'Weg' in de Bijbel
- 1.Genesis 3:24-Deuteronomium 24:9
- 2.Deuteronomium 25:17-1 Koningen 8:25
- 3.1 Koningen 8:32-2 Kronieken 28:8
- 4.2 Kronieken 30:14-Psalmen 119:29
- 5.Psalmen 119:30-Jesaja 48:17
- 6.Jesaja 49:11-Ezechiël 33:6
- 7.Ezechiël 33:8-Markus 1:2
- 8.Markus 1:3-1 Corinthiërs 16:2
- 9.1 Thessalonicenzen 3:11-Openbaring 21:10
Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.
Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.
He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israel zijn!
En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg.
Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.
Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op den weg, dien ik gaan zou.
Doe mij Uw goedertierenheid in den morgenstond horen, want ik betrouw op U; maak mij bekend den weg, dien ik te gaan heb, want ik hef mijn ziel tot U op.
De HEERE bewaart de vreemdelingen; Hij houdt den wees en de weduwe staande; maar der goddelozen weg keert Hij om.
Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.
Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een Schild dengenen, die oprechtelijk wandelen;
Opdat zij de paden des rechts houden; en Hij zal den weg Zijner gunstgenoten bewaren.
Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;
Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.
Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen.
Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.
Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.
Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;
Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.
Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen;
Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;
De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.
Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts;
Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.
Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:
De HEERE laat de ziel des rechtvaardigen niet hongeren; maar de have der goddelozen stoot Hij weg.
De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.
De gerechtigheid des oprechten maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.
De verkeerden van hart zijn den HEERE een gruwel; maar de oprechten van weg zijn Zijn welgevallen.
De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg der goddelozen doet hen dwalen.
In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.
De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.
Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
De weg der goddelozen is den HEERE een gruwel; maar dien, die de gerechtigheid najaagt, zal Hij liefhebben.
De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.
De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op den weg der gerechtigheid gevonden.
De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?
Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.
De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht.
Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.
Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.
Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.
Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een vat voor den smelter uitkomen;
Doe den goddelozen weg van het aangezicht des konings, en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.
De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.
Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beerven.
Een ongerechtig man is den rechtvaardige een gruwel; maar die recht is van weg, is den goddeloze een gruwel.
De weg eens arends in den hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart der zee; en de weg eens mans bij een maagd.
Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!
Een tijd om stenen weg te werpen, en een tijd om stenen te vergaderen; een tijd om te omhelzen, en een tijd om verre te zijn van omhelzen;
Een tijd om te zoeken, en een tijd om verloren te laten gaan; een tijd om te bewaren, en een tijd om weg te werpen;
Want met ijdelheid komt zij, en in duisternis gaat zij weg, en met duisternis wordt haar naam bedekt.
Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij.
En ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk, dat hij dwaas is.
Gelijk gij niet weet, welke de weg des winds zij, of hoedanig de beenderen zijn in den buik van een zwangere vrouw, alzo weet gij het werk Gods niet, Die het alles maakt.
Zo doe dan de toornigheid wijken van uw hart, en doe het kwade weg van uw vlees, want de jeugd, en de jonkheid is ijdelheid.
Ook wanneer zij voor de hoogte zullen vrezen, en dat er verschrikkingen zullen zijn op den weg, en de amandelboom zal bloeien, en dat de sprinkhaan zichzelven een last zal wezen, en dat de lust zal vergaan; want de mens gaat naar zijn eeuwig huis, en de rouwklagers zullen in de straat omgaan.
Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen.
De drijvers Mijns volks zijn kinderen, en vrouwen heersen over hetzelve. O Mijn volk! die u leiden, verleiden u, en den weg uwer paden slokken zij in.
En te dien dage zullen zeven vrouwen een man aangrijpen, zeggende: Ons brood zullen wij eten, en met onze klederen zullen wij bekleed zijn, laat ons alleenlijk naar uw naam genoemd worden, neem onze smaadheid weg.
En de HEERE zeide tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, gij en uw zoon, Schear-Jaschub, aan het einde van den watergang des oppersten vijvers, aan den hogen weg van het veld des vollers;
Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd, met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op den weg dezes volks, zeggende:
Als hij de aarde aanschouwen zal, ziet, er zal benauwdheid en duisternis zijn; hij zal verduisterd zijn door angst, en voortgedreven door donkerheid. [ (Isaiah 8:23) Maar het land, dat beangstigd was, zal niet gans verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan gelegen over de Jordaan, aan Galilea der heidenen. ]
En er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel Zijns volks, dat overgebleven zal zijn van Assur, gelijk als Israel geschiedde ten dage, toen het uit Egypteland optoog.
Mijn hart schreeuwt over Moab, haar grendelen zijn naar Zoar toe, de driejarige vaars; want hij gaat op met geween naar den opgang van Luhith, want op den weg naar Horonaim verwekken zij een jammergeschrei.
Te dien dage zal er een gebaande weg wezen van Egypte in Assyrie, dat de Assyriers in Egypte, en de Egyptenaars in Assyrie komen zullen; en de Egyptenaars zullen met de Assyriers den Heere dienen.
Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten, U, o HEERE! verwacht; tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziel.
Wijkt af van den weg, maakt u van de baan; laat den Heilige Israels van ons ophouden!
En uw oren zullen horen het woord desgenen, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in denzelven; als gij zoudt afwijken ter rechterhand of ter linkerhand.
En aldaar zal een verheven baan en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden; de onreine zal er niet doorgaan, maar hij zal voor deze zijn; die dezen weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen.
En de koning van Assyrie zond Rabsake van Lachis naar Jeruzalem tot den koning Hizkia, met een zwaar heir; en hij stond aan den watergang des oppersten vijvers, aan den hogen weg van het veld des vollers.
Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen, en Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door dien weg, door denwelken gij gekomen zijt.
Door den weg, dien hij gekomen is, door dien zal hij wederkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de HEERE.
Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God!
Met wien heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hem zou leren van het pad des rechts, en Hem wetenschap zou leren, en Hem zou bekend maken den weg des veelvoudigen verstands?
Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israel! mijn weg is voor den HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij?
En Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten.
Alzo zegt de HEERE, Die in de zee een weg, en in de sterke wateren een pad maakte;
Ziet, Ik zal wat nieuws maken, nu zal het uitspruiten, zult gijlieden dat niet weten? Ja, Ik zal in de woestijn een weg leggen, en rivieren in de wildernis.
Ik, Ik heb het gesproken, ook heb Ik hem geroepen; Ik zal hem doen komen, en hij zal voorspoedig zijn op zijn weg.
Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israels: Ik ben de HEERE, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op den weg, dien gij gaan moet.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 3:24-Deuteronomium 24:9
- 2.Deuteronomium 25:17-1 Koningen 8:25
- 3.1 Koningen 8:32-2 Kronieken 28:8
- 4.2 Kronieken 30:14-Psalmen 119:29
- 5.Psalmen 119:30-Jesaja 48:17
- 6.Jesaja 49:11-Ezechiël 33:6
- 7.Ezechiël 33:8-Markus 1:2
- 8.Markus 1:3-1 Corinthiërs 16:2
- 9.1 Thessalonicenzen 3:11-Openbaring 21:10