'Zal' in de Bijbel
- 1.Genesis 2:18-Genesis 25:23
- 2.Genesis 26:2-Genesis 49:1
- 3.Genesis 49:7-Exodus 12:26
- 4.Exodus 12:42-Exodus 23:7
- 5.Exodus 23:13-Exodus 32:34
- 6.Exodus 33:1-Leviticus 5:1
- 7.Leviticus 5:2-Leviticus 12:2
- 8.Leviticus 12:3-Leviticus 14:45
- 9.Leviticus 14:46-Leviticus 19:34
- 10.Leviticus 20:2-Leviticus 25:33
- 11.Leviticus 25:34-Numberi 4:16
- 12.Numberi 4:24-Numberi 16:29
- 13.Numberi 16:30-Numberi 30:13
- 14.Numberi 30:15-Deuteronomium 12:5
- 15.Deuteronomium 12:9-Deuteronomium 21:12
- 16.Deuteronomium 21:13-Deuteronomium 28:29
- 17.Deuteronomium 28:30-Jozua 6:17
- 18.Jozua 6:26-Ruth 1:16
- 19.Ruth 1:17-1 Samuël 18:8
- 20.1 Samuël 18:11-2 Samuël 14:8
- 21.2 Samuël 14:10-1 Koningen 9:9
- 22.1 Koningen 11:11-2 Koningen 5:18
- 23.2 Koningen 5:20-2 Kronieken 2:4
- 24.2 Kronieken 2:5-Esther 5:3
- 25.Esther 5:6-Job 18:8
- 26.Job 18:9-Job 40:2
- 27.Job 40:9-Psalmen 37:4
- 28.Psalmen 37:5-Psalmen 64:10
- 29.Psalmen 65:1-Psalmen 94:14
- 30.Psalmen 94:15-Psalmen 122:9
- 31.Psalmen 125:3-Spreuken 12:7
- 32.Spreuken 12:8-Spreuken 21:26
- 33.Spreuken 21:28-Prediker 8:15
- 34.Prediker 8:17-Jesaja 9:18
- 35.Jesaja 9:19-Jesaja 19:23
- 36.Jesaja 19:24-Jesaja 31:5
- 37.Jesaja 31:8-Jesaja 42:16
- 38.Jesaja 42:23-Jesaja 57:19
- 39.Jesaja 58:8-Jeremia 6:20
- 40.Jeremia 6:21-Jeremia 19:3
- 41.Jeremia 19:6-Jeremia 30:17
- 42.Jeremia 30:18-Jeremia 42:20
- 43.Jeremia 43:10-Jeremia 51:39
- 44.Jeremia 51:40-Ezechiël 13:23
- 45.Ezechiël 14:4-Ezechiël 23:48
- 46.Ezechiël 24:9-Ezechiël 33:29
- 47.Ezechiël 33:33-Ezechiël 44:27
- 48.Ezechiël 44:28-Daniël 11:2
- 49.Daniël 11:3-Hosea 9:3
- 50.Hosea 9:4-Amos 5:5
- 51.Amos 5:13-Micha 7:4
- 52.Micha 7:7-Haggaï 2:10
- 53.Haggaï 2:11-Zacharia 14:6
- 54.Zacharia 14:7-Mattheüs 10:42
- 55.Mattheüs 11:6-Mattheüs 24:41
- 56.Mattheüs 24:42-Markus 13:30
- 57.Markus 13:35-Lukas 12:10
- 58.Lukas 12:12-Johannes 4:14
- 59.Johannes 4:25-Handelingen 3:20
- 60.Handelingen 3:22-Romeinen 16:20
- 61.1 Corinthiërs 1:8-Filippenzen 1:18
- 62.Filippenzen 1:19-1 Johannes 2:28
- 63.1 Johannes 3:2-Openbaring 22:19
Maar als dat komt (zie, het zal komen!) dan zullen zij weten, dat er een profeet in het midden van hen geweest is.
Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik wil aan de herders, en zal Mijn schapen van hun hand eisen, en zal ze van het weiden der schapen doen ophouden, zodat de herders zichzelven niet meer zullen weiden; en Ik zal Mijn schapen uit hun mond rukken, zodat zij hun niet meer tot spijze zullen zijn.
Want zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik, ja, Ik zal naar Mijn schapen vragen, en zal ze opzoeken.
Gelijk een herder zijn kudde opzoekt, ten dage als hij in het midden zijner verspreide schapen is, alzo zal Ik Mijn schapen opzoeken; en Ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarhenen zij verstrooid zijn, ten dage der wolke en der donkerheid.
En Ik zal ze uitvoeren van de volken, en zal ze vergaderen uit de landen, en brengen ze in hun land; en Ik zal ze weiden op de bergen Israels, bij de stromen en in alle bewoonbare plaatsen des lands.
Op een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen Israels zal hun kooi zijn; aldaar zullen zij nederliggen in een goede kooi, en zullen weiden in een vette weide, op de bergen Israels.
Ik zal Mijn schapen weiden, en Ik zal ze legeren, spreekt de Heere HEERE.
Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken; maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal ze weiden met oordeel.
Want gij, o Mijn schapen! de Heere HEERE zegt alzo: Ziet, Ik zal richten tussen klein vee en klein vee, tussen de rammen en de bokken.
Daarom zegt de Heere HEERE alzo tot hen: Ziet Ik, ja, Ik zal richten tussen het vette klein vee, en tussen het magere klein vee.
Daarom zal Ik Mijn schapen verlossen, dat zij niet meer tot een roof zullen zijn; en Ik zal richten tussen klein vee en klein vee.
En Ik zal een enigen Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn.
En Ik, de HEERE, zal hun tot een God zijn; en Mijn knecht David zal Vorst zijn in het midden van hen, Ik, de HEERE, heb het gesproken.
En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, en zal het boos gedierte uit het land doen ophouden; en zij zullen zeker wonen in de woestijn, en slapen in de wouden.
Want Ik zal dezelve, en de plaatsen rondom Mijn heuvel, stellen tot een zegen; en Ik zal den plasregen doen nederdalen op zijn tijd, plasregens van zegen zullen er zijn.
En het geboomte des velds zal zijn vrucht geven, en het land zal zijn inkomst geven, en zij zullen zeker zijn in hun land; en zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik de disselbomen huns juks zal hebben verbroken, en hen gerukt uit de hand dergenen, die zich van hen deden dienen.
En zij zullen den heidenen niet meer ten roof zijn, en het wild gedierte der aarde zal ze niet meer vreten; maar zij zullen zeker wonen, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke.
En Ik zal hun een plant van naam verwekken; en zij zullen niet meer weggeraapt worden door honger in het land, en den smaad der heidenen niet meer dragen.
En zeg tot hetzelve: Alzo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o gebergte Seir! en Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en zal u stellen tot een verwoesting en een schrik.
Ik zal uw steden stellen tot eenzaamheid, en gij zult een verwoesting worden, en zult weten, dat Ik de HEERE ben.
Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE; Ik zal u voorzeker ten bloede bereiden, en het bloed zal u vervolgen; alzo gij het bloed niet hebt gehaat, zal u het bloed ook vervolgen.
En Ik zal het gebergte Seir tot de uiterste verwoesting stellen; en Ik zal uit hetzelve uitroeien dien, die er doorgaat, en dien, die wederkeert.
En Ik zal zijn bergen met zijn verslagenen vervullen; uw heuvelen, en uw dalen, en al uw stromen, in dezelve zullen de verslagenen van het zwaard liggen.
Tot eeuwige verwoestingen zal Ik u stellen, en uw steden zullen niet bewoond worden; alzo zult gij weten, dat Ik de HEERE ben.
Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE: Ik zal ook handelen naar uw toorn en naar uw nijdigheid, die gij uit uw haat tegen hen hebt te werk gesteld; en Ik zal bij hen bekend worden, wanneer Ik u zal gericht hebben.
Alzo zegt de Heere HEERE: Gelijk het ganse land verblijd is, alzo zal Ik u de verwoesting aandoen.
