'Zal' in de Bijbel
- 1.Genesis 2:18-Genesis 25:23
- 2.Genesis 26:2-Genesis 49:1
- 3.Genesis 49:7-Exodus 12:26
- 4.Exodus 12:42-Exodus 23:7
- 5.Exodus 23:13-Exodus 32:34
- 6.Exodus 33:1-Leviticus 5:1
- 7.Leviticus 5:2-Leviticus 12:2
- 8.Leviticus 12:3-Leviticus 14:45
- 9.Leviticus 14:46-Leviticus 19:34
- 10.Leviticus 20:2-Leviticus 25:33
- 11.Leviticus 25:34-Numberi 4:16
- 12.Numberi 4:24-Numberi 16:29
- 13.Numberi 16:30-Numberi 30:13
- 14.Numberi 30:15-Deuteronomium 12:5
- 15.Deuteronomium 12:9-Deuteronomium 21:12
- 16.Deuteronomium 21:13-Deuteronomium 28:29
- 17.Deuteronomium 28:30-Jozua 6:17
- 18.Jozua 6:26-Ruth 1:16
- 19.Ruth 1:17-1 Samuël 18:8
- 20.1 Samuël 18:11-2 Samuël 14:8
- 21.2 Samuël 14:10-1 Koningen 9:9
- 22.1 Koningen 11:11-2 Koningen 5:18
- 23.2 Koningen 5:20-2 Kronieken 2:4
- 24.2 Kronieken 2:5-Esther 5:3
- 25.Esther 5:6-Job 18:8
- 26.Job 18:9-Job 40:2
- 27.Job 40:9-Psalmen 37:4
- 28.Psalmen 37:5-Psalmen 64:10
- 29.Psalmen 65:1-Psalmen 94:14
- 30.Psalmen 94:15-Psalmen 122:9
- 31.Psalmen 125:3-Spreuken 12:7
- 32.Spreuken 12:8-Spreuken 21:26
- 33.Spreuken 21:28-Prediker 8:15
- 34.Prediker 8:17-Jesaja 9:18
- 35.Jesaja 9:19-Jesaja 19:23
- 36.Jesaja 19:24-Jesaja 31:5
- 37.Jesaja 31:8-Jesaja 42:16
- 38.Jesaja 42:23-Jesaja 57:19
- 39.Jesaja 58:8-Jeremia 6:20
- 40.Jeremia 6:21-Jeremia 19:3
- 41.Jeremia 19:6-Jeremia 30:17
- 42.Jeremia 30:18-Jeremia 42:20
- 43.Jeremia 43:10-Jeremia 51:39
- 44.Jeremia 51:40-Ezechiël 13:23
- 45.Ezechiël 14:4-Ezechiël 23:48
- 46.Ezechiël 24:9-Ezechiël 33:29
- 47.Ezechiël 33:33-Ezechiël 44:27
- 48.Ezechiël 44:28-Daniël 11:2
- 49.Daniël 11:3-Hosea 9:3
- 50.Hosea 9:4-Amos 5:5
- 51.Amos 5:13-Micha 7:4
- 52.Micha 7:7-Haggaï 2:10
- 53.Haggaï 2:11-Zacharia 14:6
- 54.Zacharia 14:7-Mattheüs 10:42
- 55.Mattheüs 11:6-Mattheüs 24:41
- 56.Mattheüs 24:42-Markus 13:30
- 57.Markus 13:35-Lukas 12:10
- 58.Lukas 12:12-Johannes 4:14
- 59.Johannes 4:25-Handelingen 3:20
- 60.Handelingen 3:22-Romeinen 16:20
- 61.1 Corinthiërs 1:8-Filippenzen 1:18
- 62.Filippenzen 1:19-1 Johannes 2:28
- 63.1 Johannes 3:2-Openbaring 22:19
Want de Heilige Geest zal u in dezelve ure leren, hetgeen gij spreken moet.
En hij overleide bij zichzelven, zeggende: Wat zal ik doen, want ik heb niet, waarin ik mijn vruchten zal verzamelen.
En hij zeide: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken, en grotere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas, en deze mijn goederen;
En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel! gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk.
Maar God zeide tot hem: Gij dwaas! in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?
En zijt gij den mensen gelijk, die op hun heer wachten, wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat, als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen.
