'Zal' in de Bijbel
- 1.Genesis 2:18-Genesis 25:23
- 2.Genesis 26:2-Genesis 49:1
- 3.Genesis 49:7-Exodus 12:26
- 4.Exodus 12:42-Exodus 23:7
- 5.Exodus 23:13-Exodus 32:34
- 6.Exodus 33:1-Leviticus 5:1
- 7.Leviticus 5:2-Leviticus 12:2
- 8.Leviticus 12:3-Leviticus 14:45
- 9.Leviticus 14:46-Leviticus 19:34
- 10.Leviticus 20:2-Leviticus 25:33
- 11.Leviticus 25:34-Numberi 4:16
- 12.Numberi 4:24-Numberi 16:29
- 13.Numberi 16:30-Numberi 30:13
- 14.Numberi 30:15-Deuteronomium 12:5
- 15.Deuteronomium 12:9-Deuteronomium 21:12
- 16.Deuteronomium 21:13-Deuteronomium 28:29
- 17.Deuteronomium 28:30-Jozua 6:17
- 18.Jozua 6:26-Ruth 1:16
- 19.Ruth 1:17-1 Samuël 18:8
- 20.1 Samuël 18:11-2 Samuël 14:8
- 21.2 Samuël 14:10-1 Koningen 9:9
- 22.1 Koningen 11:11-2 Koningen 5:18
- 23.2 Koningen 5:20-2 Kronieken 2:4
- 24.2 Kronieken 2:5-Esther 5:3
- 25.Esther 5:6-Job 18:8
- 26.Job 18:9-Job 40:2
- 27.Job 40:9-Psalmen 37:4
- 28.Psalmen 37:5-Psalmen 64:10
- 29.Psalmen 65:1-Psalmen 94:14
- 30.Psalmen 94:15-Psalmen 122:9
- 31.Psalmen 125:3-Spreuken 12:7
- 32.Spreuken 12:8-Spreuken 21:26
- 33.Spreuken 21:28-Prediker 8:15
- 34.Prediker 8:17-Jesaja 9:18
- 35.Jesaja 9:19-Jesaja 19:23
- 36.Jesaja 19:24-Jesaja 31:5
- 37.Jesaja 31:8-Jesaja 42:16
- 38.Jesaja 42:23-Jesaja 57:19
- 39.Jesaja 58:8-Jeremia 6:20
- 40.Jeremia 6:21-Jeremia 19:3
- 41.Jeremia 19:6-Jeremia 30:17
- 42.Jeremia 30:18-Jeremia 42:20
- 43.Jeremia 43:10-Jeremia 51:39
- 44.Jeremia 51:40-Ezechiël 13:23
- 45.Ezechiël 14:4-Ezechiël 23:48
- 46.Ezechiël 24:9-Ezechiël 33:29
- 47.Ezechiël 33:33-Ezechiël 44:27
- 48.Ezechiël 44:28-Daniël 11:2
- 49.Daniël 11:3-Hosea 9:3
- 50.Hosea 9:4-Amos 5:5
- 51.Amos 5:13-Micha 7:4
- 52.Micha 7:7-Haggaï 2:10
- 53.Haggaï 2:11-Zacharia 14:6
- 54.Zacharia 14:7-Mattheüs 10:42
- 55.Mattheüs 11:6-Mattheüs 24:41
- 56.Mattheüs 24:42-Markus 13:30
- 57.Markus 13:35-Lukas 12:10
- 58.Lukas 12:12-Johannes 4:14
- 59.Johannes 4:25-Handelingen 3:20
- 60.Handelingen 3:22-Romeinen 16:20
- 61.1 Corinthiërs 1:8-Filippenzen 1:18
- 62.Filippenzen 1:19-1 Johannes 2:28
- 63.1 Johannes 3:2-Openbaring 22:19
Maar ik zal uitzien naar den HEERE, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen.
Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de HEERE mij een licht zijn.
Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij brengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn gerechtigheid.
En mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is de HEERE, uw God? Mijn ogen zullen aan haar zien; nu zal zij worden tot vertreding, als slijk der straten.
Ten dage als Hij uw muren zal herbouwen, te dien dage zal het besluit verre heengaan.
