'Gesteld' in de Bijbel
En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken.
Zo zeide Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt?
En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder.
En het geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat de HEERE des Egyptenaars huis zegende, om Jozefs wil; ja, de zegen des HEEREN was in alles, wat hij had, in het huis en in het veld.
Toen vraagde hij de hovelingen van Farao, die bij hem waren in hechtenis van het huis zijns heren, zeggende: Waarom zijn uw aangezichten heden kwalijk gesteld?
Voorts sprak Farao tot Jozef: Zie, ik heb u over gans Egypteland gesteld.
Nu dan, gij hebt mij herwaarts niet gezonden, maar God Zelf, Die mij tot Farao's vader gesteld heeft, en tot een heer over zijn ganse huis, en regeerder in het ganse land van Egypte.
Haast u en trekt op tot mijn vader, en zegt het hem: Alzo zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot een heer over gans Egypteland gesteld; kom af tot mij, en vertoef niet.
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (8)
- Exodus (3)
- Leviticus (2)
- Numberi (2)
- Deuteronomium (4)
- Jozua (1)
- Richteren (2)
- 1 Samuël (6)
- 2 Samuël (2)
- 1 Koningen (4)
- 2 Koningen (7)
- 1 Kronieken (10)
- 2 Kronieken (11)
- Ezra (3)
- Nehemia (7)
- Esther (1)
- Job (9)
- Psalmen (16)
- Spreuken (4)
- Jesaja (9)
- Jeremia (25)
- Klaagliederen (3)
- Ezechiël (16)
- Daniël (9)
- Hosea (1)
- Joël (2)
- Habakuk (1)
- Zacharia (2)
- Maleachi (1)