'Zij' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:3-Genesis 20:5
- 2.Genesis 20:11-Genesis 31:43
- 3.Genesis 31:44-Genesis 43:15
- 4.Genesis 43:18-Exodus 7:24
- 5.Exodus 8:1-Exodus 22:30
- 6.Exodus 23:33-Leviticus 2:12
- 7.Leviticus 3:17-Leviticus 22:18
- 8.Leviticus 22:21-Numberi 9:4
- 9.Numberi 9:5-Numberi 18:24
- 10.Numberi 19:2-Numberi 33:25
- 11.Numberi 33:26-Deuteronomium 21:18
- 12.Deuteronomium 21:19-Jozua 3:13
- 13.Jozua 3:15-Jozua 17:10
- 14.Jozua 17:13-Richteren 4:20
- 15.Richteren 4:24-Richteren 16:18
- 16.Richteren 16:19-Ruth 2:19
- 17.Ruth 2:20-1 Samuël 9:26
- 18.1 Samuël 9:27-1 Samuël 25:24
- 19.1 Samuël 25:32-2 Samuël 13:5
- 20.2 Samuël 13:6-1 Koningen 3:22
- 21.1 Koningen 3:24-1 Koningen 20:15
- 22.1 Koningen 20:16-2 Koningen 9:33
- 23.2 Koningen 9:34-2 Koningen 25:5
- 24.2 Koningen 25:6-1 Kronieken 23:26
- 25.1 Kronieken 23:32-2 Kronieken 18:32
- 26.2 Kronieken 19:7-2 Kronieken 31:4
- 27.2 Kronieken 31:5-Nehemia 2:18
- 28.Nehemia 2:19-Esther 3:8
- 29.Esther 3:11-Job 22:29
- 30.Job 24:1-Psalmen 18:18
- 31.Psalmen 18:38-Psalmen 59:7
- 32.Psalmen 59:12-Psalmen 89:31
- 33.Psalmen 89:51-Psalmen 111:2
- 34.Psalmen 111:8-Spreuken 7:13
- 35.Spreuken 7:21-Jesaja 1:29
- 36.Jesaja 1:31-Jesaja 27:13
- 37.Jesaja 28:4-Jesaja 55:10
- 38.Jesaja 56:10-Jeremia 6:28
- 39.Jeremia 7:17-Jeremia 20:10
- 40.Jeremia 20:11-Jeremia 38:6
- 41.Jeremia 38:7-Jeremia 51:57
- 42.Jeremia 51:58-Ezechiël 9:2
- 43.Ezechiël 9:6-Ezechiël 23:18
- 44.Ezechiël 23:19-Ezechiël 34:19
- 45.Ezechiël 34:22-Daniël 3:9
- 46.Daniël 3:12-Hosea 9:6
- 47.Hosea 9:9-Micha 4:12
- 48.Micha 4:13-Zacharia 9:15
- 49.Zacharia 10:2-Mattheüs 12:36
- 50.Mattheüs 12:41-Mattheüs 23:25
- 51.Mattheüs 23:27-Markus 4:33
- 52.Markus 4:36-Markus 11:15
- 53.Markus 11:18-Lukas 2:44
- 54.Lukas 2:45-Lukas 12:27
- 55.Lukas 12:36-Lukas 23:30
- 56.Lukas 23:31-Johannes 9:17
- 57.Johannes 9:18-Johannes 20:3
- 58.Johannes 20:9-Handelingen 8:16
- 59.Handelingen 8:17-Handelingen 17:15
- 60.Handelingen 17:19-Handelingen 28:27
- 61.Handelingen 28:28-1 Corinthiërs 13:5
- 62.1 Corinthiërs 13:6-Filippenzen 4:20
- 63.Filippenzen 4:23-Hebreeën 11:15
- 64.Hebreeën 11:16-Openbaring 8:11
- 65.Openbaring 9:2-Openbaring 22:21
Waarom zouden van den Almachtige de tijden niet verborgen zijn, dewijl zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien?
Zij tasten de landpalen aan; de kudden roven zij, en weiden ze.
Den ezel der wezen drijven zij weg; den os ener weduwe nemen zij te pand.
Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg; te zamen versteken zich de ellendigen des lands.
Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot spijs, en den jongeren.
Op het veld maaien zij zijn voeder, en den wijnberg des goddelozen lezen zij af.
Den naakten laten zij vernachten zonder kleding, die geen deksel heeft tegen de koude.
Van den stroom der bergen worden zij nat, en zonder toevlucht zijnde, omhelzen zij de steenrotsen.
Zij rukken het weesje van de borst, en dat over den arme is, nemen zij te pand.
Den naakte doen zij weggaan zonder kleed, en hongerig, die garven dragen.