Te dien dage zal het ook komen tot u toe, van Assur af, zelfs tot de vaste steden toe; en van de vestingen tot aan de rivier, en van zee tot zee, en van gebergte tot gebergte.
Maar dit land zal worden tot een verwoesting, zijner inwoners halve, vanwege de vrucht hunner handelingen.
Ik zal haar wonderen doen zien, als in de dagen, toen gij uit Egypteland uittoogt.
Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen.
Wie zal voor Zijn gramschap staan, en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld.
En met een doorgaanden vloed zal Hij haar plaats te niet maken; en duisternis zal Zijn vijanden vervolgen.
Wat denkt gijlieden tegen den HEERE? Hij zal zelf een voleinding maken; de benauwdheid zal niet tweemaal op rijzen.
Alzo zegt de HEERE: Zijn zij voorspoedig, en alzo velen, alzo zullen zij ook geschoren worden, en hij zal doorgaan; Ik heb u wel gedrukt, maar Ik zal u niet meer drukken.
Maar nu zal Ik zijn juk van u breken, en zal uw banden verscheuren.
Doch tegen u heeft de HEERE bevolen, dat er van uw naam niemand meer gezaaid zal worden; uit het huis uws gods zal Ik uitroeien de gesneden en gegoten beelden; Ik zal u daar een graf maken, als gij zult veracht zijn geworden.
Ziet op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die vrede doet horen; vier uw vierdagen, o Juda! betaal uw geloften; want de Belials- man zal voortaan niet meer door u doorgaan, hij is gans uitgeroeid.
Hij zal aan zijn voortreffelijken gedenken, doch zij zullen struikelen in hun tochten; zij zullen haasten naar hun muur, als het beschutsel vaardig zal wezen.
De poorten der rivieren zullen geopend worden, en het paleis zal versmelten.
En Huzab zal gevankelijk weggevoerd worden, men zal haar heten voortgaan; en haar maagden zullen haar geleiden, als met een stem der duiven, trommelende op haar harten.
Nineve is wel als een watervijver, van de dagen af dat zij geweest is, doch zij zullen vluchten. Staat, staat! zal men roepen, maar niemand zal omzien.
Ziet, Ik wil aan u, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal haar wagenen in rook verbranden, en het zwaard zal uw jonge leeuwen verteren, en Ik zal uw roof uitroeien van de aarde, en de stem uwer gezanten zal niet meer gehoord worden.
De ruiter steekt omhoog, zo het vlammende zwaard, als de bliksemende spies, en er zal veelheid der verslagenen zijn, en een zware menigte der dode lichamen; ja, er zal geen einde zijn der lichamen, men zal over hun lichamen struikelen;
Ziet, Ik wil aan u, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht, en Ik zal den heidenen uw naaktheid, en den koninkrijken uw schande wijzen.
En Ik zal verfoeilijke dingen op u werpen, en u tot schande maken, en Ik zal u als een spiegel stellen.
En het zal geschieden, dat allen, die u zien, van u wegvlieden zullen en zeggen: Nineve is verstoord, wie zal medelijden met haar hebben? Van waar zal ik u troosters zoeken?
Ziet, uw volk zal in het midden van u tot vrouwen worden; de poorten uws lands zullen uw vijanden wijd geopend worden; het vuur zal uw grendelen verteren.
Het vuur zal u aldaar verteren; het zwaard zal u uitroeien, het zal u afeten, als de kevers, vermeerder u als sprinkhanen.
Uw herders zullen sluimeren, o koning van Assur! uw voortreffelijken zullen zich leggen, uw volk zal zich op de bergen wijd uitbreiden, en niemand zal ze verzamelen.
Ziet onder de heidenen, en aanschouwt, en verwondert u, verwondert u, want Ik werk een werk in ulieder dagen, hetwelk gij niet geloven zult, als het verteld zal worden.
Het zal geheellijk tot geweld komen, wat zij inslorpen zullen met hun aangezichten, zullen zij brengen naar het oosten; en het zal de gevangenen verzamelen als zand.
En hij zal de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem een belaching zijn; hij zal alle vesting belachen; want hij zal stof vergaderen, en hij zal ze innemen.
