'Aan' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:30-Genesis 31:26
- 2.Genesis 31:27-Exodus 6:2
- 3.Exodus 6:4-Exodus 26:26
- 4.Exodus 26:27-Exodus 40:20
- 5.Exodus 40:21-Leviticus 14:48
- 6.Leviticus 15:5-Numberi 16:40
- 7.Numberi 16:49-Deuteronomium 1:3
- 8.Deuteronomium 1:5-Deuteronomium 23:15
- 9.Deuteronomium 23:19-Jozua 12:7
- 10.Jozua 12:22-Richteren 4:7
- 11.Richteren 4:11-1 Samuël 1:19
- 12.1 Samuël 1:28-1 Samuël 24:3
- 13.1 Samuël 24:6-2 Samuël 18:11
- 14.2 Samuël 18:12-1 Koningen 14:6
- 15.1 Koningen 15:13-2 Koningen 20:12
- 16.2 Koningen 22:5-2 Kronieken 6:14
- 17.2 Kronieken 6:37-Ezra 6:6
- 18.Ezra 6:7-Esther 4:5
- 19.Esther 4:10-Psalmen 1:3
- 20.Psalmen 5:4-Psalmen 98:3
- 21.Psalmen 102:5-Spreuken 13:5
- 22.Spreuken 16:5-Jesaja 41:26
- 23.Jesaja 42:18-Jeremia 21:4
- 24.Jeremia 21:13-Ezechiël 1:8
- 25.Ezechiël 1:9-Ezechiël 39:20
- 26.Ezechiël 39:21-Daniël 4:1
- 27.Daniël 4:2-Micha 7:18
- 28.Nahum 1:2-Mattheüs 26:31
- 29.Mattheüs 26:33-Lukas 11:45
- 30.Lukas 11:46-Handelingen 7:13
- 31.Handelingen 7:17-Romeinen 15:31
- 32.1 Corinthiërs 1:2-1 Timotheüs 4:13
- 33.1 Timotheüs 5:4-Openbaring 18:4
- 34.Openbaring 18:7-Openbaring 22:18
Toen zeide Esther tot Hatach, en gaf hem bevel aan Mordechai:
En zij gaven de woorden van Esther aan Mordechai te kennen.
Toen ging Mordechai henen, en hij deed naar alles, wat Esther aan hem geboden had.
Het geschiedde nu aan den derden dag, dat Esther een koninklijk kleed aantrok, en stond in het binnenste voorhof van des konings huis, tegenover het huis des konings; de koning nu zat op zijn koninklijken troon, in het koninklijke huis, tegenover de deur van het huis.
En het geschiedde, toen de koning de koningin Esther zag, staande in het voorhof, verkreeg zij genade in zijn ogen, zodat de koning den gouden scepter, die in zijn hand was, Esther toereikte; en Esther naderde, en roerde de spits des scepters aan.
Toen zeide zijn huisvrouw Zeres tot hem, mitsgaders al zijn vrienden: Men make een galg, vijftig ellen hoog, en zeg morgen aan den koning, dat men Mordechai daaraan hange; ga dan vrolijk met den koning tot dien maaltijd. Deze raad nu dacht Haman goed, en hij deed de galg maken.
En men vond geschreven, dat Mordechai had te kennen gegeven van Bigthana en Theres, twee kamerlingen des konings, uit de dorpelwachters, die de hand zochten te leggen aan den koning Ahasveros.
Toen zeide de koning: Wat eer en verhoging is Mordechai hierover gedaan? En de jongelingen des konings, zijn dienaars, zeiden: Aan hem is niets gedaan.
Toen zeide de koning: Wie is in het voorhof? (Haman nu was gekomen in het buitenvoorhof van het huis des konings, om den koning te zeggen, dat men Mordechai zou hangen aan de galg, die hij hem had doen bereiden.)
Zal men het koninklijke kleed brengen, dat de koning pleegt aan te trekken, en het paard, waarop de koning pleegt te rijden; en dat de koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worde.
Toen zeide de koning tot Haman: Haast u, neem dat kleed, en dat paard, gelijk als gij gesproken hebt, en doe alzo aan Mordechai, den Jood, dien aan de poort des konings zit; en laat niet een woord vallen van alles, wat gij gesproken hebt.
En Haman nam dat kleed en dat paard, en trok het kleed Mordechai aan, en deed hem rijden door de straten der stad, en hij riep voor hem: Alzo zal men dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft!
