12200 gebeurtenissen in 1 vertaling

'Van' in de Bijbel

En de huisvrouw van Saaf, den vader van Madmanna, baarde Seva, den vader van Machbena, en den vader van Gibea; en de dochter van Kaleb was Achsa.

Dit waren de kinderen van Kaleb, den zoon van Hur, den eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-Jearim;

VersbegrippenEerstgeboren Zonen

Salma, de vader der Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader.

De kinderen van Sobal, den vader van Kirjath-Jearim, waren Haroe en Hazihammenuchoth.

En de geslachten van Kirjath-Jearim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraieten; van dezen zijn uitgegaan de Zoraieten en de Esthaolieten.

De kinderen van Salma waren de Bethlehemieten, en de Netofathieten, Atroth, Beth-Joab, en de helft der Manathieten, en de Zorieten.

En de huisgezinnen der schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; dezen zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, den vader van het huis van Rechab.

VersbegrippenSchriftgeleerden

Dezen nu waren de kinderen van David, die hem te Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, van Ahinoam, de Jizreelietische; de tweede Daniel, van Abigail, de Karmelietische;

VersbegrippenEerstgeboren Zonen

De derde Absalom, de zoon van Maacha, de dochter van Thalmai, de koning te Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Haggith;

De vijfde Sefatja, van Abital; de zesde Jithream, van zijn huisvrouw Egla.

Dezen nu zijn hem te Jeruzalem geboren: Simea, en Sobab, en Nathan, en Salomo; deze vier zijn van Bath-Sua, de dochter van Ammiel;

Deze allen zijn zonen van David, behalve de kinderen der bijwijven, en Thamar hun zuster.

De zonen van Josia nu waren dezen: de eerstgeborene Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekia, de vierde Sallum.

VersbegrippenEerstgeboren Zonen

De kinderen van Jojakim nu waren: Jechonia zijn zoon, Zedekia zijn zoon.

En de kinderen van Jechonia waren Assir; zijn zoon was Sealthiel;

De kinderen van Pedaja nu waren Zerubbabel en Simei; en de kinderen van Zerubbabel waren Mesullam en Hananja; en Selomith was hunlieder zuster;

De kinderen van Hananja nu waren Pelatja en Jesaja. De kinderen van Refaja, de kinderen van Arnan, de kinderen van Obadja, de kinderen van Sechanja.

De kinderen nu van Sechanja waren Semaja; en de kinderen van Semaja waren Hattus, en Jigeal, en Bariah, en Nearja, en Safat; zes.

En de kinderen van Nearja waren Eljoenai, en Hizkia, en Azrikam; drie.

En de kinderen van Eljoenai waren Hodajeva, en Eljasib, en Pelaja, en Akkub, en Johanan, en Delaja, en Anani; zeven.

De kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal.

En Reaja, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahumai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten;

En dezen zijn van den vader Etam: Jizreel, en Isma, en Idbas; en de naam hunner zuster was Hazelelponi.

En Pnuel was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, den eerstgeborene van Efratha, den vader van Bethlehem.

VersbegrippenEerstgeboren Zonen

Asschur nu, de vader van Thekoa, had twee vrouwen, Hela en Naara.

VersbegrippenPolygamie

En Naara baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Temeni, en Haahastari. Dit zijn de kinderen van Naara.

En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.

En Koz gewon Anub en Hazobeba, en de huisgezinnen van Aharlel, den zoon van Harum.

En Chelub, de broeder van Suha, gewon Mechir; hij is de vader van Eston.

Eston nu gewon Beth-rafa, en Pasea, en Tehinna, den vader van Ir-nahas; dit zijn de mannen van Recha.

En de kinderen van Kenaz waren Othniel en Seraja; en de kinderen van Othniel, Hathath.

De kinderen van Kaleb nu, den zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naam; en de kinderen van Ela, te weten Kenaz.

En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thirea en Asareel.

En de kinderen van Ezra waren Jether, en Mered, en Efer, en Jalon; en zij baarde Mirjam, en Sammai, en Isbah, den vader van Esthemoa.

