'Van' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:9-Genesis 10:7
- 2.Genesis 10:14-Genesis 23:3
- 3.Genesis 23:4-Genesis 28:11
- 4.Genesis 28:13-Genesis 36:25
- 5.Genesis 36:26-Genesis 44:9
- 6.Genesis 44:12-Exodus 2:6
- 7.Exodus 2:8-Exodus 12:7
- 8.Exodus 12:12-Exodus 23:28
- 9.Exodus 23:29-Exodus 29:22
- 10.Exodus 29:24-Exodus 37:23
- 11.Exodus 37:25-Leviticus 4:11
- 12.Leviticus 4:13-Leviticus 11:25
- 13.Leviticus 11:32-Leviticus 19:6
- 14.Leviticus 19:9-Numberi 1:2
- 15.Numberi 1:3-Numberi 3:50
- 16.Numberi 4:2-Numberi 7:56
- 17.Numberi 7:59-Numberi 13:15
- 18.Numberi 13:16-Numberi 19:4
- 19.Numberi 19:6-Numberi 26:19
- 20.Numberi 26:20-Numberi 32:29
- 21.Numberi 32:30-Numberi 36:13
- 22.Deuteronomium 1:1-Deuteronomium 9:11
- 23.Deuteronomium 9:12-Deuteronomium 21:13
- 24.Deuteronomium 21:15-Deuteronomium 32:24
- 25.Deuteronomium 32:25-Jozua 7:2
- 26.Jozua 7:4-Jozua 12:16
- 27.Jozua 12:17-Jozua 18:17
- 28.Jozua 18:19-Jozua 23:14
- 29.Jozua 23:15-Richteren 6:18
- 30.Richteren 6:19-Richteren 11:28
- 31.Richteren 11:29-Richteren 19:17
- 32.Richteren 19:18-Ruth 4:18
- 33.1 Samuël 1:1-1 Samuël 10:10
- 34.1 Samuël 10:11-1 Samuël 17:34
- 35.1 Samuël 17:36-1 Samuël 25:12
- 36.1 Samuël 25:14-2 Samuël 2:24
- 37.2 Samuël 2:25-2 Samuël 11:15
- 38.2 Samuël 11:17-2 Samuël 18:27
- 39.2 Samuël 18:31-2 Samuël 24:9
- 40.2 Samuël 24:13-1 Koningen 6:1
- 41.1 Koningen 6:2-1 Koningen 9:15
- 42.1 Koningen 9:16-1 Koningen 15:7
- 43.1 Koningen 15:9-1 Koningen 20:19
- 44.1 Koningen 20:20-2 Koningen 3:5
- 45.2 Koningen 3:7-2 Koningen 9:9
- 46.2 Koningen 9:10-2 Koningen 14:15
- 47.2 Koningen 14:16-2 Koningen 18:17
- 48.2 Koningen 18:18-2 Koningen 23:33
- 49.2 Koningen 23:34-1 Kronieken 2:47
- 50.1 Kronieken 2:49-1 Kronieken 6:49
- 51.1 Kronieken 6:50-1 Kronieken 11:8
- 52.1 Kronieken 11:11-1 Kronieken 18:9
- 53.1 Kronieken 18:11-1 Kronieken 26:27
- 54.1 Kronieken 26:28-2 Kronieken 5:8
- 55.2 Kronieken 5:12-2 Kronieken 14:13
- 56.2 Kronieken 14:15-2 Kronieken 22:5
- 57.2 Kronieken 22:6-2 Kronieken 28:27
- 58.2 Kronieken 29:1-2 Kronieken 35:4
- 59.2 Kronieken 35:5-Ezra 2:62
- 60.Ezra 2:63-Ezra 8:34
- 61.Ezra 9:1-Nehemia 6:18
- 62.Nehemia 7:2-Nehemia 11:4
- 63.Nehemia 11:5-Esther 2:20
- 64.Esther 2:21-Job 7:16
- 65.Job 7:19-Job 31:2
- 66.Job 31:18-Psalmen 16:4
- 67.Psalmen 17:1-Psalmen 38:1
- 68.Psalmen 38:7-Psalmen 65:4
- 69.Psalmen 65:11-Psalmen 83:1
- 70.Psalmen 83:6-Psalmen 109:16
- 71.Psalmen 109:17-Psalmen 137:1
- 72.Psalmen 137:3-Spreuken 11:4
- 73.Spreuken 11:10-Spreuken 25:24
- 74.Spreuken 25:27-Hooglied 1:5
- 75.Hooglied 1:9-Jesaja 7:23
- 76.Jesaja 7:25-Jesaja 19:22
- 77.Jesaja 19:23-Jesaja 33:21
- 78.Jesaja 33:23-Jesaja 44:28
- 79.Jesaja 45:3-Jesaja 60:4
- 80.Jesaja 60:6-Jeremia 6:25
- 81.Jeremia 6:29-Jeremia 17:5
- 82.Jeremia 17:8-Jeremia 26:18
- 83.Jeremia 26:19-Jeremia 33:10
- 84.Jeremia 33:12-Jeremia 40:1
- 85.Jeremia 40:4-Jeremia 48:46
- 86.Jeremia 49:1-Jeremia 52:21
- 87.Jeremia 52:25-Ezechiël 7:14
- 88.Ezechiël 7:15-Ezechiël 17:7
- 89.Ezechiël 17:9-Ezechiël 25:6
- 90.Ezechiël 25:8-Ezechiël 33:14
- 91.Ezechiël 33:18-Ezechiël 41:9
- 92.Ezechiël 41:10-Ezechiël 48:11
- 93.Ezechiël 48:12-Daniël 6:21
- 94.Daniël 6:27-Hosea 7:4
- 95.Hosea 7:5-Amos 5:6
- 96.Amos 5:10-Micha 6:5
- 97.Micha 6:7-Haggaï 2:18
- 98.Haggaï 2:19-Maleachi 3:7
- 99.Maleachi 4:4-Mattheüs 12:22
- 100.Mattheüs 12:23-Mattheüs 20:23
- 101.Mattheüs 20:24-Markus 1:14
- 102.Markus 1:19-Markus 9:25
- 103.Markus 9:30-Lukas 1:70
- 104.Lukas 1:71-Lukas 7:19
- 105.Lukas 7:21-Lukas 13:17
- 106.Lukas 13:22-Lukas 23:27
- 107.Lukas 23:28-Johannes 7:14
- 108.Johannes 7:17-Johannes 16:9
- 109.Johannes 16:10-Handelingen 4:11
- 110.Handelingen 4:13-Handelingen 12:14
- 111.Handelingen 12:19-Handelingen 19:11
- 112.Handelingen 19:12-Handelingen 26:7
- 113.Handelingen 26:9-Romeinen 11:22
- 114.Romeinen 11:24-1 Corinthiërs 10:27