Gelijk gij u verblijd hebt over de erfenis van het huis Israels, omdat zij verwoest is, alzo zal Ik aan u doen; het gebergte van Seir, en gans Edom, zal geheel een verwoesting worden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.
Want ziet, Ik ben bij u, en Ik zal u aanzien, en gij zult gebouwd en bezaaid worden.
En Ik zal mensen op u vermenigvuldigen, het ganse huis Israels, ja, dat geheel; en de steden zullen bewoond, en de eenzame plaatsen bebouwd worden.
Ja, Ik zal mensen en beesten op u vermenigvuldigen, en zij zullen vermenigvuldigd worden en vruchtbaar zijn; en Ik zal u doen bewonen, als in uw vorige tijden, ja, Ik zal het beter maken dan in uw beginselen; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.
En Ik zal mensen op u doen wandelen, namelijk Mijn volk Israel, die zullen u erfelijk bezitten, en gij zult hun ter erfenis zijn, en gij zult ze voortaan niet meer beroven.
En Ik zal maken, dat men den schimp der heidenen niet meer over u hore, en gij zult den smaad der natien niet meer dragen; en gij zult uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heere HEERE.
Want Ik zal Mijn groten Naam heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, dien gij in het midden van hen ontheiligd hebt; en de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, spreekt de Heere HEERE, als Ik aan u voor hun ogen zal geheiligd zijn.
Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen; en Ik zal u in uw land brengen.
Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.
En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.
En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen.
En gij zult wonen in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb, en gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn.
En Ik zal u verlossen van al uw onreinigheden; en Ik zal roepen tot het koren, en zal dat vermenigvuldigen, en Ik zal geen honger op u leggen.
En Ik zal de vrucht van het geboomte en de inkomst des velds vermenigvuldigen; opdat gij de smaadheid des hongers niet meer ontvangt onder de heidenen.
Alzo zegt de Heere HEERE: Ten dage, als Ik u reinigen zal van al uw ongerechtigheden, dan zal Ik de steden doen bewonen, en de eenzame plaatsen zullen bebouwd worden.
En het verwoeste land zal bebouwd worden, in plaats dat het een verwoesting was, voor de ogen van een ieder, die er doorging.
Dan zullen de heidenen, die in de plaatsen rondom u zullen overgelaten zijn, weten, dat Ik, de HEERE, de verstoorde plaatsen bebouw, en het verwoeste beplant. Ik, de HEERE, heb het gesproken en zal het doen.
Alzo zegt de Heere HEERE: Daarenboven zal Ik hierom van het huis Israels verzocht worden, dat Ik het hun doe; Ik zal ze vermenigvuldigen van mensen, als schapen.
Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: Ziet, Ik zal den geest in u brengen, en gij zult levend worden.
En Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en een huid over u trekken, en den geest in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.
Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israels.
En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven zal hebben geopend, en als Ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk!
En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en gij zult weten, dat Ik, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.
Zo spreek tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraims hand geweest is, en van de stammen Israels, zijn metgezellen, nemen, en Ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot een enig hout; en zij zullen een worden in Mijn hand.
Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de kinderen Israels halen uit het midden der heidenen, waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land;
En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israels; en zij zullen allen te zamen een enigen Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn.
En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.
En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen.
En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid.
En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid.
En Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
En de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, Die Israel heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid.
En Ik zal u omwenden, en haken in uw kaken leggen, en Ik zal u uitvoeren, mitsgaders uw ganse heir, paarden en ruiteren, die altemaal volkomen wel gekleed zijn, een grote vergadering, met rondas en schild, die altemaal zwaarden handelen;
Na vele dagen zult gij bezocht worden; in het laatste der jaren zult gij komen in het land, dat wedergebracht is van het zwaard, dat vergaderd is uit vele volken, op de bergen Israels, die steeds tot verwoesting geweest zijn; als hetzelve land uit de volken zal uitgevoerd zijn, en zij allemaal zeker zullen wonen.
