'Den' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:1-Genesis 21:8
- 2.Genesis 21:9-Genesis 37:31
- 3.Genesis 37:32-Exodus 6:28
- 4.Exodus 7:15-Exodus 18:20
- 5.Exodus 19:3-Exodus 29:19
- 6.Exodus 29:20-Exodus 39:2
- 7.Exodus 39:9-Leviticus 7:25
- 8.Leviticus 7:29-Leviticus 15:6
- 9.Leviticus 15:7-Leviticus 23:40
- 10.Leviticus 23:41-Numberi 6:9
- 11.Numberi 6:10-Numberi 11:17
- 12.Numberi 11:20-Numberi 21:31
- 13.Numberi 21:33-Numberi 32:23
- 14.Numberi 32:27-Deuteronomium 4:48
- 15.Deuteronomium 5:4-Deuteronomium 17:9
- 16.Deuteronomium 17:12-Deuteronomium 29:20
- 17.Deuteronomium 29:29-Jozua 8:27
- 18.Jozua 8:29-Jozua 19:34
- 19.Jozua 19:39-Richteren 3:17
- 20.Richteren 3:20-Richteren 17:4
- 21.Richteren 17:12-1 Samuël 6:9
- 22.1 Samuël 6:10-1 Samuël 17:12
- 23.1 Samuël 17:13-1 Samuël 28:10
- 24.1 Samuël 28:15-2 Samuël 11:2
- 25.2 Samuël 11:3-2 Samuël 19:14
- 26.2 Samuël 19:15-1 Koningen 1:44
- 27.1 Koningen 1:46-1 Koningen 9:15
- 28.1 Koningen 9:19-1 Koningen 16:19
- 29.1 Koningen 16:21-2 Koningen 2:14
- 30.2 Koningen 2:23-2 Koningen 9:25
- 31.2 Koningen 9:27-2 Koningen 18:6
- 32.2 Koningen 18:7-2 Koningen 25:25
- 33.2 Koningen 25:26-1 Kronieken 9:16
- 34.1 Kronieken 9:19-1 Kronieken 27:24
- 35.1 Kronieken 28:1-2 Kronieken 11:22
- 36.2 Kronieken 12:2-2 Kronieken 23:13
- 37.2 Kronieken 23:15-2 Kronieken 33:17
- 38.2 Kronieken 33:18-Ezra 7:23
- 39.Ezra 7:24-Nehemia 11:13
- 40.Nehemia 11:15-Esther 9:2
- 41.Esther 9:5-Job 24:3
- 42.Job 24:4-Psalmen 1:1
- 43.Psalmen 1:6-Psalmen 30:8
- 44.Psalmen 31:1-Psalmen 55:8
- 45.Psalmen 55:18-Psalmen 80:17
- 46.Psalmen 81:1-Psalmen 106:1
- 47.Psalmen 106:16-Psalmen 132:2
- 48.Psalmen 132:5-Spreuken 9:16
- 49.Spreuken 10:1-Spreuken 24:7
- 50.Spreuken 24:9-Prediker 12:6
- 51.Prediker 12:11-Jesaja 13:11
- 52.Jesaja 13:13-Jesaja 31:1
- 53.Jesaja 31:4-Jesaja 49:4
- 54.Jesaja 49:7-Jeremia 4:4
- 55.Jeremia 4:11-Jeremia 23:10
- 56.Jeremia 23:24-Jeremia 34:8
- 57.Jeremia 34:12-Jeremia 45:1
- 58.Jeremia 46:1-Klaagliederen 3:66
- 59.Klaagliederen 4:5-Ezechiël 24:16
- 60.Ezechiël 24:18-Ezechiël 41:16
- 61.Ezechiël 41:17-Daniël 2:10
- 62.Daniël 2:11-Daniël 9:21
- 63.Daniël 9:22-Amos 2:9
- 64.Amos 2:10-Habakuk 2:11
- 65.Habakuk 2:13-Maleachi 1:6
- 66.Maleachi 1:11-Mattheüs 10:42
- 67.Mattheüs 11:5-Mattheüs 22:16
- 68.Mattheüs 22:17-Markus 2:27
- 69.Markus 2:28-Markus 14:14
- 70.Markus 14:23-Lukas 5:5
- 71.Lukas 5:14-Lukas 16:5
- 72.Lukas 16:8-Johannes 3:8
- 73.Johannes 3:13-Johannes 14:9
- 74.Johannes 14:10-Handelingen 4:30
- 75.Handelingen 4:31-Handelingen 13:36
- 76.Handelingen 13:42-Handelingen 23:2
- 77.Handelingen 23:4-Romeinen 8:29
- 78.Romeinen 8:36-1 Corinthiërs 7:40
- 79.1 Corinthiërs 8:1-Galaten 3:2
- 80.Galaten 3:3-Filippenzen 3:6
- 81.Filippenzen 3:14-Titus 2:13
- 82.Titus 3:8-1 Petrus 2:15
- 83.1 Petrus 2:17-Openbaring 5:5
- 84.Openbaring 5:6-Openbaring 19:11
- 85.Openbaring 19:14-Openbaring 22:14
Tot hetgeen boven de deur was, en tot het binnenste en buitenste huis toe, en aan den gansen wand rondom henen in het binnenste en buitenste, al bij maten.