- 115.1 Corinthiërs 10:29-2 Corinthiër 8:19
- 116.2 Corinthiër 8:20-Efeziërs 1:17
- 117.Efeziërs 1:18-1 Thessalonicenzen 2:5
- 118.1 Thessalonicenzen 2:6-Titus 1:6
- 119.Titus 1:10-Hebreeën 12:15
- 120.Hebreeën 12:16-2 Petrus 3:6
- 121.2 Petrus 3:12-Openbaring 7:15
- 122.Openbaring 7:17-Openbaring 22:21
En zij sloegen ook de tenten van het vee, en voerden weg schapen in menigte, en kemelen; en kwamen weder te Jeruzalem.
Toen kwam de Geest Gods op Azaria, den zoon van Oded.
En hij ging uit, Asa tegen, en hij zeide tot hem: Hoort mij, Asa, en gans Juda, en Benjamin! De HEERE is met ulieden, terwijl gij met Hem zijt; en zo gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar zo gij Hem verlaat, Hij zal u verlaten.
Maar als zij zich in hun nood bekeerden tot den HEERE, den God Israels, en Hem zochten, zo werd Hij van hen gevonden.
En in die tijden was er geen vrede voor dengene, die uitging, en dengene, die inkwam; maar vele beroerten waren over al de inwoners van die landen;
Als nu Asa deze woorden hoorde, en de profetie van den profeet Oded, sterkte hij zich, en hij deed weg de verfoeiselen uit het ganse land van Juda en Benjamin, en uit de steden, die hij van het gebergte van Efraim genomen had, en vernieuwde het altaar des HEEREN, dat voor het voorhuis des HEEREN was.
En zij vergaderden zich te Jeruzalem, in de derde maand, in het vijftiende jaar van het koninkrijk van Asa.
En zij offerden den HEERE ten zelfden dage van den roof, dien zij gebracht hadden, zevenhonderd runderen en zeven duizend schapen.
En al wie den HEERE, den God Israels, niet zou zoeken, zou gedood worden, van den kleine tot den grote, en van den man tot de vrouw toe.
En gans Juda was verblijd over dezen eed; want zij hadden met hun ganse hart gezworen, en met hun gansen wil Hem gezocht; en Hij werd van hen gevonden, en de HEERE gaf hun rust rondom henen.
Aangaande ook Maacha, de moeder van den koning Asa, hij zette haar af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijken afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa haar afgrijselijken afgod uit, en verbrijzelde en verbrandde hem aan de beek Kidron.
De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israel, het hart van Asa nochtans was volkomen al zijn dagen.
En er was geen oorlog tot in het vijf en dertigste jaar van het koninkrijk van Asa.
In het zes en dertigste jaar van het koninkrijk van Asa, toog Baesa, de koning van Israel, op tegen Juda, en bouwde Rama, opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, den koning van Juda.
Toen bracht Asa het zilver en het goud voort, uit de schatten van het huis des HEEREN en van het huis des konings, en zond tot Benhadad, den koning van Syrie, die te Damaskus woonde, zeggende:
Er is een verbond tussen mij en tussen u, en tussen mijn vader en tussen uw vader; zie, ik zend u zilver en goud, ga heen, maak uw verbond te niet met Baesa, den koning van Israel, dat hij van tegen mij aftrekke.
En Benhadad hoorde naar den koning Asa, en zond de oversten der heiren, die hij had, tegen de steden van Israel, en zij sloegen Ijon, en Dan, en Abel-Maim, en alle schatsteden van Nafthali.
En het geschiedde, als Baesa zulks hoorde, dat hij afliet van Rama te bouwen, en zijn werk staakte.
Toen nam de koning Asa gans Juda, en zij droegen weg de stenen van Rama, en het hout daarvan, waarmede Baesa gebouwd had; en hij bouwde daarmede Geba en Mizpa.
En in denzelfden tijd kwam de ziener Hanani tot Asa, den koning van Juda, en hij zeide tot hem: Omdat gij gesteund hebt op den koning van Syrie, en niet gesteund hebt op den HEERE, uw God, daarom is het heir des konings van Syrie uit uw hand ontkomen.
Want den HEERE aangaande, Zijn ogen doorlopen de ganse aarde, om Zich sterk te bewijzen aan degenen, welker hart volkomen is tot Hem; gij hebt hierin zottelijk gedaan; want van nu af zullen oorlogen tegen u zijn.