Alzo zegt de Heere HEERE: Te dien dage zal het ook geschieden, dat er raadslagen in uw hart zullen opkomen, en gij zult een kwade gedachte denken,
En zult zeggen: Ik zal optrekken naar dat dorpland, ik zal komen tot degenen, die in rust zijn, die zeker wonen, die altemaal wonen zonder muur, en grendel noch deuren hebben.
En gij zult optrekken tegen Mijn volk Israel, als een wolk, om het land te bedekken; in het laatste der dagen zal het geschieden; dan zal Ik u aanbrengen tegen Mijn land, opdat de heidenen Mij kennen, als Ik aan u, o Gog! voor hun ogen zal geheiligd worden.
Maar het zal geschieden te dien dage, ten dage als Gog tegen het land Israels zal aankomen, spreekt de Heere HEERE, dat Mijn grimmigheid in Mijn neus zal opkomen.
Want Ik heb gesproken in Mijn ijver, in het vuur Mijner verbolgenheid: Zo er niet, te dien dage, een groot beven zal zijn in het land Israels!
Want Ik zal het zwaard over hem roepen op al Mijn bergen, spreekt de Heere HEERE; het zwaard van een ieder zal tegen zijn broeder zijn.
En Ik zal met hem rechten, door pestilentie en door bloed; en Ik zal een overstelpenden plasregen, en grote hagelstenen, vuur en zwavel regenen op hem, en op zijn benden, en op de vele volken, die met hem zullen zijn.
Alzo zal Ik Mij groot maken, en Mij heiligen, en bekend worden voor de ogen van vele heidenen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.
En Ik zal u omwenden, en een zeshaak in u slaan, en u optrekken uit de zijden van het noorden, en Ik zal u brengen op de bergen Israels.
Maar Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en Ik zal uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen.
En Ik zal een vuur zenden in Magog, en onder degenen, die in de eilanden zeker wonen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.
En Ik zal Mijn heiligen Naam in het midden van Mijn volk Israel bekend maken, en zal Mijn heiligen Naam niet meer laten ontheiligen; en de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, de Heilige in Israel.
Ziet, het komt en zal geschieden, spreekt de Heere HEERE; dit is de dag, van welken Ik gesproken heb.
En het zal te dien dage geschieden, dat Ik aan Gog aldaar een grafstede in Israel zal geven, het dal der doorgangers naar het oosten der zee; en datzelve zal den doorgangers den neus stoppen; en aldaar zullen zij begraven Gog en zijn ganse menigte, en zullen het noemen: Het dal van Gogs menigte.
Het huis Israels nu zal hen begraven, om het land te reinigen, zeven maanden lang.
Ja, al het volk des lands zal begraven, en het zal hun tot een naam zijn, ten dage als Ik zal verheerlijkt zijn, spreekt de Heere HEERE.
En deze doorgangers zullen door het land doorgaan, en als iemand een mensenbeen ziet, zo zal hij een merkteken daarbij oprichten; totdat de doodgravers hetzelve zullen hebben begraven in het dal van Gogs menigte.
Ook zo zal de naam der stad Hamona zijn. Alzo zullen zij het land reinigen.
En Ik zal Mijn eer zetten onder de heidenen; en alle heidenen zullen Mijn oordeel zien, dat Ik gedaan heb, en Mijn hand, die Ik aan hen gelegd heb.
Daarom zo zegt de Heere HEERE: Nu zal Ik Jakobs gevangenen wederbrengen, en zal Mij ontfermen over het ganse huis Israels, en Ik zal ijveren over Mijn heiligen Naam;
Als Ik hen zal hebben wedergebracht uit de volken, en hen vergaderd zal hebben uit de landen hunner vijanden, en Ik aan hen geheiligd zal zijn voor de ogen van vele heidenen;
En Ik zal Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis Israels zal hebben uitgegoten, spreekt de Heere HEERE.
En die man sprak tot mij: Mensenkind! zie met uw ogen, en hoor met uw oren, en zet uw hart op alles, wat ik u zal doen zien; want, opdat ik u zou doen zien, zijt gij herwaarts gebracht; verkondig daarna den huize Israels alles, wat gij ziet.