Zalig zijn die dienstknechten, welke de heer, als hij komt, zal wakende vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, en zal hen doen aanzitten, en bijkomende, zal hij hen dienen.
Gij dan, zijt ook bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.
En de Heere zeide: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huisbezorger, dien de heer over zijn dienstboden zal zetten, om hun ter rechter tijd het bescheiden deel spijze te geven?
Zalig is de dienstknecht, welken zijn heer, als hij komt, zal vinden, alzo doende.
Waarlijk, Ik zeg ulieden, dat hij hem over al zijn goederen zetten zal.
Zo zal de heer deszelven dienstknechts komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en ter ure, die hij niet weet; en zal hem afscheiden, en zal zijn deel zetten met de ontrouwen.
En die dienstknecht, welke geweten heeft den wil zijns heeren, en zich niet bereid, noch naar zijn wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden.
Maar die denzelven niet geweten heeft, en gedaan heeft dingen, die slagen waardig zijn, die zal met weinige slagen geslagen worden. En een iegelijk, wien veel gegeven is, van dien zal veel geeist worden; en wien men veel vertrouwd heeft, van dien zal men overvloediger eisen.
De vader zal tegen den zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen den vader; de moeder tegen de dochter; en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen haar schoondochter, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder.
En wanneer gij den zuidenwind ziet waaien, zo zegt gij: Er zal hitte zijn; en het geschiedt.
En hij, antwoordende, zeide tot hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben;
En indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar indien niet, zo zult gij hem namaals uithouwen.
En Hij zeide: Wien is het Koninkrijk Gods gelijk, en waarbij zal Ik hetzelve vergelijken?
En Hij zeide wederom: Waarbij zal Ik het Koninkrijk Gods vergelijken?
Namelijk nadat de Heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar gij zijt.
En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar gij zijt; wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid!
Aldaar zal zijn wening en knersing der tanden, wanneer gij zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen.
Ziet, uw huis wordt ulieden woest gelaten. En voorwaar, Ik zeg u, dat gij Mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn, als gij zult zeggen: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!
En Hij, hun antwoordende, zeide: Wiens ezel of os van ulieden zal in een put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des sabbats?
Maar wanneer gij genood zult zijn, ga heen en zet u in de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u genood heeft, hij tot u zegge: Vriend, ga hoger op. Alsdan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten.
Want een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.
En gij zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, om u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen.
Want ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen, die genood waren, mijn avondmaal smaken zal.
Het zout is goed; maar indien het zout smakeloos geworden is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden?
Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in den hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben.
Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u;
En de rentmeester zeide bij zichzelven: Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? Graven kan ik niet; te bedelen schaam ik mij.
Ik weet, wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal wezen, zij mij in hun huizen ontvangen.
En Ik zeg ulieden: Maakt uzelven vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen.
Zo gij dan in den onrechtvaardigen Mammon niet getrouw zijt geweest, wie zal u het ware vertrouwen?
En zo gij in eens anders goed niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe geven?
Geen huisknecht kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten, en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen, en den anderen verachten; gij kunt God niet dienen en den Mammon.
En wie van u heeft een dienstknecht ploegende, of de beesten hoedende, die tot hem, als hij van den akker inkomt, terstond zal zeggen: Kom bij, en zit aan?
Maar zal hij niet tot hem zeggen: Bereid, dat ik te avond zal eten, en omgord u, en dien mij, totdat ik zal gegeten en gedronken hebben; en eet en drink gij daarna?
En men zal niet zeggen: Ziet hier, of ziet daar, want, ziet, het Koninkrijk Gods is binnen ulieden.
Want gelijk de bliksem, die van het ene einde onder den hemel bliksemt, tot het andere onder den hemel schijnt, alzo zal ook de Zoon des mensen wezen in Zijn dag.
En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzo zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des mensen.
Even alzo zal het zijn in den dag, op welken de Zoon des mensen geopenbaard zal worden.
In dienzelven dag, wie op het dak zal zijn, en zijn huisraad in huis, die kome niet af, om hetzelve weg te nemen; en wie op den akker zijn zal, die kere desgelijks niet naar hetgeen, dat achter is.
Zo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen; en zo wie hetzelve zal verliezen, die zal het in het leven behouden.