En ziet, de geschiedenissen van Asa, de eerste met de laatste, ziet, zij zijn beschreven in het boek der koningen van Juda en Israel.
Asa nu werd, in het negen en dertigste jaar van zijn koninkrijk, krank aan zijn voeten; tot op het hoogste toe was zijn krankheid; daartoe ook zocht hij den HEERE niet in zijn krankheid, maar de medicijnmeesters.
En zij begroeven hem in zijn graf, dat hij voor zich gegraven had in de stad Davids, en legden hem op het bed, hetwelk hij gevuld had met specerijen, en dat van verscheidene soorten, naar apothekerskunst toebereid; en zij brandden over hem een ganse grote branding.
En hij legde krijgsvolk in alle vaste steden van Juda, en legde bezettingen in het land van Juda, en in de steden van Efraim, die zijn vader Asa ingenomen had.
Maar hij zocht den God zijns vaders, en wandelde in Zijn geboden, en niet naar het doen van Israel.
In het derde jaar nu zijner regering zond hij tot zijn vorsten, tot Ben-chail, en tot Obadja, en tot Zecharja, en tot Nathaneel, en tot Michaja, opdat men zou leren in de steden van Juda.
En zij leerden in Juda, en het wetboek des HEEREN was bij hen; en zij gingen rondom in alle steden van Juda, en leerden onder het volk.
En van de Filistijnen brachten zij Josafat geschenken met het opgelegde geld; ook brachten hem de Arabieren klein vee, zeven duizend en zevenhonderd rammen, en zeven duizend en zevenhonderd bokken.
En hij had veel werks in de steden van Juda, en krijgslieden, kloeke helden in Jeruzalem.
En naast hem was Amasia, de zoon van Zichri, die zich vrijwillig den HEERE overgegeven had; en met hem waren tweehonderd duizend kloeke helden.
En ten einde van enige jaren toog hij af tot Achab naar Samaria; en Achab slachtte schapen en runderen voor hem in menigte, en voor het volk, dat met hem was; en hij porde hem aan, om op te trekken naar Ramoth in Gilead.
Want Achab, de koning van Israel, zeide tot Josafat, den koning van Juda: Zult gij met mij gaan naar Ramoth in Gilead? En hij zeide tot hem: Zo zal ik zijn, gelijk gij zijt, en gelijk uw volk is, zal mijn volk zijn, en wij zullen met u zijn in dezen krijg.
Verder zeide Josafat tot den koning van Israel: Vraag toch als heden naar het woord des HEEREN.
Toen vergaderde de koning van Israel de profeten, vierhonderd mannen, en hij zeide tot hen: Zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want God zal hen in de hand des konings geven.
Maar Josafat zeide: Is hier niet nog een profeet des HEEREN, dat wij van hem vragen mochten?
Toen zeide de koning van Israel tot Josafat: Er is nog een man, om door hem den HEERE te vragen; maar ik haat hem, want hij profeteert over mij niets goeds, maar altijd kwaad; deze is Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zeide: de koning zegge niet alzo.
Toen riep de koning van Israel een kamerling, en hij zeide: Haal haastelijk Micha, den zoon van Jimla.
De koning van Israel nu en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met hun klederen, en zij zaten op het plein, aan de deur der poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun tegenwoordigheid.
En Zedekia, de zoon van Kenaana, had zich ijzeren hoornen gemaakt, en hij zeide: Zo zegt de HEERE: Met deze zult gij de Syriers stoten, totdat gij hen gans verdaan zult hebben.
De bode nu, die heengegaan was, om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie, de woorden der profeten zijn, uit een mond, goed tot den koning; dat nu toch uw woord zij, gelijk als van een uit hen, en spreek het goede.
Toen zeide de koning van Israel tot Josafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goeds, maar kwaad profeteren?
En de HEERE zeide: Wie zal Achab, den koning van Israel, overreden, dat hij optrekke, en valle te Ramoth in Gilead? Daarna zeide Hij: Deze zegt aldus, en die zegt alzo.
En Hij zeide: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in den mond van al zijn profeten. En Hij zeide: Gij zult overreden, en zult ook vermogen; ga uit, en doe alzo.
Nu dan, zie, de HEERE heeft een leugengeest in den mond van deze uw profeten gegeven, en de HEERE heeft kwaad over u gesproken.
Toen trad Zedekia, de zoon van Kenaana, toe, en sloeg Micha op het kinnebakken, en hij zeide: Door wat weg is de Geest des HEEREN van mij doorgegaan, om u aan te spreken?
En Micha zeide: Zie, gij zult het zien aan dienzelfden dag, als gij zult gaan van kamer in kamer, om u te versteken.
De koning van Israel nu zeide: Neemt Micha, en brengt hem weder tot Amon, den overste der stad, en tot Joas, den zoon des konings;
Alzo toog de koning van Israel, en Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.
En de koning van Israel zeide tot Josafat: Als ik mij versteld heb, zal ik in den strijd komen; maar gij, trek uw klederen aan. Alzo verstelde zich de koning van Israel, en zij kwamen in den strijd.
De koning nu van Syrie had geboden aan de oversten der wagens, die hij had, zeggende: Gijlieden zult niet strijden tegen kleinen noch groten, maar tegen den koning van Israel alleen.
Het geschiedde dan, als de oversten der wagenen Josafat zagen, dat zij zeiden: Die is de koning van Israel; en zij togen rondom hem, om te strijden; maar Josafat riep, en de HEERE hielp hem, en God wendde hen van hem af.