De hoogte des houten altaars was drie ellen, en zijn lengte twee ellen, en het had zijn hoeken; en zijn lengte en zijn wanden waren van hout. En hij sprak tot mij: Dit is de tafel, die voor des HEEREN aangezicht zal zijn.
En Hij zeide tot mij: Mensenkind! dit is de plaats Mijns troons, en de plaats der zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden der kinderen Israels, in eeuwigheid; en die van het huis Israels zullen Mijn heiligen Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen hunner koningen, op hun hoogten;
Nu zullen zij hun hoererij en de dode lichamen hunner koningen verre van Mij wegdoen; en Ik zal in het midden van hen wonen in eeuwigheid.
Dit is de wet van het huis: op de hoogte des bergs zal zijn ganse grens, rondom henen, een heiligheid der heiligheden zijn; ziet, dit is de wet van het huis.
En Hij zeide tot mij: Mensenkind! zo zegt de Heere HEERE: Dit zijn de ordinantien des altaars, ten dage als men het zal maken, om brandoffer daarop te offeren, en om bloed daarop te sprengen.
Daarna zult gij den var des zondoffers nemen; en hij zal hem verbranden in een bestelde plaats van het huis buiten het heiligdom.
Als zij nu deze dagen zullen voleind hebben, dan zal het op den achtsten dag en voortaan geschieden, dat de priesters uw brandofferen en uw dankofferen op het altaar zullen bereiden; en Ik zal een welgevallen aan ulieden hebben, spreekt de Heere HEERE.
En de HEERE zeide tot mij: Deze poort zal toegesloten zijn, zij zal niet geopend worden, noch iemand door dezelve ingaan, omdat de HEERE, de God Israels, door dezelve is ingegaan; daarom zal zij toegesloten zijn.
De vorst, de vorst, die zal in dezelve zitten, om brood te eten voor het aangezicht des HEEREN; door den weg van het voorhuis der poort zal hij ingaan, en door den weg van hetzelve zal hij uitgaan.
En de HEERE zeide tot mij: Mensenkind! zet er uw hart op, en zie met uw ogen, en hoor met uw oren alles, wat Ik met u spreken zal, van alle inzettingen van het huis des HEEREN, en van al zijn wetten; en zet uw hart op den ingang van het huis, met alle uitgangen des heiligdoms.
Alzo zegt de Heere HEERE: Geen vreemde, onbesneden van hart, en onbesneden van vlees, zal in Mijn heiligdom ingaan, van enigen vreemde, die in het midden der kinderen Israels is.
Daarom zal Ik hen stellen tot wachters van de wacht des huizes, aan al zijn dienst, en aan alles, wat daarin zal gedaan worden.
En het zal geschieden, als zij tot de poorten van het binnenste voorhof zullen ingaan, dat zij linnen klederen zullen aantrekken; maar wol zal op hen niet komen, als zij dienen in de poorten van het binnenste voorhof, en inwaarts.
Ook zal geen priester wijn drinken, als zij in het binnenste voorhof zullen ingaan.
Ook zullen zij zich geen weduwe of verstotene tot vrouwen nemen; maar jonge dochters van het zaad van het huis Israels, of een weduwe, die een weduwe zal geweest zijn van een priester, zullen zij nemen.
Ook zal geen van hen tot een doden mens ingaan, dat hij onrein worde; maar om een vader, of om een moeder, of om een zoon, of om een dochter, om een broeder of om een zuster, die geens mans geweest is, zullen zij zich mogen verontreinigen.