En zijn Joodse huisvrouw baarde Jered, den vader van Gedor, en Heber, den vader van Socho, en Jekuthiel, den vader van Bitja, de dochter van Farao, die Mered genomen had.

En de kinderen van de huisvrouw Hodija, de zuster van Naham, waren Abi-Kehila, de Garmiet, en Esthemoa, de Maachathiet.

En de kinderen van Simon nu waren Amnon en Rinna, Ben-hanan en Tilon; en de kinderen van Isei waren Zoheth en Ben-Zoheth.

De kinderen van Sela, den zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Maresa; en de huisgezinnen van het huis der linnenwerkers in het huis Asbea.

VersbegrippenLinnenBeroepen

Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.

VersbegrippenOude Dingen

De kinderen van Simeon waren Nemuel en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.

De kinderen van Misma waren dezen: Hammuel zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simei zijn zoon.

Simei nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen; en hun ganse huisgezin werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda.

VersbegrippenZes MensenZestien

Doch Mesobab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amazia,

En Joel, en Jehu, de zoon van Jesibja, den zoon van Saraja, den zoon van Asiel,

En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;

En zij gingen tot aan den ingang van Gedor tot het oosten des dals, om weide te zoeken voor hun schapen.

En zij vonden vette en goede weide, en een land, wijd van begrip, en stil, en gerust; want die van Cham woonden daar tevoren.

VersbegrippenGoddelijke Vrede In OT

Dezen nu, die met namen beschreven zijn, kwamen in de dagen van Hizkia, den koning van Juda, en zij sloegen de tenten en woningen dergenen, die daar gevonden werden; en zij verbanden hen, tot op dezen dag; en zij woonden aan hun plaats, want daar was weide voor hun schapen.

VersbegrippenVernietigingUitroeiing

Ook gingen uit hen, te weten uit de kinderen van Simeon, vijfhonderd mannen, tot het gebergte van Seir; en Pelatja, en Nearja, en Refaja, en Izziel, de zonen van Isei, waren hun tot hoofden.

VersbegrippenAmalekietenVier- Tot Vijfhonderd

De kinderen van Ruben nu, den eerstgeborene van Israel; (want hij was de eerstgeborene; maar dewijl hij zijns vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, den zoon van Israel; doch niet alzo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht;

VersbegrippenConcubinesGeboorterechtEerstgeboren Zonen

Want Juda werd machtig onder zijn broederen, en die tot een voorganger was, was uit hem; doch de eerstgeboorte was van Jozef.)

VersbegrippenHeersers

De kinderen van Ruben, den eerstgeborene van Israel, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi.

De kinderen van Joel: zijn zoon Semaja; zijn zoon Gog; zijn zoon Simei;

VersbegrippenGog En Magog

Zijn zoon Beera, welken Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrie, gevankelijk wegvoerde; hij was de vorst der Rubenieten.

VersbegrippenVerbanning van Israël naar Assyrië

En Bela, de zoon van Azaz, den zoon van Sema, den zoon van Joel, die woonde te Aroer, en tot aan Nebo, en Baal-Meon,

En hij woonde tegen het oosten, tot den ingang der woestijn, van de rivier Frath af; want hun vee was veel geworden in het land van Gilead.

VersbegrippenVee Houden

En in de dagen van Saul voerden zij krijg tegen de Hagarenen, die vielen door hun hand; en zij woonden in hun tenten tegen de gehele oostzijde van Gilead.

VersbegrippenOost

De kinderen van Gad nu woonden tegen hen over, in het land van Basan, tot Salcha toe.

Dezen zijn de kinderen van Abihail, den zoon van Huri, den zoon van Jaroah, den zoon van Gilead, den zoon van Michael, den zoon van Jesisai, den zoon van Jahdo, den zoon van Buz.

Ahi, de zoon van Abdiel, den zoon van Guni, was het hoofd van het huis hunner vaderen.

VersbegrippenDirecteurschap

En zij woonden in Gilead, in Basan, en in haar onderhorige plaatsen, en in al de voorsteden van Saron, tot aan hun uitgangen.

VersbegrippenDorpen

Deze allen zijn naar hun geslachtsregisters geteld, in de dagen van Jotham, den koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, den koning van Israel.

Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het heir.