Namelijk, eens mensen aangezicht tegen den palmboom van deze, en eens jongen leeuws aangezicht tegen den palmboom van gene zijde; gemaakt in het ganse huis rondom henen.
Van de aarde af tot boven de deur waren de cherubs en de palmbomen gemaakt, ook aan den wand des tempels.
Daarna bracht hij mij uit tot het buitenste voorhof; den weg naar den weg van het noorden; en hij bracht mij tot de kameren, die tegenover de afgesneden plaats, en die tegenover het gebouw tegen het noorden waren:
De muur nu, die naar buiten tegenover de kameren was, den weg naar het buitenste voorhof, voor aan de kameren, de lengte van dien was vijftig ellen.
Want de lengte der kameren, die het buitenste voorhof had, was vijftig ellen; en ziet, voor aan den tempel waren honderd ellen.
Aan de breedte van den muur des voorhofs, den weg naar het oosten, voor aan de afgesneden plaats, en voor aan het gebouw, waren kameren.
En de weg voor dezelve henen was als de gedaante der kameren, die den weg naar het noorden waren, naar derzelver lengte, alzo naar derzelver breedte; en al haar uitgangen waren ook naar derzelver wijzen en naar derzelver deuren.
En gelijk de deuren der kameren, die den weg naar het zuiden waren, was er een deur in het hoofd van den weg, den weg voor aan den rechten muur, den weg naar het oosten, als men daar ingaat.
Toen zeide hij tot mij: De kameren van het noorden, en de kameren van het zuiden, die voor aan de afgesneden plaats zijn, dat zijn heilige kameren, waarin de priesters, die tot den HEERE naderen, die allerheiligste dingen zullen eten; aldaar zullen zij de allerheiligste dingen henenleggen, en het spijsoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer, want de plaats is heilig.
Als hij nu de maten van het binnenste huis geeindigd had, zo bracht hij mij uit, den weg naar de poort, die den weg naar het oosten zag, en hij mat ze rondom henen.
Toen leidde hij mij tot de poort, de poort, die den weg naar het oosten zag.
En ziet, de heerlijkheid des Gods van Israel kwam van den weg naar het oosten; en Zijn stem was als het geruis van vele wateren, en de aarde werd verlicht van Zijn heerlijkheid.
En de heerlijkheid des HEEREN kwam in het huis, door den weg der poort, die den weg naar het oosten zag.
Gij mensenkind; wijs den huize Israels dit huis, opdat zij schaamrood worden vanwege hun ongerechtigheden, en laat ze het patroon afmeten.
En indien zij schaamrood worden vanwege alles, wat zij gedaan hebben, zo maak hun bekend den vorm van het huis, en zijn gestaltenis, en zijn uitgangen, en zijn ingangen, en al zijn vormen, en al zijn ordinantien, ja, al zijn vormen en al zijn wetten; en schrijf het voor hun ogen, opdat zij zijn gansen vorm en al zijn ordinantien bewaren, en dezelve doen.
Van den boezem nu op de aarde tot aan het onderste afzetsel, twee ellen; en de breedte een el; en van het kleinste afzetsel tot aan het grootste afzetsel, vier ellen, en de breedte een el.
En de Harel vier ellen; en van den Ariel voorts opwaarts, de vier hoornen.
En gij zult van deszelfs bloed nemen, en doen het aan zijn vier hoornen, en aan de vier hoeken der afzetsels, en aan den rand rondom; alzo zult gij het ontzondigen, en het verzoenen.