Want het geschiedde, als de oversten der wagenen zagen, dat het de koning van Israel niet was, dat zij van achter hem afkeerden.
Toen spande een man den boog in zijn eenvoudigheid, en schoot den koning van Israel tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zeide hij tot den voerman: Keer uw hand en voer mij uit het leger, want ik ben verwond.
En de strijd nam op dien dag toe, en de koning van Israel deed zich met den wagen staande houden tegenover de Syriers, tot den avond toe; en hij stierf ter tijd, als de zon onderging.
En Josafat, de koning van Juda, keerde met vrede weder naar zijn huis te Jeruzalem.
En Jehu, de zoon van Hanani, de ziener, ging uit, hem tegen, en zeide tot den koning Josafat: Zoudt gij den goddeloze helpen, en die den HEERE haten, liefhebben? Nu is daarom over u van het aangezicht des HEEREN grote toornigheid.
Josafat nu woonde in Jeruzalem; en hij toog wederom uit door het volk, van Ber-seba af tot het gebergte van Efraim toe, en deed hen wederkeren tot den HEERE, hunner vaderen God.
En hij stelde richters in het land, in alle vaste steden van Juda, van stad tot stad.
En hij zeide tot de richters: Ziet wat gij doet, want gij houdt het gericht niet den mens, maar den HEERE; en Hij is bij u in de zaak van het gericht.
Nu dan, de verschrikking des HEEREN zij op ulieden; neemt waar, en doet het; want bij den HEERE, onzen God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken.
Daartoe stelde Josafat ook te Jeruzalem enige van de Levieten, en van de priesteren, en van de hoofden der vaderen van Israel, over het gericht des HEEREN, en over rechtsgeschillen, als zij weder te Jeruzalem gekomen waren.
En in alle geschil, hetwelk van uw broederen, die in hun steden wonen, tot u zal komen, tussen bloed en bloed, tussen wet en gebod, en inzettingen en rechten, zo vermaant hen, dat zij niet schuldig worden aan den HEERE, en een grote toornigheid over u en over uw broederen zij; doet alzo, en gij zult niet schuldig worden.
En ziet, Amarja, den hoofdpriester, is over u in alle zaak des HEEREN; en Zebadja, de zoon van Ismael, de vorst van het huis van Juda, in alle zaak des konings; ook zijn de ambtlieden, de Levieten, voor uw aangezicht; weest sterk en doet het, en de HEERE zal met den goede zijn.
Toen kwamen er, die Josafat boodschapten, zeggende: Daar komt een grote menigte tegen u van gene zijde der zee, uit Syrie, en zie, zij zijn te Hazezon-Thamar, hetwelk is Engedi.
En Juda werd vergaderd, om van den HEERE hulp te zoeken; ook kwamen zij uit alle steden van Juda, om den HEERE te zoeken.
En Josafat stond in de gemeente van Juda en Jeruzalem, in het huis des HEEREN, voor het nieuwe voorhof.
Hebt Gij niet, onze God, de inwoners dezes lands van voor het aangezicht van Uw volk Israel verdreven, en dat aan het zaad van Abraham, Uw liefhebber, tot in eeuwigheid gegeven?
En nu, zie de kinderen Ammons, en Moab, en die van het gebergte Seir, door dewelken Gij Israel niet toeliet te trekken, als zij uit Egypteland togen, maar zij weken van hen, en verdelgden hen niet;
Toen kwam de Geest des HEEREN in het midden der gemeente, op Jahaziel, den zoon van Zecharja, den zoon van Benaja, den zoon van Jehiel, den zoon van Matthanja, den Leviet, uit de zonen van Asaf;
En hij zeide: Merkt op, geheel Juda, en gij, inwoners van Jeruzalem, en gij, koning Josafat! Alzo zegt de HEERE tot ulieden: Vreest gijlieden niet, en wordt niet ontzet vanwege deze grote menigte; want de strijd is niet uwe, maar Gods.
Trekt morgen tot hen af; ziet, zij komen op bij den opgang van Ziz; en gij zult hen vinden in het einde des dals, voor aan de woestijn van Jeruel.
Toen neigde zich Josafat met het aangezicht ter aarde; en gans Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen neder voor het aangezicht des HEEREN, aanbiddende den HEERE.
En zij maakten zich des morgens vroeg op, en togen uit naar de woestijn van Thekoa; en als zij uittogen, stond Josafat en zeide: Hoort mij, o Juda, en gij, inwoners van Jeruzalem! Gelooft in den HEERE, uw God, zo zult gij bevestigd worden; gelooft aan Zijn profeten, en gij zult voorspoedig zijn.
Ter tijd nu, als aanhieven met een vreugdegeroep en lofzang, stelde de HEERE achterlagen tegen de kinderen Ammons, Moab, en die van het gebergte Seir, die tegen Juda gekomen waren; en zij werden geslagen.
Want de kinderen Ammons en Moab stonden op tegen de inwoners van het gebergte Seir, om te verbannen en te verdelgen; en als zij met de inwoners van Seir een einde gemaakt hadden, hielpen zij de een den ander ten verderve.
En op den vierden dag vergaderden zij zich in het dal van Beracha, want daar loofden zij den HEERE; daarom noemden zij den naam dierzelver plaats het dal van Beracha, tot op dezen dag.
Daarna keerden alle mannen van Juda en Jeruzalem weder, en Josafat in de voorspitse van hen, om wederom met blijdschap tot Jeruzalem te komen; want de HEERE had hen verblijd over hun vijanden.
