'Mij' in de Bijbel
- 1.Genesis 3:10-Genesis 29:34
- 2.Genesis 30:1-Genesis 48:9
- 3.Genesis 48:11-Leviticus 26:12
- 4.Leviticus 26:14-Deuteronomium 9:18
- 5.Deuteronomium 9:19-Richteren 16:18
- 6.Richteren 16:20-1 Samuël 20:28
- 7.1 Samuël 20:29-2 Samuël 15:26
- 8.2 Samuël 15:28-1 Koningen 13:15
- 9.1 Koningen 13:17-1 Kronieken 10:4
- 10.1 Kronieken 11:17-Nehemia 6:13
- 11.Nehemia 6:14-Job 19:13
- 12.Job 19:14-Psalmen 3:7
- 13.Psalmen 4:1-Psalmen 31:5
- 14.Psalmen 31:7-Psalmen 55:3
- 15.Psalmen 55:4-Psalmen 101:4
- 16.Psalmen 101:6-Psalmen 119:135
- 17.Psalmen 119:139-Prediker 7:23
- 18.Prediker 7:25-Jesaja 44:21
- 19.Jesaja 44:22-Jeremia 4:28
- 20.Jeremia 4:31-Jeremia 29:12
- 21.Jeremia 29:13-Ezechiël 3:14
- 22.Ezechiël 3:16-Ezechiël 29:17
- 23.Ezechiël 29:20-Daniël 7:16
- 24.Daniël 7:28-Zefanja 3:7
- 25.Zefanja 3:8-Maleachi 3:17
- 26.Mattheüs 2:8-Markus 9:19
- 27.Markus 9:37-Lukas 24:39
- 28.Lukas 24:44-Johannes 13:20
- 29.Johannes 13:21-Handelingen 9:15
- 30.Handelingen 9:17-1 Corinthiërs 4:4
- 31.1 Corinthiërs 6:12-Colossenzen 2:5
- 32.Colossenzen 4:11-Openbaring 22:12
Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen.
Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid; ten dagen als ik roep, verhoor mij haastelijk.
Mijn vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij mij.
Vanwege Uw verstoordheid en Uw groten toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen.
Ik zeide: Mijn God! neem mij niet weg in het midden mijner dagen; Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht.
Een psalm van David. Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam.
Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.
Gedenk mijner, o HEERE! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil;
Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.
Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?
Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.
En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.
Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed.
En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde.
Maar Gij, o HEERE Heere! maak het met mij om Uws Naams wil; dewijl Uw goedertierenheid goed is, verlos mij.
Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond.
Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien, zo schudden zij hun hoofd.
Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.
Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.
De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.
De HEERE bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost.
Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?
Uit de benauwdheid heb ik den HEERE aangeroepen; de HEERE heeft mij verhoord, stellende mij in de ruimte.
De HEERE is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?
De HEERE is bij mij onder degenen, die mij helpen; daarom zal ik mijn lust zien aan degenen, die mij haten.
Alle heidenen hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
Zij hadden mij omringd als bijen; zij zijn uitgeblust als een doornenvuur; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
Gij hadt mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar de HEERE heeft mij geholpen.
De HEERE is mijn Sterkte en Psalm, want Hij is mij tot heil geweest.
De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.
Doet mij de poorten der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal den HEERE loven.
Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest zijt.
Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.
Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.
Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.
Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.
Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.
Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.
Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.
Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE! beschaam mij niet.
He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;
Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen.
En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
Zain. Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.
Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.
De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.
Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.
Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.
Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.
Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.
De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.
HEERE! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen.
Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
Gij zijt goed en goeddoende; leer mij Uw inzettingen.
De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.
De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.
Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.
Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.
Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.
Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.
Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.
Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?
De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.
Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.
Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.
Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.
Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.
Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.
De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.
Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.
Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.
De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.
Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.
Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
Ain. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.
Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hovaardigen mij niet onderdrukken.
Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.
Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.
Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 3:10-Genesis 29:34
- 2.Genesis 30:1-Genesis 48:9
- 3.Genesis 48:11-Leviticus 26:12
- 4.Leviticus 26:14-Deuteronomium 9:18
- 5.Deuteronomium 9:19-Richteren 16:18
- 6.Richteren 16:20-1 Samuël 20:28
- 7.1 Samuël 20:29-2 Samuël 15:26
- 8.2 Samuël 15:28-1 Koningen 13:15
- 9.1 Koningen 13:17-1 Kronieken 10:4
- 10.1 Kronieken 11:17-Nehemia 6:13
- 11.Nehemia 6:14-Job 19:13
- 12.Job 19:14-Psalmen 3:7
- 13.Psalmen 4:1-Psalmen 31:5
- 14.Psalmen 31:7-Psalmen 55:3
- 15.Psalmen 55:4-Psalmen 101:4
- 16.Psalmen 101:6-Psalmen 119:135
- 17.Psalmen 119:139-Prediker 7:23
- 18.Prediker 7:25-Jesaja 44:21
- 19.Jesaja 44:22-Jeremia 4:28
- 20.Jeremia 4:31-Jeremia 29:12
- 21.Jeremia 29:13-Ezechiël 3:14
- 22.Ezechiël 3:16-Ezechiël 29:17
- 23.Ezechiël 29:20-Daniël 7:16
- 24.Daniël 7:28-Zefanja 3:7
- 25.Zefanja 3:8-Maleachi 3:17
- 26.Mattheüs 2:8-Markus 9:19
- 27.Markus 9:37-Lukas 24:39
- 28.Lukas 24:44-Johannes 13:20
- 29.Johannes 13:21-Handelingen 9:15
- 30.Handelingen 9:17-1 Corinthiërs 4:4
- 31.1 Corinthiërs 6:12-Colossenzen 2:5
- 32.Colossenzen 4:11-Openbaring 22:12