Daarna zult gij den var des zondoffers nemen; en hij zal hem verbranden in een bestelde plaats van het huis buiten het heiligdom.
En op den tweeden dag zult gij een volkomen geitenbok offeren ten zondoffer; en zij zullen het altaar ontzondigen, gelijk als zij dat ontzondigd hebben met den var.
En gij zult ze offeren voor het aangezicht des HEEREN; en de priesteren zullen zout daarop werpen, en zullen ze offeren ten brandoffer den HEERE.
Als zij nu deze dagen zullen voleind hebben, dan zal het op den achtsten dag en voortaan geschieden, dat de priesters uw brandofferen en uw dankofferen op het altaar zullen bereiden; en Ik zal een welgevallen aan ulieden hebben, spreekt de Heere HEERE.
Toen deed hij mij wederkeren den weg naar de poort van het buitenste heiligdom, die naar het oosten zag; en die was toegesloten.
De vorst, de vorst, die zal in dezelve zitten, om brood te eten voor het aangezicht des HEEREN; door den weg van het voorhuis der poort zal hij ingaan, en door den weg van hetzelve zal hij uitgaan.
Daarna bracht hij mij den weg der noorderpoort, voor aan het huis; en ik zag, en ziet, de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld; toen viel ik op mijn aangezicht.
En de HEERE zeide tot mij: Mensenkind! zet er uw hart op, en zie met uw ogen, en hoor met uw oren alles, wat Ik met u spreken zal, van alle inzettingen van het huis des HEEREN, en van al zijn wetten; en zet uw hart op den ingang van het huis, met alle uitgangen des heiligdoms.
Omdat zij henlieden gediend hebben voor het aangezicht hunner drekgoden, en den huize Israels tot een aanstoot der ongerechtigheid geweest zijn, daarom heb Ik Mijn hand tegen hen opgeheven, spreekt de Heere HEERE, dat zij hun ongerechtigheid zullen dragen.
En de eerstelingen van alle eerste vruchten van alles, en alle hefoffer van alles, van al uw hefofferen, zullen der priesteren zijn; ook zult gij de eerstelingen van uw deeg den priester geven, om den zegen op uw huis te doen rusten.
Als gijlieden nu het land zult doen vallen in erfenis, zo zult gij een hefoffer den HEERE offeren, tot een heilige plaats, van het land; de lengte zal zijn de lengte van vijf en twintig duizend meetrieten, en de breedte tien duizend; dat zal in zijn gehele grenzen rondom heilig zijn.
Dat zal een heilige plaats zijn van het land; zij zal zijn voor de priesteren, die het heiligdom bedienen, die naderen om den HEERE te dienen; en het zal hun een plaats zijn tot huizen, en een heilige plaats voor het heiligdom.
De vorst nu zal zijn deel hebben van deze en van gene zijde des heiligen hefoffers en der bezitting der stad, voor aan het heilig hefoffer, en voor aan de bezitting der stad; van den westerhoek westwaarts, en van den oosterhoek oostwaarts; en de lengte zal zijn tegenover een der delen, van de westergrens tot de oostergrens toe.
Dit land aangaande, het zal hem tot een bezitting zijn in Israel; en Mijn vorsten zullen Mijn volk niet meer verdrukken, maar den huize Israels het land laten, naar hun stammen.
Een efa en een bath zullen van enerlei mate zijn, dat een bath het tiende deel van een homer houde; ook een efa het tiende deel van een homer; de mate daarvan zal zijn naar den homer.
Al het volk des lands zal in dit hefoffer zijn, voor den vorst in Israel.
En het zal den vorst opleggen te offeren de brandofferen, en het spijsoffer, en het drankoffer, op de feesten, en op de nieuwe maanden, en op de sabbatten, op alle gezette hoogtijden van het huis Israels; hij zal het zondoffer, en het spijsoffer, en het brandoffer, en de dankofferen doen, om verzoening te doen voor het huis Israels.
Alzo zegt de Heere HEERE: In de eerste maand, op den eersten der maand, zult gij een volkomen var, een jong rund, nemen; en gij zult het heiligdom ontzondigen.
Alzo zult gij ook doen op den zevenden in die maand; vanwege den afdwalende, en vanwege den slechte; alzo zult gijlieden het huis verzoenen.