Dan zal hij den geest veranderen, en hij zal doortrekken, en zich schuldig maken, houdende deze zijn kracht voor zijn God.
Zal hij dan daarom altoos zijn garen ledig maken, en zal hij niet verschonen, met altoos de volken te doden?
Want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven.
Ziet, zijn ziel verheft zich, zij is niet recht in hem; maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.
Zouden dan niet al dezelve van hem een spreekwoord opnemen, en een uitlegging der raadselen van hem? En men zal zeggen: Wee dien, die vermeerdert hetgeen het zijne niet is (hoe lange!), en dien, die op zich laadt dik slijk.
Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des HEEREN bekennen, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.
Gij zult ook verzadigd worden met schande, voor eer; drinkt gij ook, en ontbloot de voorhuid; de beker der rechterhand des HEEREN zal zich tot u wenden, en er zal een schandelijk uitbraaksel over uw heerlijkheid zijn.
Want het geweld, dat tegen Libanon begaan is, zal u bedekken, en de verwoesting der beesten zal ze verschrikken, om des bloeds wil der mensen, en des gewelds in het land, de stad en aan alle inwoners derzelve.
Wat zal het gesneden beeld baten, dat zijn formeerder het gesneden heeft? of het gegoten beeld, hetwelk een leugenleraar is, dat de formeerder op zijn formeersel vertrouwt, als hij stomme afgoden gemaakt heeft?
Als ik het hoorde, zo werd mijn buik beroerd; voor de stem hebben mijn lippen gebeefd; verrotting kwam in mijn gebeente, en ik werd beroerd in mijn plaats. Zekerlijk, ik zal rusten ten dage der benauwdheid, als hij optrekken zal tegen het volk, dat hij het met benden aanvalle.
Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geen spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal;
Zo zal ik nochtans in den HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils.
De Heere HEERE is mijn Sterkte; en Hij zal mijn voeten maken als der hinden, en Hij zal mij doen treden op mijn hoogten. Voor den opperzangmeester op mijn Neginoth.
Ik zal ganselijk alles wegrapen uit dit land, spreekt de HEERE.
Ik zal wegrapen mensen en beesten; Ik zal wegrapen de vogelen des hemels, en de vissen der zee, en de ergernissen met de goddelozen; ja, Ik zal de mensen uit dit land uitroeien, spreekt de HEERE.
En Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen Juda, en tegen alle inwoners van Jeruzalem; en Ik zal uit deze plaats uitroeien het overblijfsel van Baal, en den naam der Chemarim met de priesters;
En het zal geschieden in den dag van het slachtoffer des HEEREN, dat Ik bezoeking zal doen over de vorsten, en over de kinderen des konings, en over allen, die zich kleden met vreemde kleding.
Ook zal Ik ten zelven dage bezoeking doen over al wie over den dorpel springt; die het huis hunner heren vullen met geweld en bedrog.
En er zal te dien dage, spreekt de HEERE, een stem des gekrijts zijn van de Vispoort af, en een gehuil van het tweede gedeelte, en een grote breuk van de heuvelen af.
En het zal geschieden te dien tijde, Ik zal Jeruzalem met lantaarnen doorzoeken; en Ik zal bezoeking doen over de mannen, die stijf geworden zijn op hun droesem, die in hun hart zeggen: De HEERE doet geen goed, en Hij doet geen kwaad.
Daarom zal hun vermogen ten roof worden, en hun huizen tot verwoesting; zij bouwen wel huizen, maar zij zullen ze niet bewonen; en zij planten wijngaarden, maar zij zullen derzelver wijn niet drinken.
De grote dag des HEEREN is nabij; hij is nabij, en zeer haastende; de stem van den dag des HEEREN; de held zal aldaar bitterlijk schreeuwen.
Die dag zal een dag der verbolgenheid zijn; een dag der benauwdheid en des angstes, een dag der woestheid en verwoesting, een dag der duisternis en der donkerheid, een dag der wolk en der dikke donkerheid;
En Ik zal de mensen bang maken, dat zij zullen gaan als de blinden; want zij hebben tegen den HEERE gezondigd; en hun bloed zal vergoten worden als stof, en hun vlees zal worden als drek.
Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden ten dage der verbolgenheid des HEEREN; maar door het vuur Zijns ijvers zal dit ganse land verteerd worden; want Hij zal een voleinding maken, gewisselijk, een haastige, met al de inwoners dezes lands.
Want Gaza zal verlaten wezen, en Askelon zal ter verwoesting wezen; Asdod zal men in den middag verdrijven, en Ekron zal uitgeworteld worden.
Wee den inwonenden van de landstreek der zee, den volken der Cheretim! Het woord des HEEREN zal tegen ulieden zijn, gij Kanaan, der Filistijnen land! en Ik zal u verdoen, dat er geen inwoner zal zijn.
En de landstreek der zee zal wezen tot hutten, uitgegraven putten der herders, en betuiningen der kudden.
En de landstreek zal wezen voor het overblijfsel van het huis van Juda, dat zij daarin weiden; des avonds zullen zij in de huizen van Askelon legeren, als de HEERE, hunlieder God, hen zal bezocht, en hun gevangenis zal gewend hebben.
Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Moab zal zekerlijk zijn als Sodom, en de kinderen Ammons als Gomorra, een netelheide, en een zoutgroeve, en een verwoesting tot in eeuwigheid! De overigen Mijns volks zullen ze beroven, en het overige Mijns volks zal ze erfelijk bezitten.
Vreselijk zal de HEERE tegen hen wezen, want Hij zal al de goden der aarde doen uitteren; en een iegelijk uit zijn plaats zal Hem aanbidden, al de eilanden der heidenen.
Hij zal ook Zijn hand uitstrekken tegen het Noorden, en Hij zal Assur verdoen; en Hij zal Nineve stellen tot een verwoesting, droog als een woestijn.
En in het midden van haar zullen den kudden legeren, al het gedierte der volken; ook de roerdomp, ook de nachtuil zullen op haar granaatappelen vernachten; een stem zal in het venster zingen, verwoesting zal in den dorpel zijn, als Hij haar cederwerk zal ontbloot hebben.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Daarom verwacht Mij, spreekt de HEERE, ten dage als Ik Mij opmake tot den roof; want Mijn oordeel is, de heidenen te verzamelen, de koninkrijken te vergaderen, om over hen Mijn gramschap, de ganse hittigheid Mijns toorns uit te storten, want dit ganse land zal door het vuur van Mijn ijver verteerd worden.
Gewisselijk, dan zal Ik tot de volken een reine spraak wenden; opdat zij allen den Naam des HEEREN aanroepen, opdat zij Hem dienen met een eenparigen schouder.
Te dien dage zult gij niet beschaamd wezen vanwege al uw handelingen, waarmede gij tegen Mij overtreden hebt; want alsdan zal Ik uit het midden van u wegnemen, die van vreugde opspringen over uw hovaardij, en gij zult u voortaan niet meer verheffen om Mijns heiligen bergs wil.
Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des HEEREN betrouwen.
De overgeblevenen van Israel zullen geen onrecht doen, noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedriegelijke tong gevonden worden; maar zij zullen weiden en nederliggen, en niemand zal hen verschrikken.
Te dien dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, o Sion! laat uw handen niet slap worden.
De HEERE uw God, is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich.
De bedroefden, om der bijeenkomst wil, zal Ik verzamelen, zij zijn uit u; de schimping is een last op haar.
Ziet, Ik zal te dien tijde al uw verdrukkers verdoen; en Ik zal de hinkenden behoeden, en de uitgestotenen verzamelen; en Ik zal ze stellen tot een lof, en tot een naam, in het ganse land, waar zij beschaamd zijn geweest.