En er werd een verschrikking Gods over alle koninkrijken dier landen, als zij hoorden, dat de HEERE tegen de vijanden van Israel gestreden had.
Alzo was het koninkrijk van Josafat stil; en zijn God gaf hem rust rondom henen.
Zo regeerde Josafat over Juda; hij was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Azuba, een dochter van Silhi.
En hij wandelde in den weg van zijn vader Asa, en hij week daarvan niet af, doende dat recht was in de ogen des HEEREN.
Het overige nu der geschiedenissen van Josafat, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Jehu, den zoon van Hanani, die men hem optekenen deed in het boek der koningen van Israel.
Doch na dezen vergezelschapte zich Josafat, de koning van Juda, met Ahazia, den koning van Israel; die handelde goddelooslijk in zijn doen.
Maar Eliezer, de zoon van Dodava, van Maresa, profeteerde tegen Josafat, zeggende: Omdat gij u met Ahazia vergezelschapt hebt, heeft de HEERE uw werken verscheurd. Alzo werden de schepen verbroken, dat zij niet konden naar Tharsis gaan.
En hij had broederen, Josafats zonen, Azarja, en Jehiel, en Zecharja, en Azarjahu, en Michael, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, den koning van Israel.
En hun vader had hun vele gaven gegeven van zilver, en van goud, en van kostelijkheden, met vaste steden in Juda; maar het koninkrijk gaf hij Joram, omdat hij de eerstgeborene was.
Als Joram tot het koninkrijk zijns vaders opgekomen was, en zich versterkt had, zo doodde hij al zijn broederen met het zwaard, mitsgaders ook enige van de vorsten van Israel.
En hij wandelde in de weg der koningen van Israel, gelijk als het huis van Achab deed; want hij had de dochter van Achab tot een vrouw; en hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN.
In zijn dagen vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, en zij maakten over zich een koning.
Evenwel vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, tot op dezen dag; toen ter zelfder tijd viel Libna af, van onder zijn gebied, want hij had den HEERE, den God zijner vaderen, verlaten.
Ook maakte hij hoogten op de bergen van Juda; en hij deed de inwoners van Jeruzalem hoereren, ja, hij dreef Juda daartoe.
Zo kwam een schrift tot hem van den profeet Elia, zeggende: Alzo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Omdat gij in de wegen van uw vader Josafat, en in de wegen van Asa, den koning van Juda, niet gewandeld hebt;
Maar hebt gewandeld in den weg der koningen van Israel, en hebt Juda en de inwoners van Jeruzalem doen hoereren, achtervolgens het hoereren van het huis van Achab; en ook uw broederen, van uws vaders huis, gedood hebt, die beter waren dan gij;
Dit geschiedde van jaar tot jaar, zodat, wanneer de tijd van het einde der twee jaren uitging, zijn ingewanden met de krankheid uitgingen, dat hij stierf van boze krankheden; en zijn volk maakte hem gene branding, als de branding zijner vaderen.
En de inwoners van Jeruzalem maakten Ahazia, zijn kleinsten zoon, koning in zijn plaats; want een bende, die met de Arabieren in het leger gekomen was, had al de eersten gedood. Ahazia dan, de zoon van Joram, de koning van Juda, regeerde.
Twee en veertig jaar was Ahazia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Athalia, een dochter van Omri.
Hij wandelde ook in de wegen van het huis van Achab; want zijn moeder was zijn raadgeefster, om goddelooslijk te handelen.
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk het huis van Achab; want zij waren zijn raadgevers, na den dood zijns vaders, hem ten verderve.
Hij wandelde ook in hun raad, en toog henen met Joram, den zoon van Achab, den koning van Israel, tot den strijd tegen Hazael, den koning van Syrie, bij Ramoth in Gilead; en de Syriers sloegen Joram.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:9-Genesis 10:7
- 2.Genesis 10:14-Genesis 23:3
- 3.Genesis 23:4-Genesis 28:11