In de eerste maand, op den veertienden dag der maand, zal ulieden het pascha zijn; een feest van zeven dagen, ongezuurde broden zal men eten.
En de zeven dagen van het feest zal hij een brandoffer den HEERE bereiden, van zeven varren en zeven rammen, die volkomen zijn, dagelijks, de zeven dagen lang, en een zondoffer van een geitenbok, dagelijks.
In de zevende maand, op den vijftienden dag der maand zal hij op het feest desgelijks doen, zeven dagen lang; gelijk het zondoffer, gelijk het brandoffer, en gelijk het spijsoffer, en gelijk de olie.
Alzo zegt de Heere HEERE: De poort van het binnenste voorhof, die naar het oosten ziet; zal de zes werkdagen gesloten zijn; maar op den sabbatdag zal zij geopend worden; ook zal zij geopend worden op den dag van de nieuwe maan.
En de vorst zal ingaan door den weg van het voorhuis derzelve poort van buiten, en zal staan aan den post van de poort; en de priesters zullen zijn brandofferen en zijn dankofferen bereiden, en hij zal aanbidden aan den dorpel der poort, en daarna uitgaan; doch de poort zal niet gesloten worden tot op den avond.
Het brandoffer nu, dat de vorst den HEERE zal offeren, zal op den sabbatdag zijn, zes volkomen lammeren, en een volkomen ram.
En het spijsoffer, een efa tot den ram, maar tot de lammeren zal het spijsoffer een gave zijner hand zijn; en olie, een hin tot een efa.
Maar op den dag van de nieuwe maan, een var, een jong rund, van de volkomene, en zes lammeren, en een ram; volkomen zullen zij zijn.
En ten spijsoffer zal hij bereiden een efa tot den var, en een efa tot den ram; maar tot de lammeren, zoals zijn hand bekomen zal; en een hin olie tot een efa.
En als de vorst ingaat, zal hij door den weg van het voorhuis der poort ingaan, en door deszelfs weg weder uitgaan.
Maar als het volk des lands voor het aangezicht des HEEREN komt, op de gezette hoogtijden, die door den weg van de noorderpoort ingaat om te aanbidden, zal door den weg van de zuiderpoort weder uitgaan; en die door den weg van de zuiderpoort ingaat, zal door den weg van de noorderpoort weder uitgaan; hij zal niet wederkeren door den weg der poort, door dewelke hij is ingegaan, maar recht voor zich henen uitgaan.
En als de vorst een vrijwillig offer zal doen, een brandoffer of dankofferen tot een vrijwillig offer den HEERE, zo zal men hem de poort openen, die naar het oosten ziet; en hij zal zijn brandoffer en zijn dankofferen doen, gelijk als hij zal gedaan hebben op den sabbatdag; en als hij weder uitgaat, zal men de poort sluiten, nadat hij uitgegaan zal zijn.
Wijders zult gij een volkomen eenjarig lam dagelijks bereiden ten brandoffer den HEERE; alle morgens zult gij dat bereiden.
En gij zult ten spijsoffer daarop doen, alle morgens een zesde deel van een efa, en olie een derde deel van een hin, om de meelbloem te bedruipen; tot een spijsoffer den HEERE, tot eeuwige inzettingen, geduriglijk.
Maar wanneer hij van zijn erfenis een geschenk zal geven aan een van zijn knechten, die zal dat hebben tot het vrijjaar toe; dan zal het tot den vorst wederkeren; het is immers zijn erfenis, zijn zonen zullen het hebben.
Daarna bracht hij mij door den ingang, die aan de zijde der poort was, tot de heilige kameren, den priesteren toe behorende, die naar het noorden zagen, en ziet, aldaar was een plaats aan beide zijden, naar het westen.
Daarna bracht hij mij weder tot de deur van het huis, en ziet, er vloten wateren uit, van onder den dorpel des huizes naar het oosten; want het voorste deel van het huis was in het oosten, en de wateren daalden af van onderen, uit de rechterzijde des huizes, van het zuiden des altaars.
En hij bracht mij uit door den weg van de noorderpoort, en voerde mij om door den weg van buiten, tot de buitenpoort, den weg, die naar het oosten ziet; en ziet, de wateren sprongen uit de rechterzijde.
En hij zeide tot mij: Hebt gij het gezien, mensenkind? Toen voerde hij mij, en bracht mij weder tot aan den oever der beek.