En Haman vertelde aan zijn huisvrouw Zeres en al zijn vrienden al wat hem wedervaren was. Toen zeiden hem zijn wijzen, en Zeres, zijn huisvrouw: Indien Mordechai, voor wiens aangezicht gij hebt begonnen te vallen, van het zaad der Joden is, zo zult gij tegen hem niet vermogen; maar gij zult gewisselijk voor zijn aangezicht vallen.
Alzo hingen zij Haman aan de galg, die hij voor Mordechai had doen bereiden; en de grimmigheid des konings werd gestild.
Te dienzelfden dage gaf de koning Ahasveros aan de koningin Esther het huis van Haman, den vijand der Joden; en Mordechai kwam voor het aangezicht des konings, want Esther had te kennen gegeven, wat hij voor haar was.
En de koning toog zijn ring af, dien hij van Haman genomen had, en gaf hem aan Mordechai; en Esther stelde Mordechai over het huis van Haman.
Toen zeide de koning Ahasveros tot de koningin Esther en tot Mordechai, den Jood: Ziet, het huis van Haman heb ik Esther gegeven, en hem heeft men aan de galg gehangen, omdat hij zijn hand aan de Joden geslagen had.
Toen werden des konings schrijvers geroepen, ter zelfder tijd, in de derde maand (zij is de maand Sivan), op den drie en twintigsten derzelve, en er werd geschreven naar alles, wat Mordechai gebood, aan de Joden, en aan de stadhouders, en landvoogden, en oversten der landschappen, die van Indie af tot aan Morenland strekken, honderd zeven en twintig landschappen, een ieder landschap naar zijn schrift, een ieder volk naar zijn spraak; ook aan de Joden naar hun schrift en naar hun spraak.
De inhoud van dit schrift was: dat een wet zou gegeven worden in alle landschappen, openbaar aan alle volken; en dat de Joden gereed zouden zijn tegen dien dag, om zich te wreken aan hun vijanden.
Want de Joden vergaderden zich in hun steden, in al de landschappen van den koning Ahasveros, om de hand te slaan aan degenen, die hun verderf zochten; en niemand bestond voor hen, want hunlieder schrik was op al die volken gevallen.
De tien zonen van Haman, den zoon van Hammedatha, den vijand der Joden, doodden zij; maar zij sloegen hun handen niet aan den roof.
Toen zeide Esther: Dunkt het den koning goed, men late ook morgen den Joden, die te Susan zijn, toe, te doen naar het gebod van heden; en men hange de tien zonen van Haman aan de galg.
En de Joden, die te Susan waren, vergaderden ook op den veertienden dag der maand Adar, en zij doodden te Susan driehonderd mannen; maar zij sloegen hun hand niet aan den roof.
De overige Joden nu, die in de landschappen des konings waren, vergaderden, opdat zij stonden voor hun leven, en rust hadden van hun vijanden, en zij doodden onder hun haters vijf en zeventig duizend; maar zij sloegen hun hand niet aan den roof.
Daarom maakten de Joden van de dorpen, die in de dorpsteden woonden, den veertienden dag der maand Adar ter vreugde en maaltijden, en een vrolijken dag, en der zending van delen aan elkander.
En Mordechai beschreef deze geschiedenissen; en hij zond brieven aan al de Joden, die in al de landschappen van den koning Ahasveros waren, dien, die nabij, en dien, die verre waren,
Naar de dagen, in dewelke de Joden tot rust gekomen waren van hun vijanden, en de maand, die hun veranderd was van droefenis in blijdschap, en van rouw in een vrolijken dag; dat zij dezelve dagen maken zouden tot dagen der maaltijden, en der vreugde, en der zending van delen aan elkander, en der gaven aan de armen.
En de Joden namen aan te doen, wat zij begonnen hadden, en dat Mordechai aan hen geschreven had.
Maar als zij voor den koning gekomen was, heeft hij door brieven bevolen, dat zijn boze gedachte, die hij gedacht had over de Joden, op zijn hoofd zou wederkeren; en men heeft hem en zijn zonen aan de galg gehangen.
En hij zond de brieven aan al de Joden, in de honderd zeven en twintig landschappen van het koninkrijk van Ahasveros, met woorden van vrede en trouw;
Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen?
En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN.
Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.
Doch de Sabeers deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeen stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtigheid, hoewel gij Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak.
Doch strek nu Uw hand uit, en tast zijn gebeente en zijn vlees aan; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen!