- 4.Genesis 28:13-Genesis 36:25
- 5.Genesis 36:26-Genesis 44:9
- 6.Genesis 44:12-Exodus 2:6
- 7.Exodus 2:8-Exodus 12:7
- 8.Exodus 12:12-Exodus 23:28
- 9.Exodus 23:29-Exodus 29:22
- 10.Exodus 29:24-Exodus 37:23
- 11.Exodus 37:25-Leviticus 4:11
- 12.Leviticus 4:13-Leviticus 11:25
- 13.Leviticus 11:32-Leviticus 19:6
- 14.Leviticus 19:9-Numberi 1:2
- 15.Numberi 1:3-Numberi 3:50
- 16.Numberi 4:2-Numberi 7:56
- 17.Numberi 7:59-Numberi 13:15
- 18.Numberi 13:16-Numberi 19:4
- 19.Numberi 19:6-Numberi 26:19
- 20.Numberi 26:20-Numberi 32:29
- 21.Numberi 32:30-Numberi 36:13
- 22.Deuteronomium 1:1-Deuteronomium 9:11
- 23.Deuteronomium 9:12-Deuteronomium 21:13
- 24.Deuteronomium 21:15-Deuteronomium 32:24
- 25.Deuteronomium 32:25-Jozua 7:2
- 26.Jozua 7:4-Jozua 12:16
- 27.Jozua 12:17-Jozua 18:17
- 28.Jozua 18:19-Jozua 23:14
- 29.Jozua 23:15-Richteren 6:18
- 30.Richteren 6:19-Richteren 11:28
- 31.Richteren 11:29-Richteren 19:17
- 32.Richteren 19:18-Ruth 4:18
- 33.1 Samuël 1:1-1 Samuël 10:10
- 34.1 Samuël 10:11-1 Samuël 17:34
- 35.1 Samuël 17:36-1 Samuël 25:12
- 36.1 Samuël 25:14-2 Samuël 2:24
- 37.2 Samuël 2:25-2 Samuël 11:15
- 38.2 Samuël 11:17-2 Samuël 18:27
- 39.2 Samuël 18:31-2 Samuël 24:9
- 40.2 Samuël 24:13-1 Koningen 6:1
- 41.1 Koningen 6:2-1 Koningen 9:15
- 42.1 Koningen 9:16-1 Koningen 15:7
- 43.1 Koningen 15:9-1 Koningen 20:19
- 44.1 Koningen 20:20-2 Koningen 3:5
- 45.2 Koningen 3:7-2 Koningen 9:9
- 46.2 Koningen 9:10-2 Koningen 14:15
- 47.2 Koningen 14:16-2 Koningen 18:17
- 48.2 Koningen 18:18-2 Koningen 23:33
- 49.2 Koningen 23:34-1 Kronieken 2:47
- 50.1 Kronieken 2:49-1 Kronieken 6:49
- 51.1 Kronieken 6:50-1 Kronieken 11:8
- 52.1 Kronieken 11:11-1 Kronieken 18:9
- 53.1 Kronieken 18:11-1 Kronieken 26:27
- 54.1 Kronieken 26:28-2 Kronieken 5:8
- 55.2 Kronieken 5:12-2 Kronieken 14:13
- 56.2 Kronieken 14:15-2 Kronieken 22:5
- 57.2 Kronieken 22:6-2 Kronieken 28:27
- 58.2 Kronieken 29:1-2 Kronieken 35:4
- 59.2 Kronieken 35:5-Ezra 2:62
- 60.Ezra 2:63-Ezra 8:34
- 61.Ezra 9:1-Nehemia 6:18
- 62.Nehemia 7:2-Nehemia 11:4
- 63.Nehemia 11:5-Esther 2:20
- 64.Esther 2:21-Job 7:16
- 65.Job 7:19-Job 31:2
- 66.Job 31:18-Psalmen 16:4
- 67.Psalmen 17:1-Psalmen 38:1
- 68.Psalmen 38:7-Psalmen 65:4
- 69.Psalmen 65:11-Psalmen 83:1
- 70.Psalmen 83:6-Psalmen 109:16
- 71.Psalmen 109:17-Psalmen 137:1
- 72.Psalmen 137:3-Spreuken 11:4
- 73.Spreuken 11:10-Spreuken 25:24
- 74.Spreuken 25:27-Hooglied 1:5
- 75.Hooglied 1:9-Jesaja 7:23
- 76.Jesaja 7:25-Jesaja 19:22
- 77.Jesaja 19:23-Jesaja 33:21
- 78.Jesaja 33:23-Jesaja 44:28
- 79.Jesaja 45:3-Jesaja 60:4
- 80.Jesaja 60:6-Jeremia 6:25
- 81.Jeremia 6:29-Jeremia 17:5
- 82.Jeremia 17:8-Jeremia 26:18
- 83.Jeremia 26:19-Jeremia 33:10
- 84.Jeremia 33:12-Jeremia 40:1
- 85.Jeremia 40:4-Jeremia 48:46
- 86.Jeremia 49:1-Jeremia 52:21
- 87.Jeremia 52:25-Ezechiël 7:14
- 88.Ezechiël 7:15-Ezechiël 17:7
- 89.Ezechiël 17:9-Ezechiël 25:6
- 90.Ezechiël 25:8-Ezechiël 33:14
- 91.Ezechiël 33:18-Ezechiël 41:9
- 92.Ezechiël 41:10-Ezechiël 48:11
- 93.Ezechiël 48:12-Daniël 6:21
- 94.Daniël 6:27-Hosea 7:4
- 95.Hosea 7:5-Amos 5:6
- 96.Amos 5:10-Micha 6:5
- 97.Micha 6:7-Haggaï 2:18
- 98.Haggaï 2:19-Maleachi 3:7
- 99.Maleachi 4:4-Mattheüs 12:22
- 100.Mattheüs 12:23-Mattheüs 20:23
- 101.Mattheüs 20:24-Markus 1:14
- 102.Markus 1:19-Markus 9:25
- 103.Markus 9:30-Lukas 1:70
- 104.Lukas 1:71-Lukas 7:19
- 105.Lukas 7:21-Lukas 13:17
- 106.Lukas 13:22-Lukas 23:27
- 107.Lukas 23:28-Johannes 7:14
- 108.Johannes 7:17-Johannes 16:9
- 109.Johannes 16:10-Handelingen 4:11
- 110.Handelingen 4:13-Handelingen 12:14
- 111.Handelingen 12:19-Handelingen 19:11
- 112.Handelingen 19:12-Handelingen 26:7
- 113.Handelingen 26:9-Romeinen 11:22
- 114.Romeinen 11:24-1 Corinthiërs 10:27
- 115.1 Corinthiërs 10:29-2 Corinthiër 8:19
- 116.2 Corinthiër 8:20-Efeziërs 1:17
- 117.Efeziërs 1:18-1 Thessalonicenzen 2:5