Als ik wederkeerde, ziet, zo was er aan den oever der beek zeer veel geboomte, van deze en van gene zijde.
Dit nu zal de landpale des lands zijn: aan den noorderhoek, van de grote zee af, den weg van Hethlon, waar men komt te Zedad.
Den oosterhoek nu zult gijlieden meten van tussen Havran, en van tussen Damaskus, en van tussen Gilead, en van tussen het land Israels aan den Jordaan, van de landpale af tot de Oostzee toe; en dat zal de oosterhoek zijn.
En den zuiderhoek zuidwaarts van Thamar af, tot aan het twistwater van Kades, voorts naar de beek henen, tot aan de grote zee; en dat zal de zuiderhoek zuidwaarts zijn.
En den westerhoek, de grote zee, van de landpale af tot daar men recht tegenover Hamath komt; dat zal de westerhoek zijn.
Ook zal het geschieden, in den stam, bij welken de vreemdeling verkeert, aldaar zult gij hem zijn erfenis geven, spreekt de Heere HEERE.
Dit nu zijn de namen der stammen. Van het einde noordwaarts, aan de zijde des wegs van Hethlon, waar men komt te Hamath, Hazar-Enon, de landpale van Damaskus, noordwaarts aan de zijde van Hamath (ook zal hij den oosterhoek en westerhoek hebben), zal Dan een snoer hebben.
En aan de landpale van Dan, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Aser een.
En aan de landpale van Aser, van den oosterhoek af tot den westerhoek toe, Nafthali een.
En aan de landpale van Nafthali, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Manasse een.
En aan de landpale van Manasse, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Efraim een.
En aan de landpale van Efraim, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Ruben een.
En aan de landpale van Ruben, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Juda een.
Aan de landpale nu van Juda, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, zal het hefoffer zijn, dat gijlieden zult offeren, vijf en twintig duizend meetrieten in breedte, en de lengte, als van een der andere delen, van den oosterhoek tot den westerhoek toe; en het heiligdom zal in het midden deszelven zijn.
Het hefoffer, dat gijlieden den HEERE zult offeren, zal wezen de lengte van vijf en twintig duizend, en de breedte van tien duizend.
En zij zullen daarvan niet verkopen, noch de eerstelingen des lands verwisselen, noch overdragen; want het is een heiligheid den HEERE.
En dit zullen haar maten zijn: de noorderhoek, vier duizend en vijfhonderd meetrieten; en de zuiderhoek vier duizend en vijfhonderd en van den oosterhoek vier duizend en vijfhonderd; en de westerhoek vier duizend en vijfhonderd.
En het overgelatene zal voor den vorst zijn, van deze en van gene zijde des heiligen hefoffers, en van de bezitting der stad, voor aan de vijf en twintig duizend meetrieten des hefoffers, tot aan de oosterlandpale en westerlandpale, voor aan de vijf en twintig duizend aan de westerlandpale, tegenover de andere delen, dat zal voor den vorst zijn; en het heilig hefoffer, en het heiligdom des huizes, zal in het midden daarvan zijn.
Aangaande voorts het overige der stammen; van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Benjamin een snoer.
En aan de landpale van Benjamin, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Simeon een.
En aan de landpale van Simeon, van den oosterhoek tot de westerhoek toe, Issaschar een.
En aan de landpale van Issaschar, van den oosterhoek tot aan den westerhoek toe, Zebulon een.
En aan de landpale van Zebulon, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Gad een.
Aan de landpale nu van Gad, aan den zuiderhoek zuidwaarts, daar zal de landpale zijn van Thamar af, naar het twistwater van Kades, voorts naar de beek henen, tot aan de grote zee.
Voorts zullen dit de uitgangen der stad zijn: van den noorderhoek, vier duizend en vijfhonderd maten.
En aan den oosterhoek, vier duizend en vijfhonderd maten, en drie poorten: namelijk, een poort van Jozef, een poort van Benjamin, een poort van Dan.
In het derde jaar des koninkrijks van Jojakim, den koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde haar.
En de HEERE gaf Jojakim, den koning van Juda, in zijn hand, en een deel der vaten van het huis Gods; en hij bracht ze in het land van Sinear, in het huis zijns gods; en de vaten bracht hij in het schathuis zijns gods.