Ik zeg u: In dien nacht zullen twee op een bed zijn; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.
Twee vrouwen zullen te zamen malen; de ene zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.
Twee zullen op den akker zijn; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.
Nochtans, omdat deze weduwe mij moeilijk valt, zo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke.
Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen?
Ik zeg u, dat Hij hun haastelijk recht doen zal. Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?
Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.
Voorwaar, zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet zal ontvangen als een kindeken, die zal geenszins in hetzelve komen.
En een zeker overste vraagde Hem, zeggende: Goede Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beerven?
Die niet zal veelvoudig weder ontvangen in dezen tijd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.
En Hij nam de twaalven bij Zich, en zeide tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des mensen, wat geschreven is door de profeten.
Want Hij zal den heidenen overgeleverd worden, en Hij zal bespot worden, en smadelijk behandeld worden, en bespogen worden.
En Hem gegeseld hebbende, zullen zij Hem doden; en ten derden dage zal Hij wederopstaan.
Zeggende: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En hij zeide: Heere! dat ik ziende mag worden.
Maar hij zeide tot hem: Uit uw mond zal ik u oordelen, gij boze dienstknecht! Gij wist, dat ik een straf mens ben, nemende weg, wat ik niet gelegd heb, en maaiende, wat ik niet gezaaid heb.
Want ik zeg u, dat een iegelijk, die heeft, zal gegeven worden; maar van degene, die niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft.
En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, en zegt Mij:
En zij overleiden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den Hemel; zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij dan hem niet geloofd?
En indien wij zeggen: Uit de mensen; zo zal ons al het volk stenigen; want zij houden voor zeker, dat Johannes een profeet was.
En de heer des wijngaards zeide: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefden zoon zenden; mogelijk dezen ziende, zullen zij hem ontzien.
En als zij hem buiten den wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen?
Hij zal komen en deze landlieden verderven, en zal den wijngaard aan anderen geven. En als zij dat hoorden, zeiden zij: Dat zij verre!
Een iegelijk, die op dien steen valt, zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.
Zeggende: Meester! Mozes heeft ons geschreven: Zo iemands broeder sterft, die een vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broeder de vrouw nemen zal, en zijn broeder zaad verwekken.
In de opstanding dan, wiens vrouw van dezen zal zij zijn? Want die zeven hebben dezelve tot een vrouw gehad.
Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
Wat deze dingen aangaat, die gij aanschouwt, er zullen dagen komen, in welke niet een steen op den anderen steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken.
Toen zeide Hij tot hen: Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk.
Want Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken, noch wederstaan allen, die zich tegen u zetten.
Doch wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land, en toorn over dit volk.
En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.
En den mensen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting der dingen, die het aardrijk zullen overkomen; want de krachten der hemelen zullen bewogen worden.
Voorwaar Ik zeg u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alles zal geschied zijn.
Want gelijk een strik zal hij komen over al degenen, die op den gansen aardbodem gezeten zijn.
En Hij zeide tot hen: Ziet, als gij in de stad zult gekomen zijn, zo zal u een mens ontmoeten, dragende een kruik waters; volgt hem in het huis, daar hij ingaat.
En gij zult zeggen tot den huisvader van dat huis: De Meester zegt u: Waar is de eetzaal, daar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?
En hij zal u een grote toegeruste opperzaal wijzen, bereidt het aldaar.
Want Ik zeg u, dat Ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods.
Want Ik zeg u, dat Ik niet drinken zal van de vrucht des wijnstoks, totdat het Koninkrijk Gods zal gekomen zijn.
Maar Hij zeide: Ik zeg u, Petrus, de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult verloochend hebben, dat gij Mij kent.
En de Heere, Zich omkerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord des Heeren, hoe Hij hem gezegd had: Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen.
Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn aan de rechter hand der kracht Gods.
En hij zeide ten derden male tot hen: Wat heeft Deze dan kwaads gedaan? Ik heb geen schuld des doods in Hem gevonden. Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.
Want ziet, er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken, die niet gebaard hebben, en de borsten, die niet gezoogd hebben.
Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden?
Zijn moeder zeide tot de dienaars: Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.
Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal Ik denzelven oprichten.
Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
Jezus antwoordde, en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten:
Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 2:18-Genesis 25:23
- 2.Genesis 26:2-Genesis 49:1
- 3.Genesis 49:7-Exodus 12:26
- 4.Exodus 12:42-Exodus 23:7
- 5.Exodus 23:13-Exodus 32:34
- 6.Exodus 33:1-Leviticus 5:1
- 7.Leviticus 5:2-Leviticus 12:2
- 8.Leviticus 12:3-Leviticus 14:45
- 9.Leviticus 14:46-Leviticus 19:34
- 10.Leviticus 20:2-Leviticus 25:33
- 11.Leviticus 25:34-Numberi 4:16
- 12.Numberi 4:24-Numberi 16:29
- 13.Numberi 16:30-Numberi 30:13
- 14.Numberi 30:15-Deuteronomium 12:5
- 15.Deuteronomium 12:9-Deuteronomium 21:12
- 16.Deuteronomium 21:13-Deuteronomium 28:29
- 17.Deuteronomium 28:30-Jozua 6:17
- 18.Jozua 6:26-Ruth 1:16
- 19.Ruth 1:17-1 Samuël 18:8
- 20.1 Samuël 18:11-2 Samuël 14:8
- 21.2 Samuël 14:10-1 Koningen 9:9
- 22.1 Koningen 11:11-2 Koningen 5:18
- 23.2 Koningen 5:20-2 Kronieken 2:4
- 24.2 Kronieken 2:5-Esther 5:3
- 25.Esther 5:6-Job 18:8
- 26.Job 18:9-Job 40:2
- 27.Job 40:9-Psalmen 37:4
- 28.Psalmen 37:5-Psalmen 64:10
- 29.Psalmen 65:1-Psalmen 94:14
- 30.Psalmen 94:15-Psalmen 122:9
- 31.Psalmen 125:3-Spreuken 12:7
- 32.Spreuken 12:8-Spreuken 21:26
- 33.Spreuken 21:28-Prediker 8:15
- 34.Prediker 8:17-Jesaja 9:18
- 35.Jesaja 9:19-Jesaja 19:23
- 36.Jesaja 19:24-Jesaja 31:5
- 37.Jesaja 31:8-Jesaja 42:16
- 38.Jesaja 42:23-Jesaja 57:19
- 39.Jesaja 58:8-Jeremia 6:20
- 40.Jeremia 6:21-Jeremia 19:3
- 41.Jeremia 19:6-Jeremia 30:17
- 42.Jeremia 30:18-Jeremia 42:20
- 43.Jeremia 43:10-Jeremia 51:39
- 44.Jeremia 51:40-Ezechiël 13:23
- 45.Ezechiël 14:4-Ezechiël 23:48
- 46.Ezechiël 24:9-Ezechiël 33:29
- 47.Ezechiël 33:33-Ezechiël 44:27
- 48.Ezechiël 44:28-Daniël 11:2
- 49.Daniël 11:3-Hosea 9:3
- 50.Hosea 9:4-Amos 5:5
- 51.Amos 5:13-Micha 7:4
- 52.Micha 7:7-Haggaï 2:10
- 53.Haggaï 2:11-Zacharia 14:6
- 54.Zacharia 14:7-Mattheüs 10:42
- 55.Mattheüs 11:6-Mattheüs 24:41
- 56.Mattheüs 24:42-Markus 13:30
- 57.Markus 13:35-Lukas 12:10
- 58.Lukas 12:12-Johannes 4:14
- 59.Johannes 4:25-Handelingen 3:20
- 60.Handelingen 3:22-Romeinen 16:20
- 61.1 Corinthiërs 1:8-Filippenzen 1:18
- 62.Filippenzen 1:19-1 Johannes 2:28
- 63.1 Johannes 3:2-Openbaring 22:19
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (216)
- Exodus (310)
- Leviticus (548)
- Numberi (266)
- Deuteronomium (347)
- Jozua (54)
- Richteren (58)
- Ruth (14)
- 1 Samuël (142)
- 2 Samuël (95)
- 1 Koningen (126)
- 2 Koningen (89)
- 1 Kronieken (32)
- 2 Kronieken (69)
- Ezra (11)
- Nehemia (15)
- Esther (17)
- Job (200)
- Psalmen (432)
- Spreuken (230)
- Prediker (41)
- Hooglied (6)
- Jesaja (539)
- Jeremia (455)
- Klaagliederen (8)
- Ezechiël (439)