En ten dage, als hij in het heilige zal ingaan, in het binnenste voorhof, om in het heilige te dienen, zal hij zijn zondoffer offeren, spreekt de Heere HEERE.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 2:18-Genesis 25:23
- 2.Genesis 26:2-Genesis 49:1
- 3.Genesis 49:7-Exodus 12:26
- 4.Exodus 12:42-Exodus 23:7
- 5.Exodus 23:13-Exodus 32:34
- 6.Exodus 33:1-Leviticus 5:1
- 7.Leviticus 5:2-Leviticus 12:2
- 8.Leviticus 12:3-Leviticus 14:45
- 9.Leviticus 14:46-Leviticus 19:34
- 10.Leviticus 20:2-Leviticus 25:33
- 11.Leviticus 25:34-Numberi 4:16
- 12.Numberi 4:24-Numberi 16:29
- 13.Numberi 16:30-Numberi 30:13
- 14.Numberi 30:15-Deuteronomium 12:5
- 15.Deuteronomium 12:9-Deuteronomium 21:12
- 16.Deuteronomium 21:13-Deuteronomium 28:29
- 17.Deuteronomium 28:30-Jozua 6:17
- 18.Jozua 6:26-Ruth 1:16
- 19.Ruth 1:17-1 Samuël 18:8
- 20.1 Samuël 18:11-2 Samuël 14:8
- 21.2 Samuël 14:10-1 Koningen 9:9
- 22.1 Koningen 11:11-2 Koningen 5:18
- 23.2 Koningen 5:20-2 Kronieken 2:4
- 24.2 Kronieken 2:5-Esther 5:3
- 25.Esther 5:6-Job 18:8
- 26.Job 18:9-Job 40:2
- 27.Job 40:9-Psalmen 37:4
- 28.Psalmen 37:5-Psalmen 64:10
- 29.Psalmen 65:1-Psalmen 94:14
- 30.Psalmen 94:15-Psalmen 122:9
- 31.Psalmen 125:3-Spreuken 12:7
- 32.Spreuken 12:8-Spreuken 21:26
- 33.Spreuken 21:28-Prediker 8:15
- 34.Prediker 8:17-Jesaja 9:18
- 35.Jesaja 9:19-Jesaja 19:23
- 36.Jesaja 19:24-Jesaja 31:5
- 37.Jesaja 31:8-Jesaja 42:16
- 38.Jesaja 42:23-Jesaja 57:19
- 39.Jesaja 58:8-Jeremia 6:20
- 40.Jeremia 6:21-Jeremia 19:3
- 41.Jeremia 19:6-Jeremia 30:17
- 42.Jeremia 30:18-Jeremia 42:20
- 43.Jeremia 43:10-Jeremia 51:39
- 44.Jeremia 51:40-Ezechiël 13:23
- 45.Ezechiël 14:4-Ezechiël 23:48
- 46.Ezechiël 24:9-Ezechiël 33:29
- 47.Ezechiël 33:33-Ezechiël 44:27
- 48.Ezechiël 44:28-Daniël 11:2
- 49.Daniël 11:3-Hosea 9:3
- 50.Hosea 9:4-Amos 5:5
- 51.Amos 5:13-Micha 7:4
- 52.Micha 7:7-Haggaï 2:10
- 53.Haggaï 2:11-Zacharia 14:6
- 54.Zacharia 14:7-Mattheüs 10:42
- 55.Mattheüs 11:6-Mattheüs 24:41
- 56.Mattheüs 24:42-Markus 13:30
- 57.Markus 13:35-Lukas 12:10
- 58.Lukas 12:12-Johannes 4:14
- 59.Johannes 4:25-Handelingen 3:20
- 60.Handelingen 3:22-Romeinen 16:20
- 61.1 Corinthiërs 1:8-Filippenzen 1:18
- 62.Filippenzen 1:19-1 Johannes 2:28
- 63.1 Johannes 3:2-Openbaring 22:19
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (216)
- Exodus (310)
- Leviticus (548)
- Numberi (266)
- Deuteronomium (347)
- Jozua (54)
- Richteren (58)
- Ruth (14)
- 1 Samuël (142)
- 2 Samuël (95)
- 1 Koningen (126)
- 2 Koningen (89)
- 1 Kronieken (32)
- 2 Kronieken (69)
- Ezra (11)
- Nehemia (15)
- Esther (17)
- Job (200)
- Psalmen (432)
- Spreuken (230)
- Prediker (41)
- Hooglied (6)
- Jesaja (539)
- Jeremia (455)
- Klaagliederen (8)