- 118.1 Thessalonicenzen 2:6-Titus 1:6
- 119.Titus 1:10-Hebreeën 12:15
- 120.Hebreeën 12:16-2 Petrus 3:6
- 121.2 Petrus 3:12-Openbaring 7:15
- 122.Openbaring 7:17-Openbaring 22:21
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (591)
- Exodus (473)
- Leviticus (334)
- Numberi (702)
- Deuteronomium (336)
- Jozua (382)
- Richteren (346)
- Ruth (36)
- 1 Samuël (367)
- 2 Samuël (342)
- 1 Koningen (458)
- 2 Koningen (472)
- 1 Kronieken (520)
- 2 Kronieken (472)
- Ezra (206)
- Nehemia (232)
- Esther (90)
- Job (201)
- Psalmen (581)
- Spreuken (203)
- Prediker (54)
- Hooglied (45)
- Jesaja (494)
- Jeremia (670)
- Klaagliederen (35)
- Ezechiël (576)
- Daniël (159)
- Hosea (62)
- Joël (28)
- Amos (68)
- Obadja (7)
- Jona (23)
- Micha (46)
- Nahum (18)
- Habakuk (12)
- Zefanja (26)
- Haggaï (38)
- Zacharia (81)
- Maleachi (15)
- Mattheüs (294)
- Markus (182)
- Lukas (347)
- Johannes (230)
- Handelingen (384)
- Romeinen (103)
- 1 Corinthiërs (98)
- 2 Corinthiër (104)
- Galaten (48)
- Efeziërs (40)
- Filippenzen (32)
- Colossenzen (29)
- 1 Thessalonicenzen (31)
- 2 Thessalonicenzen (20)
- 1 Timotheüs (24)
- 2 Timotheüs (28)
- Titus (14)
- Filémon (6)
- Hebreeën (89)
- Jakobus (32)
- 1 Petrus (38)
- 2 Petrus (31)
- 1 Johannes (31)
- 2 Johannes (6)
- 3 Johannes (4)
- Judas (10)
- Openbaring (144)
Verwante onderwerpen
- Aanbieden Van Granen En Plengoffers
- Aard Van Evangelisatie
- Afkeer
- Afmetingen Van Tempelmeubilair
- Afstand
- Afwijzing Van God
- Alcohol
- Altaren Bouwen
- Alwetende God
- Andere Goden
- Babylon
- Bedden
- Begin
- Begrip
- Belasten
- Beleden Zonde
- Bescherming Tegen Vijanden
- Besprenkelen
- Bestuurders
- Bewaarders
- Beweging
- Beweringen
- Beëindiging
- Blauw-paars En Scharlaken
- Blauwe Doek
- Bloed
- Bloed Sprenkelen
- Boekhouden
- Bouwen
- Brieven
- Bronzen Voorwerpen Voor De Tabernakel
- Buigen
- Buitenaardse Wezens
- Cherubijn
- Christelijke Liefde
- Communicatie
- Confrontatie
- Dag Van De HEER
- Damascus
- De Aanwezigheid Van God
- De Aard Van Bediening
- De Aard Van Bekering
- De Aard Van Discipelschap
- De Aard Van God Kennen
- De Betekenis Van Mozes
- De Bron Van Menselijke Wijsheid
- De Daad Van Openen
- De Eerste Tempel
- De Functie Van Priesters In De Tijd Van OT
- De Geboorte Van Jezus
- De Glorie Van God
- De Invloed Van God Kennen
- De Jaren Vijftig
- De Jaren Zeventig
- De Ketenen Verbreken
- De Komst Van Het Koninkrijk Van God
- De Kracht Van God
- De Legale Aspecten Van Bestraffing
- De Menselijke Beschrijvingen Van God
- De Namen Voor Christus
- De Oorsprong Van Het Kwaad
- De Openbaring Van God
- De Reachtie Van Gelovigen Tegen Het Kwaad
- De Rol Van Profeten
- De Schoonheid Van Vrouwen
- De Vader
- De Wet Van Mozes
- De Zee Bevaren
- De Zon
- Deelname In Christus
- Deelname In Zonde
- Dertig
- Dienaren Van De Heer
- Dienstbaarheid
- Dienstbaarheid In Het Leven Van Gelovigen
- Dochters
- Doelen
- Donder
- Driehonderd En Meer
- Een Gebroken Hart
- Een Nieuwe Start
- Eenheid Is Het Doel Van God
- Eenheid Tussen Gods Mensen
- Eenhoorns
- Eenzaamheid
- Eerherstel
- Eerstgeboren Zonen
- Eerstgeborene
- Eigendom, Huizen
- Einde Van Dagen
- Ephah [Tien Omers]
- Feesten
- Fouten
- Funderingen
- Gasten
- Gebaren
- Geboden In NT
- Gebroken Hart
- Gebroken Harten
- Geesten
- Geheimhouding
- Geld Aan De Kerk Geven
- Geldmiddelen
- Genade Voor Jou
- Generaties
- Genieten Van Het Leven
- Genoemde Individuen Doden
- Genoemde Personen Die Kwaad Waren Op Anderen
- Genoemde Poorten
- Genoemde Profeten Van De Heer
- Geruchten
- Geschenken
- Getuige Zijn Van
- Gevallen En Verlost Hart
- Gevangenen
- Gewichten Van Goud
- Gezicht Van God
- God Als Verlosser
- God Behagen
- God Dodend
- God Haalt Israël Uit Egypte
- God Kennen
- God Redt Van De Vijanden
- God, De Eeuwige
- God, Levend En Zelfvoorzienend
- Gods Hand
- Gods Onthulde Dingen
- Gods Redding Bekend Gemaakt
- Gods Stem