En de koning zeide tot Aspenaz, den overste zijner kamerlingen, dat hij voorbrengen zou enigen uit de kinderen Israels, te weten, uit het koninklijk zaad, en uit de prinsen;
En de koning verordende hun, wat men ze dag bij dag geven zou van de stukken der spijs des konings, en van den wijn zijns dranks, en dat men hen drie jaren alzo optoog, en dat zij ten einde derzelve zouden staan voor het aangezicht des konings.
Daniel nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks; daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen.
En God gaf Daniel genade en barmhartigheid voor het aangezicht van den overste der kamerlingen.
Want de overste der kamerlingen zeide tot Daniel: Ik vreze mijn heer, den koning, die ulieder spijs, en ulieder drank verordend heeft; want waarom zou hij ulieder aangezichten droeviger zien, dan der jongelingen, die in gelijkheid met ulieden zijn? Alzo zoudt gij mijn hoofd bij den koning schuldig maken.
Toen geschiedde het, dat Melzar de stukken hunner spijs wegnam, mitsgaders den wijn huns dranks, en hij gaf hun van het gezaaide.
Toen zeide de koning, dat men roepen zou de tovenaars, en de sterrekijkers, en de guichelaars, en de Chaldeen, om den koning zijn dromen te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht des konings.
Toen spraken de Chaldeen, tot den koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten den droom, zo zullen wij de uitlegging te kennen geven.
De koning antwoordde en zeide tot de Chaldeen: De zaak is mij ontgaan; indien gij mij den droom en zijn uitlegging niet bekend maakt, gij zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een drekhoop gemaakt worden.
Maar indien gijlieden den droom en zijn uitlegging te kennen geeft, zo zult gij geschenken en gaven, en grote eer van mij ontvangen; daarom geeft mij den droom en zijn uitlegging te kennen.
Zij antwoordden ten tweeden male, en zeiden: De koning zegge zijn knechten den droom, dan zullen wij de uitlegging te kennen geven.
De koning antwoordde en zeide: Ik weet vastelijk, dat gijlieden den tijd uitkoopt, dewijl gij ziet, dat de zaak mij ontgaan is.
Indien gijlieden mij dien droom niet te kennen geeft, ulieder vonnis is enerlei; daarom hebt gij een leugenachtig en verdicht woord voor mij te zeggen bereid, totdat de tijd verandere; daarom zegt mij den droom, dan zal ik weten, dat gij mij deszelfs uitlegging zult te kennen geven.
De Chaldeen antwoordden voor den koning, en zeiden: Er is geen mens op den aardbodem, die des konings woord zou kunnen te kennen geven; daarom is er geen koning, grote of heerser, die zulk een zaak begeerd heeft van enigen tovenaar, of sterrekijker, of Chaldeer.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:1-Genesis 21:8
- 2.Genesis 21:9-Genesis 37:31
- 3.Genesis 37:32-Exodus 6:28
- 4.Exodus 7:15-Exodus 18:20
- 5.Exodus 19:3-Exodus 29:19
- 6.Exodus 29:20-Exodus 39:2
- 7.Exodus 39:9-Leviticus 7:25
- 8.Leviticus 7:29-Leviticus 15:6
- 9.Leviticus 15:7-Leviticus 23:40
- 10.Leviticus 23:41-Numberi 6:9
- 11.Numberi 6:10-Numberi 11:17
- 12.Numberi 11:20-Numberi 21:31