VersbegrippenMilitairSchildenVaardigheidBoogschutters In LegersVeertig Duizend En Meer

Doch zij werden geholpen tegen hen, en de Hagarenen werden in hun hand gegeven, en allen, die met hen waren; omdat zij tot God riepen in den krijg, zo liet Hij Zich van hen verbidden, dewijl zij op Hem vertrouwden.

VersbegrippenAbrahamBeantwoord GebedAntwoord Op GebedHet Belang Van VertrouwenHuilen Tot GodHet Effect Van GeloofStrijd

En zij voerden hun vee gevankelijk weg; van hun kemelen vijftig duizend, en tweehonderd en vijftig duizend schapen, en twee duizend ezelen, en honderd duizend zielen der mensen.

VersbegrippenVeeVee HoudenTweeduizendVijftig Tot Negentig DuizendHonderdduizend En MeerTweehonderd Duizend En Meer

Want er vielen vele verwonden, dewijl de strijd van God was; en zij woonden in hun plaats, totdat zij gevankelijk weggevoerd werden.

De kinderen nu van den halven stam van Manasse woonden in dat land. Zij werden vermenigvuldigd van Basan tot aan Baal-Hermon, en Senir, en den berg Hermon.

VersbegrippenBreuken, Een Half

Dezen nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jisei, en Eliel, en Azriel, en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiel; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen.

Zo verwekte de God Israels den geest van Pul, den koning van Assyrie, en den geest van Tiglath-Pilneser, den koning van Assyrie, die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en den halven stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op dezen dag.

VersbegrippenBallingschap In AssyriëVerbanning van Israël naar Assyrië

De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.

De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziel.

En de kinderen van Amram waren Aaron, en Mozes en Mirjam; en de kinderen van Aaron waren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.

VersbegrippenAaron, Voorouders En Genealogie

En Jozadak ging mede, als de HEERE Juda en Jeruzalem gevankelijk wegvoerde door de hand van Nebukadnezar.

Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.

En dit zijn de namen der zonen van Gerson: Libni en Simei.

En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel.

De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. En dit zijn de huisgezinnen der Levieten, naar hun vaderen.

Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma;

De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;

De kinderen van Elkana nu waren Amasia en Ahimoth.

De zonen van Samuel nu waren dezen: zijn eerstgeborene was Vasni, daarna Abia.

De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simei; zijn zoon Uzza;

En zij dienden voor den tabernakel van de tent der samenkomst met gezangen, totdat Salomo het huis des HEEREN te Jeruzalem bouwde; en zij stonden naar hun wijze in hun ambt.

VersbegrippenTent Van OntmoetingToedienen

Dezen nu zijn ze, die daar stonden met hun zonen; van de zonen der Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joel, den zoon van Samuel,

Den zoon van Elkana, den zoon van Jeroham, den zoon van Eliel, den zoon van Toah,

Den zoon van Zuf, den zoon van Elkana, den zoon van Mahath, den zoon van Amasai,

Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,

Den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah,

Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israel.

En zijn broeder Asaf stond aan zijn rechter zijde; Asaf was de zoon van Berechja, den zoon van Simea,

VersbegrippenJuiste Kant

Den zoon van Michael, den zoon van Baeseja, den zoon van Malchija,

Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,

Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,

Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.

Hunne broeders nu, de kinderen van Merari, stonden aan de linker zijde, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, den zoon van Abdi, den zoon van Malluch,

VersbegrippenVrijmetselarij

Den zoon van Hasabja, den zoon van Amazia, den zoon van Hilkia,

Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer,

Den zoon van Maheli, den zoon van Musi, den zoon van Merari, den zoon van Levi.

Hun broeders nu, de Levieten, waren gegeven tot allerlei dienst des tabernakels van het huis Gods.

VersbegrippenOpdracht

Aaron nu en zijn zonen rookten op het altaar des brandoffers, en op het reukaltaar, zijnde besteld tot al het werk van het heilige der heiligen, en om over Israel verzoening te doen, naar alles wat Mozes, de knecht Gods, geboden had.

VersbegrippenPlechtighedenWierookPriesterschap in OTHet Instituut Priesters In De Tijd Van OTHeiligdom

Public domain