- Ezechiël (439)
- Daniël (85)
- Hosea (91)
- Joël (28)
- Amos (78)
- Obadja (7)
- Jona (5)
- Micha (56)
- Nahum (19)
- Habakuk (16)
- Zefanja (31)
- Haggaï (38)
- Zacharia (102)
- Maleachi (24)
- Mattheüs (201)
- Markus (80)
- Lukas (175)
- Johannes (94)
- Handelingen (53)
- Romeinen (58)
- 1 Corinthiërs (54)
- 2 Corinthiër (29)
- Galaten (11)
- Efeziërs (4)
- Filippenzen (15)
- Colossenzen (4)
- 1 Thessalonicenzen (5)
- 2 Thessalonicenzen (6)
- 1 Timotheüs (3)
- 2 Timotheüs (8)
- Titus (1)
- Filémon (2)
- Hebreeën (27)
- Jakobus (17)
- 1 Petrus (7)
- 2 Petrus (6)
- 1 Johannes (5)
- 2 Johannes (1)
- 3 Johannes (1)
- Openbaring (67)
Verwante onderwerpen
- Abraham
- Afkeer
- Alcohol
- Archeologie
- Beantwoorde Beloften
- Bescherming En Veiligheid
- Bestraffing Door God
- Beëindiging
- Dag Van De HEER
- De Daad Van Openen
- De Invloed Van God Kennen
- De Ouders Verlaten Voor De Echtgenoot
- De Rechtvaardigen
- De Toekomst
- De Wederkomst
- De Zon
- Dochters
- Doden Zal Gebeuren
- Dood Van Een Familielid
- Doodstraf
- Einde Van Dagen
- Geld Zegeningen
- Gezicht Van God
- Gezondheid En Genezen
- God Als Rechter
- God Die Niet Verzaakt
- God Dodend
- God Haalt Israël Uit Egypte
- God Redt De Behoeftigen
- God Tegen
- God Zal Het Eisen
- God Zal Zegenen
- God, De Eeuwige
- Gods Hand
- Gods Onthulde Dingen
- Gods Redding Bekend Gemaakt
- Gods Stem
- Gods Waarheid
- Gods Wil
- Gods Woord Is Rechtvaardig
- Goud
- Grenzen
- Hand Van God
- Herstel
- Het Gevolg Van De Afwijzing Van God
- Het Nieuw Verbond
- Het Woord Spreken Dat God Geschonken Heeft
- Hoofden
- Huwelijk Tussen Man En Vrouw
- Ik Ben De Heer
- Ik Zal Hun God Zijn
- Jouw Familie Beschermen
- Korte Tijd Voor Actie
- Laatste Dingen
- Laatste Oordeel
- Land
- Lauw
- Lege Steden
- Lichaam
- Lof
- Menselijk Belang Van Wijsheid
- Menselijke En Goddelijke Heerschappij
- Mensen Verbranden
- Messiaanse Profetieën
- Missie Van Israël
- Morgen
- Namen En Titels Voor Christus
- Nederlaag
- Offeringen Doden
- Onrein Tot De Avond
- Onreine Dingen
- Onreine Zaken Aanraken
- Ontrouw Aan God
- Oogsten Wat Je Gezaaid Hebt
- Overlevenden Bevoordeeld
- Priesters Die Verzoenen
- Reine Kledij
- Rest
- Rivieren
- Samenkomen Israël
- Schaamte Over Slecht Gedrag
- Schaamte Zal Aankomen
- Schapen En Geiten
- Sex Voor Het Huwelijk
- Straf
- Teruggeven
- Toekomst
- Trouw Tot God
- Vals Vertrouwen
- Veiligheid
- Verspreiden
- Voorspellingen Over Christus
- Vredevolle Slaap
- Vreemdelingen
- Vuur Van Oordeel
- We Danken God
- Wederopbouw
- Wraak
- Zegen Door Gods Volk
- Zegeningen En Voorspoed
- Zeven Dagen
- Zeven Dagen Voor Juridische Zaken
- Zich Zorgen Maken Over De Toekomst
- Zij Die Van Israël Moeten Worden Afgesneden
- Zion
- Zonneschijn