Joksan waren Scheba en Dedan.

VersbegrippenConcubines

De kinderen van Midian nu waren Efa, en Efer, en Henoch, en Abida, en Eldaa. Die allen waren zonen van Ketura.

Abraham nu gewon Izak. De zonen van Izak waren Ezau en Israel.

En de kinderen van Ezau: Elifaz, Rehuel, en Jehus, en Jaelam, en Korah.

De kinderen van Elifaz waren Theman, en Omar, Zefi, en Gaetham, Kenaz, en Timna, en Amalek.

De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.

De kinderen van Seir nu waren Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, en Dison, en Ezer, en Disan.

De kinderen van Lotan nu waren Hori en Homam; en de zuster van Lotan was Timna.

De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zibeon waren Aja en Ana.

De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran.

De kinderen van Ezer waren Bilhan, en Zaavan, en Jaakan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran.

Dit nu zijn de koningen, die geregeerd hebben in het land van Edom, eer er een koning regeerde over de kinderen Israels: Bela, de zoon van Beor; en de naam zijner stad was Dinhaba.

En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra.

En Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg; en den naam zijner stad was Avith.

En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats.

En Samla stierf, en Saul, van Rehoboth aan de rivier, regeerde in zijn plaats.

En Saul stierf, en Baal-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.

Als Baal-Hanan stierf, zo regeerde Hadad in zijn plaats, en de naam zijner stad was Pahi, en de naam zijner huisvrouw was Mehetabeel, de dochter van Matred, dochter van Mee-Sahab.

De vorst Magdiel, de vorst Iram. Dezen waren de vorsten van Edom.

Dezen zijn de kinderen van Israel: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,

De kinderen van Juda zijn: Er, en Onan, en Sela; drie zijn er hem geboren van de dochter van Sua, de Kanaanietische; en Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen des HEEREN; daarom doodde Hij hem.

VersbegrippenEerstgeboreneEerstgeboren ZonenGod Dodend

Maar Thamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. Al de zonen van Juda waren vijf.

VersbegrippenVijf MensenSchoondochters

De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.

En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf.

VersbegrippenVijf Mensen

En de kinderen van Charmi waren Achan, de beroerder van Israel, die zich aan het verbannene vergreep.

VersbegrippenDe Vervloekte

De kinderen van Ethan nu waren Azaria.

En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeel, en Ram, en Chelubai.

Ram nu gewon Amminadab, en Amminadab gewon Nahesson, den vorst der kinderen van Juda;

En hun zusters waren Zeruja en Abigail. De kinderen nu van Zeruja waren Abisai, en Joab, en Asa-El drie.

En Abigail baarde Amasa; en de vader van Amasa was Jether, een Ismaeliet.

Kaleb nu, de zoon van Hezron, gewon kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.

Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, den vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaren oud was; en zij baarde hem Segub.

Segub nu gewon Jair; en hij had drie en twintig steden in het land van Gilead.

En hij nam Gesur en Aram, met de vlekken van Jair, van dezelve, met Kenath, en haar onderhorige plaatsen, zestig steden. Deze allen zijn zonen van Machir, den vader van Gilead.

VersbegrippenDe Jaren Zestig

En na den dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Aschur, de vader van Thekoa.

De kinderen van Jerahmeel nu, den eerstgeborene van Hezron, waren deze: de eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, en Oren, en Ozem en Ahia.

VersbegrippenEerstgeboren Zonen

Jerahmeel had nog een andere vrouw, welker naam was Atara; zij was de moeder van Onam.

En de kinderen van Ram, den eerstgeborene van Jerahmeel waren Maaz, en Jamin, en Eker.

VersbegrippenEerstgeboren Zonen

En de kinderen van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abisur.

De naam nu der huisvrouw van Abisur was Abihail: die baarde hem Achban en Molid.

En de kinderen van Nadab waren Seled en Appaim; en Seled stierf zonder kinderen.

En de kinderen van Appaim waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai.

En de kinderen van Jada, den broeder van Sammai, waren Jether en Jonathan; en Jether is gestorven zonder kinderen.

De kinderen van Jonathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jerahmeel.

De kinderen van Kaleb nu, den broeder van Jerahmeel, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, den vader van Hebron.

VersbegrippenEerstgeboren Zonen

De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappuah, en Rekem, en Sema.

Sema nu gewon Raham, den vader van Jorkeam, en Rekem gewon Sammai.

De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur.

En Efa, het bijwijf van Kaleb, baarde Haran, en Moza, en Gazez; en Haran gewon Gazez.

De kinderen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa, en Saaf.

Public domain