- 13.Numberi 21:33-Numberi 32:23
- 14.Numberi 32:27-Deuteronomium 4:48
- 15.Deuteronomium 5:4-Deuteronomium 17:9
- 16.Deuteronomium 17:12-Deuteronomium 29:20
- 17.Deuteronomium 29:29-Jozua 8:27
- 18.Jozua 8:29-Jozua 19:34
- 19.Jozua 19:39-Richteren 3:17
- 20.Richteren 3:20-Richteren 17:4
- 21.Richteren 17:12-1 Samuël 6:9
- 22.1 Samuël 6:10-1 Samuël 17:12
- 23.1 Samuël 17:13-1 Samuël 28:10
- 24.1 Samuël 28:15-2 Samuël 11:2
- 25.2 Samuël 11:3-2 Samuël 19:14
- 26.2 Samuël 19:15-1 Koningen 1:44
- 27.1 Koningen 1:46-1 Koningen 9:15
- 28.1 Koningen 9:19-1 Koningen 16:19
- 29.1 Koningen 16:21-2 Koningen 2:14
- 30.2 Koningen 2:23-2 Koningen 9:25
- 31.2 Koningen 9:27-2 Koningen 18:6
- 32.2 Koningen 18:7-2 Koningen 25:25
- 33.2 Koningen 25:26-1 Kronieken 9:16
- 34.1 Kronieken 9:19-1 Kronieken 27:24
- 35.1 Kronieken 28:1-2 Kronieken 11:22
- 36.2 Kronieken 12:2-2 Kronieken 23:13
- 37.2 Kronieken 23:15-2 Kronieken 33:17
- 38.2 Kronieken 33:18-Ezra 7:23
- 39.Ezra 7:24-Nehemia 11:13
- 40.Nehemia 11:15-Esther 9:2
- 41.Esther 9:5-Job 24:3
- 42.Job 24:4-Psalmen 1:1
- 43.Psalmen 1:6-Psalmen 30:8
- 44.Psalmen 31:1-Psalmen 55:8
- 45.Psalmen 55:18-Psalmen 80:17
- 46.Psalmen 81:1-Psalmen 106:1
- 47.Psalmen 106:16-Psalmen 132:2
- 48.Psalmen 132:5-Spreuken 9:16
- 49.Spreuken 10:1-Spreuken 24:7
- 50.Spreuken 24:9-Prediker 12:6
- 51.Prediker 12:11-Jesaja 13:11
- 52.Jesaja 13:13-Jesaja 31:1
- 53.Jesaja 31:4-Jesaja 49:4
- 54.Jesaja 49:7-Jeremia 4:4
- 55.Jeremia 4:11-Jeremia 23:10
- 56.Jeremia 23:24-Jeremia 34:8
- 57.Jeremia 34:12-Jeremia 45:1
- 58.Jeremia 46:1-Klaagliederen 3:66
- 59.Klaagliederen 4:5-Ezechiël 24:16
- 60.Ezechiël 24:18-Ezechiël 41:16
- 61.Ezechiël 41:17-Daniël 2:10
- 62.Daniël 2:11-Daniël 9:21
- 63.Daniël 9:22-Amos 2:9
- 64.Amos 2:10-Habakuk 2:11
- 65.Habakuk 2:13-Maleachi 1:6
- 66.Maleachi 1:11-Mattheüs 10:42
- 67.Mattheüs 11:5-Mattheüs 22:16
- 68.Mattheüs 22:17-Markus 2:27
- 69.Markus 2:28-Markus 14:14
- 70.Markus 14:23-Lukas 5:5
- 71.Lukas 5:14-Lukas 16:5
- 72.Lukas 16:8-Johannes 3:8
- 73.Johannes 3:13-Johannes 14:9
- 74.Johannes 14:10-Handelingen 4:30
- 75.Handelingen 4:31-Handelingen 13:36
- 76.Handelingen 13:42-Handelingen 23:2
- 77.Handelingen 23:4-Romeinen 8:29
- 78.Romeinen 8:36-1 Corinthiërs 7:40
- 79.1 Corinthiërs 8:1-Galaten 3:2
- 80.Galaten 3:3-Filippenzen 3:6
- 81.Filippenzen 3:14-Titus 2:13
- 82.Titus 3:8-1 Petrus 2:15
- 83.1 Petrus 2:17-Openbaring 5:5
- 84.Openbaring 5:6-Openbaring 19:11
- 85.Openbaring 19:14-Openbaring 22:14
Verwante onderwerpen
- Aanbieden Van Granen En Plengoffers
- Aard Van Evangelisatie
- Afkeer
- Alcohol
- Altaren Bouwen
- Alwetende God
- Autoriteit Respecteren
- Beantwoorde Beloften
- Bedelaars
- Begin
- Begrip
- Beleden Zonde
- Beroepen
- Bestuurders
- Beweringen
- Bidden Tijdens Harde Tijden
- Brood
- Buigen
- Christus En De Hemel
- Communicatie
- Dag 7
- Dageraad
- De Aard Van Discipelschap
- De Aard Van Onderdrukking
- De Armen Helpen
- De Daad Van Openen
- De Duivel
- De Eenheid Van God
- De Eerste Tempel
- De Geest Van God
- De Glorie Van God
- De Kracht Van God