Tussen hun muren persen zij olie uit, treden de wijnpersen, en zijn dorstig.
Zij zijn onder de wederstrevers des lichts; zij kennen Zijn wegen niet, en zij blijven niet op Zijn paden.
In de duisternis doorgraaft hij de huizen, die zij zich des daags afgetekend hadden; zij kennen het licht niet.
Want de morgenstond is hun te zamen de schaduw des doods; als men hen kent, zijn zij in de strikken van des doods schaduw.
Zij zijn een weinig tijds verheven, daarna is er niemand van hen; zij worden nedergedrukt; gelijk alle anderen worden zij besloten; en gelijk de top ener aar worden zij afgesneden.
Zie, tot de maan toe, en zij zal geen schijnsel geven; en de sterren zijn niet zuiver in Zijn ogen.
Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?
Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheid van mij niet wegdoen.
Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde.
Dit is het deel des goddelozen mensen bij God, en de erve der tirannen, die zij van den Almachtige ontvangen zullen.
Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten.
Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware.
Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud.
Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.
De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.
Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen den kostelijken Schoham, en den Saffier.
Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor een kleinood van dicht goud.
Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden.
Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen.
Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed.
Na mijn woord spraken zij niet weder, en mijn rede drupte op hen.
Want zij wachtten naar mij, gelijk naar den regen, en sperden hun mond open, als naar den spaden regen.
Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet; en het licht mijns aangezichts deden zij niet nedervallen.
Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan.
Zij werden uit het midden uitgedreven; (men jouwde over hen, als over een dief),
Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen.
Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen vergaderden zij zich.
Zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit den lande.
Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht.
Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen.
Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijn ellende; zij hebben geen helper van doen.
Zij komen aan, als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan.
Zo ik versmaad heb het recht mijns knechts, of mijner dienstmaagd, als zij geschil hadden met mij;
Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden.
Doch Elihu had gewacht op Job in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij.
Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich verzet.
Ik heb dan gewacht, maar zij spreken niet; want zij staan stil; zij antwoorden niet meer.
Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet.
Daarom, gij, lieden van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht!
Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.
In een ogenblik sterven zij; zelfs ter middernacht wordt een volk geschud, dat het doorga; en de machtige wordt weggenomen zonder hand.
Daarom dat Hij hun werken kent, zo keert Hij hen des nachts om, en zij worden verbrijzeld.
Daarom dat zij van achter Hem afgeweken zijn, en geen Zijner wegen verstaan hebben;
Want gij hebt gezegd: Wat zou zij u baten? Wat meer voordeel zal ik daarmede doen, dan met mijn zonde?
Bemerk den hemel en zie; en aanschouw de bovenste wolken, zij zijn hoger dan gij.
Vanwege hun grootheid doen zij de onderdrukten roepen; zij schreeuwen vanwege den arm der groten.
Daar roepen zij; maar Hij antwoordt niet, vanwege den hoogmoed der bozen.
Hij onttrekt Zijn ogen niet van den rechtvaardige, maar met de koningen zijn zij in den troon; daar zet Hij hen voor altoos, en zij worden verheven.
En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende;
Dan geeft Hij hun hun werk te kennen, en hun overtredingen, omdat zij de overhand genomen hebben;
En Hij openbaart het voor hunlieder oor ter tucht, en zegt, dat zij zich van de ongerechtigheid bekeren zouden.
Indien zij horen, en Hem dienen, zo zullen zij hun dagen eindigen in het goede, en hun jaren in liefelijkheden.
Maar zo zij niet horen, zo gaan zij door het zwaard door, en zij geven den geest zonder kennis.
En die met het hart huichelachtig zijn, leggen toorn op; zij roepen niet, als Hij hen gebonden heeft.
Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde.
Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam?
Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?
Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij?
Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering?
Wie bereidt de raaf haar kost, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is?
Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren?
Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?
Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.
Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.
Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.
Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.
Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters? [ (Job 40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? ] [ (Job 40:26) Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? ] [ (Job 40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. ] [ (Job 40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? ]
Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.
Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich.
Ook kwamen tot hem al zijn broeders, en al zijn zusters, en allen, die hem te voren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem, en vertroostten hem over al het kwaad, dat de HEERE over hem gebracht had; en zij gaven hem een iegelijk een stuk gelds, een iegelijk ook een gouden voorhoofdsiersel.
Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.
Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vervallen van hun raadslagen; drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen U.
[ (Psalms 6:11) Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden. ]
De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hunlieder voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden.
[ (Psalms 9:21) O HEERE! jaag hun vreze aan; laat de heidenen weten, dat zij mensen zijn. Sela. ]
De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.
Want ziet, de goddelozen spannen den boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in het donkere te schieten naar de oprechten van harte.
Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.
Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een.
Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen den HEERE niet aan.
Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard; want God is bij het geslacht des rechtvaardigen.
Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk.
In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.
Met Uw hand van de lieden, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderkens achter.
Hij verloste mij van mijn sterken vijand, en van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.
Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij tot een Steunsel.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:3-Genesis 20:5
- 2.Genesis 20:11-Genesis 31:43
- 3.Genesis 31:44-Genesis 43:15
- 4.Genesis 43:18-Exodus 7:24
- 5.Exodus 8:1-Exodus 22:30
- 6.Exodus 23:33-Leviticus 2:12
- 7.Leviticus 3:17-Leviticus 22:18
- 8.Leviticus 22:21-Numberi 9:4
- 9.Numberi 9:5-Numberi 18:24
- 10.Numberi 19:2-Numberi 33:25
- 11.Numberi 33:26-Deuteronomium 21:18
- 12.Deuteronomium 21:19-Jozua 3:13
- 13.Jozua 3:15-Jozua 17:10
- 14.Jozua 17:13-Richteren 4:20
- 15.Richteren 4:24-Richteren 16:18
- 16.Richteren 16:19-Ruth 2:19
- 17.Ruth 2:20-1 Samuël 9:26
- 18.1 Samuël 9:27-1 Samuël 25:24
- 19.1 Samuël 25:32-2 Samuël 13:5
- 20.2 Samuël 13:6-1 Koningen 3:22
- 21.1 Koningen 3:24-1 Koningen 20:15
- 22.1 Koningen 20:16-2 Koningen 9:33
- 23.2 Koningen 9:34-2 Koningen 25:5
- 24.2 Koningen 25:6-1 Kronieken 23:26
- 25.1 Kronieken 23:32-2 Kronieken 18:32
- 26.2 Kronieken 19:7-2 Kronieken 31:4
- 27.2 Kronieken 31:5-Nehemia 2:18
- 28.Nehemia 2:19-Esther 3:8
- 29.Esther 3:11-Job 22:29
- 30.Job 24:1-Psalmen 18:18
- 31.Psalmen 18:38-Psalmen 59:7
- 32.Psalmen 59:12-Psalmen 89:31
- 33.Psalmen 89:51-Psalmen 111:2
- 34.Psalmen 111:8-Spreuken 7:13
- 35.Spreuken 7:21-Jesaja 1:29
- 36.Jesaja 1:31-Jesaja 27:13
- 37.Jesaja 28:4-Jesaja 55:10
- 38.Jesaja 56:10-Jeremia 6:28
- 39.Jeremia 7:17-Jeremia 20:10
- 40.Jeremia 20:11-Jeremia 38:6
- 41.Jeremia 38:7-Jeremia 51:57
- 42.Jeremia 51:58-Ezechiël 9:2
- 43.Ezechiël 9:6-Ezechiël 23:18
- 44.Ezechiël 23:19-Ezechiël 34:19
- 45.Ezechiël 34:22-Daniël 3:9
- 46.Daniël 3:12-Hosea 9:6
- 47.Hosea 9:9-Micha 4:12
- 48.Micha 4:13-Zacharia 9:15
- 49.Zacharia 10:2-Mattheüs 12:36
- 50.Mattheüs 12:41-Mattheüs 23:25
- 51.Mattheüs 23:27-Markus 4:33
- 52.Markus 4:36-Markus 11:15
- 53.Markus 11:18-Lukas 2:44
- 54.Lukas 2:45-Lukas 12:27
- 55.Lukas 12:36-Lukas 23:30
- 56.Lukas 23:31-Johannes 9:17
- 57.Johannes 9:18-Johannes 20:3
- 58.Johannes 20:9-Handelingen 8:16
- 59.Handelingen 8:17-Handelingen 17:15
- 60.Handelingen 17:19-Handelingen 28:27
- 61.Handelingen 28:28-1 Corinthiërs 13:5
- 62.1 Corinthiërs 13:6-Filippenzen 4:20
- 63.Filippenzen 4:23-Hebreeën 11:15
- 64.Hebreeën 11:16-Openbaring 8:11
- 65.Openbaring 9:2-Openbaring 22:21
Verwante onderwerpen
- Afkeer
- Afwijzing Van God
- Alwetende God
- Amen
- Andere Goden
- Angst Voor Andere Mensen
- Beëindiging
- Buigen
- Christus Zou Worden Vermoord
- De Daad Van Openen
- De Functie Van Priesters In De Tijd Van OT
- De Legale Aspecten Van Bestraffing
- Een Baby Verwachten
- Genade Voor Jou
- Gevallen En Verlost Hart
- Gods Stem