- Daniël (85)
- Hosea (91)
- Joël (28)
- Amos (78)
- Obadja (7)
- Jona (5)
- Micha (56)
- Nahum (19)
- Habakuk (16)
- Zefanja (31)
- Haggaï (38)
- Zacharia (102)
- Maleachi (24)
- Mattheüs (201)
- Markus (80)
- Lukas (175)
- Johannes (94)
- Handelingen (53)
- Romeinen (58)
- 1 Corinthiërs (54)
- 2 Corinthiër (29)
- Galaten (11)
- Efeziërs (4)
- Filippenzen (15)
- Colossenzen (4)
- 1 Thessalonicenzen (5)
- 2 Thessalonicenzen (6)
- 1 Timotheüs (3)
- 2 Timotheüs (8)
- Titus (1)
- Filémon (2)
- Hebreeën (27)
- Jakobus (17)
- 1 Petrus (7)
- 2 Petrus (6)
- 1 Johannes (5)
- 2 Johannes (1)
- 3 Johannes (1)
- Openbaring (67)
Verwante onderwerpen
- Abraham
- Afkeer
- Alcohol
- Archeologie
- Beantwoorde Beloften
- Bescherming En Veiligheid
- Bestraffing Door God
- Beëindiging
- Dag Van De HEER
- De Daad Van Openen
- De Invloed Van God Kennen
- De Ouders Verlaten Voor De Echtgenoot
- De Rechtvaardigen
- De Toekomst
- De Wederkomst
- De Zon
- Dochters
- Doden Zal Gebeuren
- Dood Van Een Familielid
- Doodstraf
- Einde Van Dagen
- Geld Zegeningen
- Gezicht Van God
- Gezondheid En Genezen
- God Als Rechter
- God Die Niet Verzaakt
- God Dodend
- God Haalt Israël Uit Egypte
- God Redt De Behoeftigen
- God Tegen
- God Zal Het Eisen
- God Zal Zegenen
- God, De Eeuwige
- Gods Hand
- Gods Onthulde Dingen
- Gods Redding Bekend Gemaakt
- Gods Stem
- Gods Waarheid
- Gods Wil
- Gods Woord Is Rechtvaardig
- Goud
- Grenzen
- Hand Van God
- Herstel
- Het Gevolg Van De Afwijzing Van God
- Het Nieuw Verbond
- Het Woord Spreken Dat God Geschonken Heeft
- Hoofden
- Huwelijk Tussen Man En Vrouw
- Ik Ben De Heer
- Ik Zal Hun God Zijn
- Jouw Familie Beschermen
- Korte Tijd Voor Actie
- Laatste Dingen
- Laatste Oordeel
- Land
- Lauw
- Lege Steden
- Lichaam
- Lof
- Menselijk Belang Van Wijsheid
- Menselijke En Goddelijke Heerschappij
- Mensen Verbranden
- Messiaanse Profetieën
- Missie Van Israël
- Morgen
- Namen En Titels Voor Christus
- Nederlaag
- Offeringen Doden
- Onrein Tot De Avond
- Onreine Dingen
- Onreine Zaken Aanraken
- Ontrouw Aan God
- Oogsten Wat Je Gezaaid Hebt
- Overlevenden Bevoordeeld
- Priesters Die Verzoenen
- Reine Kledij
- Rest
- Rivieren
- Samenkomen Israël
- Schaamte Over Slecht Gedrag
- Schaamte Zal Aankomen
- Schapen En Geiten
- Sex Voor Het Huwelijk
- Straf
- Teruggeven
- Toekomst
- Trouw Tot God
- Vals Vertrouwen
- Veiligheid
- Verspreiden
- Voorspellingen Over Christus
- Vredevolle Slaap
- Vreemdelingen
- Vuur Van Oordeel
- We Danken God
- Wederopbouw
- Wraak
- Zegen Door Gods Volk
- Zegeningen En Voorspoed
- Zeven Dagen
- Zeven Dagen Voor Juridische Zaken
- Zich Zorgen Maken Over De Toekomst
- Zij Die Van Israël Moeten Worden Afgesneden
- Zion
- Zonneschijn