Te dier tijd zal Ik ulieden herwaarts brengen, ten tijde namelijk, als Ik u verzamelen zal; zekerlijk Ik zal ulieden zetten tot een naam en tot een lof, onder alle volken der aarde, als Ik uw gevangenissen voor uw ogen wenden zal, zegt de HEERE.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 2:18-Genesis 25:23
- 2.Genesis 26:2-Genesis 49:1
- 3.Genesis 49:7-Exodus 12:26
- 4.Exodus 12:42-Exodus 23:7
- 5.Exodus 23:13-Exodus 32:34
- 6.Exodus 33:1-Leviticus 5:1
- 7.Leviticus 5:2-Leviticus 12:2
- 8.Leviticus 12:3-Leviticus 14:45
- 9.Leviticus 14:46-Leviticus 19:34
- 10.Leviticus 20:2-Leviticus 25:33
- 11.Leviticus 25:34-Numberi 4:16
- 12.Numberi 4:24-Numberi 16:29
- 13.Numberi 16:30-Numberi 30:13
- 14.Numberi 30:15-Deuteronomium 12:5
- 15.Deuteronomium 12:9-Deuteronomium 21:12
- 16.Deuteronomium 21:13-Deuteronomium 28:29
- 17.Deuteronomium 28:30-Jozua 6:17
- 18.Jozua 6:26-Ruth 1:16
- 19.Ruth 1:17-1 Samuël 18:8
- 20.1 Samuël 18:11-2 Samuël 14:8
- 21.2 Samuël 14:10-1 Koningen 9:9
- 22.1 Koningen 11:11-2 Koningen 5:18
- 23.2 Koningen 5:20-2 Kronieken 2:4
- 24.2 Kronieken 2:5-Esther 5:3
- 25.Esther 5:6-Job 18:8
- 26.Job 18:9-Job 40:2
- 27.Job 40:9-Psalmen 37:4
- 28.Psalmen 37:5-Psalmen 64:10
- 29.Psalmen 65:1-Psalmen 94:14
- 30.Psalmen 94:15-Psalmen 122:9
- 31.Psalmen 125:3-Spreuken 12:7
- 32.Spreuken 12:8-Spreuken 21:26
- 33.Spreuken 21:28-Prediker 8:15
- 34.Prediker 8:17-Jesaja 9:18
- 35.Jesaja 9:19-Jesaja 19:23
- 36.Jesaja 19:24-Jesaja 31:5
- 37.Jesaja 31:8-Jesaja 42:16
- 38.Jesaja 42:23-Jesaja 57:19
- 39.Jesaja 58:8-Jeremia 6:20
- 40.Jeremia 6:21-Jeremia 19:3
- 41.Jeremia 19:6-Jeremia 30:17
- 42.Jeremia 30:18-Jeremia 42:20
- 43.Jeremia 43:10-Jeremia 51:39
- 44.Jeremia 51:40-Ezechiël 13:23
- 45.Ezechiël 14:4-Ezechiël 23:48
- 46.Ezechiël 24:9-Ezechiël 33:29
- 47.Ezechiël 33:33-Ezechiël 44:27
- 48.Ezechiël 44:28-Daniël 11:2
- 49.Daniël 11:3-Hosea 9:3
- 50.Hosea 9:4-Amos 5:5
- 51.Amos 5:13-Micha 7:4
- 52.Micha 7:7-Haggaï 2:10
- 53.Haggaï 2:11-Zacharia 14:6
- 54.Zacharia 14:7-Mattheüs 10:42
- 55.Mattheüs 11:6-Mattheüs 24:41
- 56.Mattheüs 24:42-Markus 13:30
- 57.Markus 13:35-Lukas 12:10
- 58.Lukas 12:12-Johannes 4:14
- 59.Johannes 4:25-Handelingen 3:20
- 60.Handelingen 3:22-Romeinen 16:20
- 61.1 Corinthiërs 1:8-Filippenzen 1:18
- 62.Filippenzen 1:19-1 Johannes 2:28
- 63.1 Johannes 3:2-Openbaring 22:19
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (216)
- Exodus (310)
- Leviticus (548)
- Numberi (266)
- Deuteronomium (347)
- Jozua (54)
- Richteren (58)
- Ruth (14)
- 1 Samuël (142)
- 2 Samuël (95)
- 1 Koningen (126)
- 2 Koningen (89)
- 1 Kronieken (32)
- 2 Kronieken (69)
- Ezra (11)
- Nehemia (15)
- Esther (17)
- Job (200)
- Psalmen (432)
- Spreuken (230)
- Prediker (41)
- Hooglied (6)
- Jesaja (539)
