'Hun' in de Bijbel
- 1.Genesis 2:1-Genesis 50:8
- 2.Genesis 50:12-Exodus 32:34
- 3.Exodus 33:6-Numberi 1:22
- 4.Numberi 1:23-Numberi 14:14
- 5.Numberi 14:16-Numberi 34:15
- 6.Numberi 35:3-Jozua 9:4
- 7.Jozua 9:5-Richteren 2:15
- 8.Richteren 2:17-2 Samuël 1:23
- 9.2 Samuël 2:21-2 Koningen 17:7
- 10.2 Koningen 17:9-1 Kronieken 17:22
- 11.1 Kronieken 19:4-2 Kronieken 31:17
- 12.2 Kronieken 31:18-Nehemia 9:14
- 13.Nehemia 9:15-Job 34:25
- 14.Job 35:9-Psalmen 78:30
- 15.Psalmen 78:31-Psalmen 124:6
- 16.Psalmen 125:3-Jesaja 15:4
- 17.Jesaja 16:4-Jesaja 66:18
- 18.Jesaja 66:24-Jeremia 25:14
- 19.Jeremia 25:36-Klaagliederen 5:7
- 20.Klaagliederen 5:8-Ezechiël 22:28
- 21.Ezechiël 22:31-Hosea 4:12
- 22.Hosea 4:18-Zacharia 11:6
- 23.Zacharia 11:8-Markus 1:18
- 24.Markus 1:19-Lukas 8:36
- 25.Lukas 8:56-Handelingen 4:18
- 26.Handelingen 4:24-Romeinen 11:11
- 27.Romeinen 11:12-Openbaring 7:3
- 28.Openbaring 7:9-Openbaring 22:14
Na dezen zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor den troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte klederen, en palm takken waren in hun handen.
En al de engelen stonden rondom den troon, en rondom de ouderlingen en de vier dieren; en vielen voor den troon neder op hun aangezicht, en aanbaden God,
En ik sprak tot hem: Heere, gij weet het. En hij zeide tot mij: Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams.
Want het Lam, Dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.
En ik zag de zeven engelen, die voor God stonden; en hun werden zeven bazuinen gegeven.
En uit den rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en hun werd macht gegeven, gelijk de schorpioenen der aarde macht hebben.
En hun werd gezegd, dat zij het gras der aarde niet zouden beschadigen, noch enige groente, noch enigen boom, dan de mensen alleen, die het zegel Gods aan hun voorhoofden niet hebben.
En hun werd macht gegeven, niet dat zij hen zouden doden, maar dat zij zouden van hen gepijnigd worden vijf maanden; en hun pijniging was als de pijniging van een schorpioen, wanneer hij een mens gestoken heeft.
En de gedaanten der sprinkhanen waren den paarden gelijk, die tot den oorlog bereid zijn; en op hun hoofden waren als kronen, het goud gelijk, en hun aangezichten als aangezichten van mensen.
En zij hadden haar als haar der vrouwen, en hun tanden waren als tanden van leeuwen.
En zij hadden staarten den schorpioenen gelijk, en er waren angels in hun staarten; en hun macht was de mensen te beschadigen vijf maanden.
En het getal van de heirlegers der ruiterij was tweemaal tien duizenden der tien duizenden; en ik hoorde hun getal.
En ik zag alzo de paarden in dit gezicht, en die daarop zaten, hebbende vurige, en hemelsblauwe, en sulfervervige borstwapenen; en de hoofden der paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hun monden ging vuur, en rook, en sulfer.
Door deze drie werd het derde deel der mensen gedood, namelijk door het vuur, en door den rook, en door het sulfer, dat uit hun monden uitging.
Want hun macht is in hun mond, en in hun staarten; want hun staarten zijn aan de slangen gelijk, en hebben hoofden, en beschadigen met dezelve.
En hebben zich ook niet bekeerd van hun doodslagen, noch van hun venijngevingen, noch van hun hoererij, noch van hun dieverijen.
En hij riep met een grote stem, gelijkerwijs een leeuw brult; en als hij geroepen had, spraken de zeven donderslagen hun stemmen.
En toen de zeven donderslagen hun stemmen gesproken hadden, zo zou ik ze geschreven hebben; en ik hoorde een stem uit den hemel, die tot mij zeide: Verzegel, hetgeen de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf dat niet.
En zo iemand die wil beschadigen, een vuur zal uit hun mond uitgaan, en zal hun vijanden verslinden; en zo iemand hen wil beschadigen, die moet alzo gedood worden.
En als zij hun getuigenis zullen geeindigd hebben, zal het beest, dat uit den afgrond opkomt, hun krijg aandoen, en het zal hen overwinnen, en zal hen doden.
En hun dode lichamen zullen liggen op de straat der grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodoma en Egypte, alwaar ook onze Heere gekruist is.