- Gods Verborgen Dingen
- Gods Waarheid
- Gods Werk Verhinderen
- Gods Wil
- Goud
- Gouden Voorwerpen Voor Het Tabernakel
- Graad
- Graan
- Gretigheid
- Grootmoeders
- Haar
- Hand Van God
- Handel
- Handicaps
- Haren
- Hart En De Heilige Geest
- Hebzucht
- Heersers
- Heiligdom
- Heiligdommen
- Heiligen
- Heiliging
- Heiliging, Methodes En Resultaten
- Herder Als Beroep
- Herfst
- Hersteld In Jezus Christus
- Het Belang Van Vertrouwen
- Het Evangelie Verspreiden
- Het Instituut Priesters In De Tijd Van OT
- Het Verleden
- Historische Boeken
- Honderd En Enkelen
- Hoofden
- Hoofden Van Priestelijke Huishoudens
- Huisdieren
- Huizen
- Identiteit
- Identiteit Van Evangelisatie
- Ijzer
- Ijzeren Voorwerpen
- In De Tegenwoordigheid Van De Mens
- Israël
- Jacob De Patriarch
- Jeruzalem
- Jeugd
- Jezebel
- Jezelf Veranderen
- Jona
- Juiste Maatregelen
- Juk
- Karakter Van Het Kwaad
- Kenmerken Van Dwazen
- Ketenen
- Kleur
- Koningen
- Koningen Dienen
- Koningen Doden
- Koningen Van Juda
- Korte Tijd Voor Actie
- Leeftijd
- Leeftijd Bij Overlijden
- Leeftijd Wanneer Gekroond
- Lichaam
- Liederen
- Liefde En De Wereld
- Liefde Vinden
- Liegen En Bedrog
- Lijst van koningen van Israël
- Linnen
- Lippen
- Lof
- Maand
- Man Van God
- Melk En Honing
- Menigtes
- Menselijk Hart
- Menselijke En Goddelijke Heerschappij
- Menselijke Macht
- Menselijke Natuur
- Menselijke Perfectie
- Mensen Uit Je Leven Verwijderen
- Mensen Van Juda
- Mensen Van Ver Weg
- Messiaanse Profetieën
- Minnares
- Missie Van Israël
- Moeders Van Koningen
- Morele En Spirituele Zuiverheid
- Munstelsel
- Muren
- Muziek
- Nabijheid Van De Dood
- Nacht
- Namen En Titels Voor Christus
- Namen En Titels Voor De Christenen
- Namen En Titels Voor De Heilige Geest
- Nederlaag
- Niet Sterven
- Ochtend
- Offeringen Doden
- Officieren
- Olie
- Olie Op Offers
- Omhuld In Goud
- Ontrouw Aan God
- Ontvankelijkheid
- Oorzaken Van Lijden
- Oost
- Oost En West
- Opslaan
- Over De Discipelen Van Christus Zullen Lijden
- Overwinning Op Het Kwaad
- Paarse Stof
- Paleizen
- Passie
- Pijn
- Plannen
- Pogingen Om Bepaalde Mensen Te Doden
- Poorten
- Priesters Die Verzoenen
- Prinsen
- Psalmen Interjecties
- Redding
- Regen
- Regenboog
- Relatie Tussen Vader En Zoon
- Rest
- Reuzen
- Richting
- Rivieren
- Rivieren En Stromen
- Rood Materiaal
- Saul
- Schapen En Geiten
- School
- Schuwen
- Slaven Van God
- Soorten Muziekinstrumenten
- Spirituele Armoede
- Staan
- Stad
- Stammen Van Israël
- Stemmen
- Sterk Eindigen
- Strijdwagens
- Symbolen
- Syrië
- Taal
- Tafels
- Tekenen En Wonderen Van Het Evangelie
- Tenten
- Terughoudendheid
- Tien Dingen
- Tienden En Offers
- Tijd Van Vrede
- Tijden Van Mensen
- Toekomst
- Troon
- Trouw
- Twaalf Dingen
- Twaalf Wezens
- Twee Dieren
- Twintigduizend En Meer
- Types Van Christus
- Uitgestuurde Boodschappers
- Uitrusting, Fysiek
- Vaardigheid
- Vaklui
- Vals Vertrouwen
- Valse Goden
- Valse Religie
- Valse Vrienden
- Vanaf Het Begin
- Vanuit Het Noorden
- Vee Offeren
- Verboden Voedsel
- Verdergaan
- Verdriet
- Verenigingen Van Kwaad
- Verlatenheid
- Verlossing
- Vernietiging Van Jeruzalem
- Verordeningen
- Versterkingen
- Vertrouwen En Zelfrespect
- Verwezenlijkingen
- Vijanden Van Gelovigen
- Vijanden Van Israël En Juda
- Voedsel
- Voeten
- Voorbij Jordanië
- Voorbode
- Voorspelling Eindtijd
- Voorspellingen Over Christus
- Vormen Van Vervolging
- Vragen
- Vreemdelingen
- Waar Vandaan?
- Waardevolle Stenen
- Weed
- Wegen
- Westen
- Weten Over Gods Koninkrijk
- Wijn
- Woede En Vergiffenis
- Woord Van God
- Zee
- Zegels
- Zeilen
- Zeloten
- Zes- Tot Zevenhonderd
- Zeshonderd En Meer
- Zeven Dagen
- Zeven Dagen Voor Juridische Zaken
- Zeven- Tot Negenhonderd
- Ziekte
- Ziektes
- Zij Die God In Hun Handen Heeft Gegeven
- Zij Die Vroeg Opstonden
- Zilver
- Zion
- Zonde Veroorzaakt Dood
- Zonde, Bevrijding Van God
- Zonen
- Zorgen