- De Namen Voor Christus
- De Oorsprong Van Het Kwaad
- De Openbaring Van God
- De Sabbat In OT
- De Soevereiniteit Van God
- De Vader
- De Weg
- De Zevende Dag Van De Week
- De Zon
- Deelname In Christus
- Dieren Op Specifieke Leeftijden
- Doodstraf
- Doop Van De Heilige Geest
- Doopsel
- Een Nieuwe Dag
- Een Nieuwe Start
- Eerbied En Gods Aard
- Eindigen
- Engelen Die Gods Werk Doen
- Ephah [Tien Omers]
- Familie Kracht
- Gebroken Horens
- Geen Arbeid Op Feestdagen
- Geesten
- Geesten
- Genade Voor Jou
- Genoemde Individuen Doden
- Genoemde Poorten
- Genoemde Profeten Van De Heer
- Geurtjes
- Gevallen En Verlost Hart
- Gevangenen
- God Aanbidden
- God Aanroepen
- God Behagen
- God Die Handelt Vanuit De Hemel
- God Dienen
- God Dodend
- God Haalt Israël Uit Egypte
- God Redt Van De Vijanden
- God, De Schepper
- God, Levend En Zelfvoorzienend
- Goddelijke Manifestaties
- Gods Hand
- Gods Houding Tegenover Onderdrukking
- Gods Onthulde Dingen
- Gods Redding Bekend Gemaakt
- Gods Stem
- Gods Verborgen Dingen
- Gods Waarheid
- Gods Werk Verhinderen
- Godzijdank!
- Goud
- Gretigheid
- Hand Van God
- Handicaps
- Hart En De Heilige Geest
- Heersers
- Heiligheid Van Het Leven
- Heiligheid, Afzonderlijk Voor God
- Herfst
- Het Belang Van Vertrouwen
- Het Doel Van God
- Het Laatste Oordeel
- Hogepriesters In OT
- Houdingen Tegenover Armoede
- Huizen
- Juiste Maatregelen
- Koningen Van Juda
- Laatste Dingen
- Lichaam
- Liederen
- Liefde En De Wereld
- Liefde Voor God
- Lijst van koningen van Israël
- Lof
- Lof En Aanbidding
- Lucht
- Maand
- Maand 7
- Man Van God
- Messiaanse Profetieën
- Moederschap
- Munstelsel
- Muren
- Muziek
- Naar De Hemel Gaan
- Nacht
- Namen En Titels Voor Christus
- Namen En Titels Voor De Christenen
- Namen En Titels Voor De Heilige Geest
- Namen En Titels Voor Satan
- Natuur
- Niet Sterven
- Ochtend
- Olie Op Offers
- Oneerbiedigheid
- Onrein Tot De Avond
- Ontrouw Aan God
- Op Gods Plan Vertrouwen
- Opgefriste God
- Oprechtheid
- Ovens
- Overgave
- Overwinning Op Het Kwaad
- Paden
- Perfecte Offers
- Persoonlijke Ethiek
- Pogingen Om Bepaalde Mensen Te Doden
- Praktische Zaken Omtrent Het Gebed
- Prijs De Heer!
- Prinsdommen
- Redding
- Regen
- Reine Kledij
- Relatie Tussen Vader En Zoon
- Remedies Tegen Armoede
- Rivieren
- Samen Aanbidden
- Satan
- Schapen En Geiten
- Sociale Ethiek
- Sociale Verplichtingen
- Soorten Muziekinstrumenten
- Spotters
- Staan
- Stijgen
- Strijd
- Strijdwagens
- Symbolen
- Syrië
- Tekenen Van Bekering
- Tenten
- Toekomst
- Troon
- Trots
- Trouw
- Trouw Tot God
- Twee Dieren
- Types Van Christus
- Uitrusting, Spiritueel
- Vals Vertrouwen
- Valse Goden
- Vee Offeren
- Verbintenis Tot God
- Verordeningen
- Versterkingen
- Vijanden Van Israël En Juda
- Vloeken
- Voeten
- Voorspellingen Over Christus
- Voortdurend
- Vreemdelingen
- Vrees God!
- Wachten Op De Heer
- Watervallen
- Weduwes
- Wegen
- Wijze En Methodes Van Loven
- Woord Van God
- Zeven Dagen
- Zeven Dagen Voor Juridische Zaken
- Zij Die Vroeg Opstonden
- Zitten
- Zonde Veroorzaakt Dood