En de mensen uit de volken, en geslachten, en talen, en natien, zullen hun dode lichamen zien drie dagen en een halven, en zullen niet toelaten, dat hun dode lichamen in graven gelegd worden.
En na die drie dagen en een halven, is een geest des levens uit God in hen gegaan; en zij stonden op hun voeten; en er is grote vrees gevallen op degenen, die hen aanschouwden.
En zij hoorden een grote stem uit den hemel, die tot hen zeide: Komt herwaarts op. En zij voeren op naar den hemel in de wolk; en hun vijanden aanschouwden hen.
En de vier en twintig ouderlingen, die voor God zitten op hun tronen, vielen neder op hun aangezichten, en aanbaden God,
En zij hebben niet vermocht, en hun plaats is niet meer gevonden in den hemel.
En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe.
En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merkteken geve aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden;
En ik zag, en ziet, het Lam stond op den berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende den Naam Zijns Vaders geschreven aan hun voorhoofden.
En ik hoorde een stem uit den hemel, als een stem veler wateren, en als een stem van een groten donderslag. En ik hoorde een stem van citerspelers, spelende op hun citers;
En in hun mond is geen bedrog gevonden; want zij zijn onberispelijk voor den troon van God.
En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zo iemand het merkteken zijns naams ontvangt.
En ik hoorde een stem uit den hemel, die tot mij zeide: Schrijf, zalig zijn de doden, die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen.
Dewijl zij het bloed der heiligen, en der profeten vergoten hebben, zo hebt Gij hun ook bloed te drinken gegeven; want zij zijn het waardig.
En de vijfde engel goot zijn fiool uit op den troon van het beest; en zijn rijk is verduisterd geworden; en zij kauwden hun tongen van pijn;
En zij lasterden den God des hemels vanwege hun pijnen, en vanwege hun gezweren; en zij bekeerden zich niet van hun werken.
Dezen hebben enerlei mening, en zullen hun kracht en macht het beest overgeven.
Want God heeft hun in hun harten gegeven, dat zij Zijn mening doen, en dat zij enerlei mening doen, en dat zij hun koninkrijk het beest geven, totdat de woorden Gods voleindigd zullen zijn.
En de kooplieden der aarde zullen wenen en rouw maken over haar, omdat niemand hun waren meer koopt;
En zij wierpen stof op hun hoofden, en riepen, wenende en rouw bedrijvende, zeggende: Wee, wee, de grote stad, in dewelke allen, die schepen in de zee hadden, van haar kostelijkheid rijk geworden zijn; want zij is in een ure verwoest geworden.
En ik zag het beest, en de koningen der aarde, en hun heirlegers vergaderd, om krijg te voeren tegen Hem, Die op het paard zat, en tegen Zijn heirlegers.
En de overigen werden gedood met het zwaard Desgenen, Die op het paard zat, hetwelk uit Zijn mond ging; en al de vogelen werden verzadigd van hun vlees.
En ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en die het beest, en deszelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren.
En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.
En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar hun werken.
En ik hoorde een grote stem uit den hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn.
En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.
Maar den vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood.
En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid en eer in dezelve.
En zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn.
Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 2:1-Genesis 50:8
- 2.Genesis 50:12-Exodus 32:34
- 3.Exodus 33:6-Numberi 1:22
- 4.Numberi 1:23-Numberi 14:14
- 5.Numberi 14:16-Numberi 34:15
- 6.Numberi 35:3-Jozua 9:4
- 7.Jozua 9:5-Richteren 2:15
- 8.Richteren 2:17-2 Samuël 1:23
- 9.2 Samuël 2:21-2 Koningen 17:7
- 10.2 Koningen 17:9-1 Kronieken 17:22
- 11.1 Kronieken 19:4-2 Kronieken 31:17
- 12.2 Kronieken 31:18-Nehemia 9:14
- 13.Nehemia 9:15-Job 34:25
- 14.Job 35:9-Psalmen 78:30
- 15.Psalmen 78:31-Psalmen 124:6
- 16.Psalmen 125:3-Jesaja 15:4
- 17.Jesaja 16:4-Jesaja 66:18
- 18.Jesaja 66:24-Jeremia 25:14
- 19.Jeremia 25:36-Klaagliederen 5:7
- 20.Klaagliederen 5:8-Ezechiël 22:28
- 21.Ezechiël 22:31-Hosea 4:12
- 22.Hosea 4:18-Zacharia 11:6
- 23.Zacharia 11:8-Markus 1:18
- 24.Markus 1:19-Lukas 8:36
- 25.Lukas 8:56-Handelingen 4:18
- 26.Handelingen 4:24-Romeinen 11:11
- 27.Romeinen 11:12-Openbaring 7:3
- 28.Openbaring 7:9-Openbaring 22:14