Toen zeide zijn huisvrouw tot hem: Houdt gij nog vast aan uw oprechtigheid? Zegen God, en sterf.
Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?
Maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd.
Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen.
Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze.
Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten.
Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij den avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan den schemertijd.
Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?
Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, te zamen rondom mij zijn zij, en Gij verslindt mij.
Benevens het leven hebt Gij weldadigheid aan mij gedaan, en Uw opzicht heeft mijn geest bewaard.
Den band der koningen maakt Hij los, en Hij bindt den gordel aan hun lenden.
Wend U van hem af, dat hij rust hebbe, totdat hij als een dagloner aan zijn dag een welgevallen hebbe.
Maar zijn vlees, nog aan hem zijnde, heeft smart; en zijn ziel, in hem zijnde, heeft rouw.
Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;
Te allen dage doet de goddeloze zichzelven weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor den tiran weggelegd.
Want hij strekt tegen God zijn hand uit, en tegen den Almachtige stelt hij zich geweldiglijk aan.
Hij loopt tegen Hem aan met den hals, met zijn dikke, hoog verhevene schilden.
Zijn ontvangen moeite, en baren ijdelheid, en hun buik richt bedrog aan.
Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.
Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde.
Alle mensen mijns heimelijken raads hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd.
Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden.
Wanneer zijn hoogheid tot den hemel toe opklomme, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte;
Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.
Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.
Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?
Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn.
Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.
Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.
Zij tasten de landpalen aan; de kudden roven zij, en weiden ze.
De onvruchtbare, die niet baart, teert hij af, en aan de weduwe doet hij niets goeds.
Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?
Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet.
Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.
Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen.
Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om.
Want Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen.
De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw vernachtte op mijn tak.
Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht.
Zij komen aan, als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan.
Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.
Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;
Zo mijn hart verlokt is geweest tot een vrouw, of ik aan mijns naasten deur geloerd heb;
Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet, als hij welbehagen heeft aan God.
Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.
Daarom vreze Hem de lieden; Hij ziet geen wijzen van harte aan.
Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?
Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.
Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?
Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?
Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.
Zal hij aan u veel smekingen maken? Zal hij zachtjes tot u spreken?
Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.
Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.
Daarom neemt nu voor ulieden zeven varren en zeven rammen, en gaat henen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor ulieden, en laat Mijn knecht Job voor ulieden bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan ulieden niet doe naar uw dwaasheid; want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
Toen gingen Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiet, henen, en deden, gelijk als de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het aangezicht van Job aan.
Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:30-Genesis 31:26
- 2.Genesis 31:27-Exodus 6:2
- 3.Exodus 6:4-Exodus 26:26
- 4.Exodus 26:27-Exodus 40:20
- 5.Exodus 40:21-Leviticus 14:48
- 6.Leviticus 15:5-Numberi 16:40
- 7.Numberi 16:49-Deuteronomium 1:3
- 8.Deuteronomium 1:5-Deuteronomium 23:15
- 9.Deuteronomium 23:19-Jozua 12:7
- 10.Jozua 12:22-Richteren 4:7
- 11.Richteren 4:11-1 Samuël 1:19
- 12.1 Samuël 1:28-1 Samuël 24:3
- 13.1 Samuël 24:6-2 Samuël 18:11
- 14.2 Samuël 18:12-1 Koningen 14:6
- 15.1 Koningen 15:13-2 Koningen 20:12
- 16.2 Koningen 22:5-2 Kronieken 6:14
- 17.2 Kronieken 6:37-Ezra 6:6
- 18.Ezra 6:7-Esther 4:5
- 19.Esther 4:10-Psalmen 1:3
- 20.Psalmen 5:4-Psalmen 98:3
- 21.Psalmen 102:5-Spreuken 13:5
- 22.Spreuken 16:5-Jesaja 41:26
- 23.Jesaja 42:18-Jeremia 21:4
- 24.Jeremia 21:13-Ezechiël 1:8
- 25.Ezechiël 1:9-Ezechiël 39:20
- 26.Ezechiël 39:21-Daniël 4:1
- 27.Daniël 4:2-Micha 7:18
- 28.Nahum 1:2-Mattheüs 26:31
- 29.Mattheüs 26:33-Lukas 11:45
- 30.Lukas 11:46-Handelingen 7:13
- 31.Handelingen 7:17-Romeinen 15:31
- 32.1 Corinthiërs 1:2-1 Timotheüs 4:13
- 33.1 Timotheüs 5:4-Openbaring 18:4
- 34.Openbaring 18:7-Openbaring 22:18