- Jeremia (455)
- Klaagliederen (8)
- Ezechiël (439)
- Daniël (85)
- Hosea (91)
- Joël (28)
- Amos (78)
- Obadja (7)
- Jona (5)
- Micha (56)
- Nahum (19)
- Habakuk (16)
- Zefanja (31)
- Haggaï (38)
- Zacharia (102)
- Maleachi (24)
- Mattheüs (201)
- Markus (80)
- Lukas (175)
- Johannes (94)
- Handelingen (53)
- Romeinen (58)
- 1 Corinthiërs (54)
- 2 Corinthiër (29)
- Galaten (11)
- Efeziërs (4)
- Filippenzen (15)
- Colossenzen (4)
- 1 Thessalonicenzen (5)
- 2 Thessalonicenzen (6)
- 1 Timotheüs (3)
- 2 Timotheüs (8)
- Titus (1)
- Filémon (2)
- Hebreeën (27)
- Jakobus (17)
- 1 Petrus (7)
- 2 Petrus (6)
- 1 Johannes (5)
- 2 Johannes (1)
- 3 Johannes (1)
- Openbaring (67)
Verwante onderwerpen
- Abraham
- Afkeer
- Alcohol
- Archeologie
- Beantwoorde Beloften
- Bescherming En Veiligheid
- Bestraffing Door God
- Beëindiging
- Dag Van De HEER
- De Daad Van Openen
- De Invloed Van God Kennen
- De Ouders Verlaten Voor De Echtgenoot
- De Rechtvaardigen
- De Toekomst
- De Wederkomst
- De Zon
- Dochters
- Doden Zal Gebeuren
- Dood Van Een Familielid
- Doodstraf
- Einde Van Dagen
- Geld Zegeningen
- Gezicht Van God
- Gezondheid En Genezen
- God Als Rechter
- God Die Niet Verzaakt
- God Dodend
- God Haalt Israël Uit Egypte
- God Redt De Behoeftigen
- God Tegen
- God Zal Het Eisen
- God Zal Zegenen
- God, De Eeuwige
- Gods Hand
- Gods Onthulde Dingen
- Gods Redding Bekend Gemaakt
- Gods Stem
- Gods Waarheid
- Gods Wil
- Gods Woord Is Rechtvaardig
- Goud
- Grenzen
- Hand Van God
- Herstel
- Het Gevolg Van De Afwijzing Van God
- Het Nieuw Verbond
- Het Woord Spreken Dat God Geschonken Heeft
- Hoofden
- Huwelijk Tussen Man En Vrouw
- Ik Ben De Heer
- Ik Zal Hun God Zijn
- Jouw Familie Beschermen
- Korte Tijd Voor Actie
- Laatste Dingen
- Laatste Oordeel
- Land
- Lauw
- Lege Steden
- Lichaam
- Lof
- Menselijk Belang Van Wijsheid
- Menselijke En Goddelijke Heerschappij
- Mensen Verbranden
- Messiaanse Profetieën
- Missie Van Israël
- Morgen
- Namen En Titels Voor Christus
- Nederlaag
- Offeringen Doden
- Onrein Tot De Avond
- Onreine Dingen
- Onreine Zaken Aanraken
- Ontrouw Aan God
- Oogsten Wat Je Gezaaid Hebt
- Overlevenden Bevoordeeld
- Priesters Die Verzoenen
- Reine Kledij
- Rest
- Rivieren
- Samenkomen Israël
- Schaamte Over Slecht Gedrag
- Schaamte Zal Aankomen
- Schapen En Geiten
- Sex Voor Het Huwelijk
- Straf
- Teruggeven
- Toekomst
- Trouw Tot God
- Vals Vertrouwen
- Veiligheid
- Verspreiden
- Voorspellingen Over Christus
- Vredevolle Slaap
- Vreemdelingen
- Vuur Van Oordeel
- We Danken God
- Wederopbouw
- Wraak
- Zegen Door Gods Volk
- Zegeningen En Voorspoed
- Zeven Dagen
- Zeven Dagen Voor Juridische Zaken
- Zich Zorgen Maken Over De Toekomst
- Zij Die Van Israël Moeten Worden Afgesneden
- Zion
- Zonneschijn