'Mijn' in de Bijbel
- 1.Genesis 2:23-Genesis 27:38
- 2.Genesis 27:41-Genesis 45:9
- 3.Genesis 45:12-Exodus 34:20
- 4.Exodus 34:25-Deuteronomium 31:17
- 5.Deuteronomium 31:18-1 Samuël 2:24
- 6.1 Samuël 2:28-2 Samuël 3:12
- 7.2 Samuël 3:13-2 Samuël 24:22
- 8.2 Samuël 24:24-1 Koningen 20:34
- 9.1 Koningen 21:2-2 Kronieken 1:11
- 10.2 Kronieken 2:3-Job 7:5
- 11.Job 7:6-Job 29:4
- 12.Job 29:5-Psalmen 7:8
- 13.Psalmen 7:10-Psalmen 31:8
- 14.Psalmen 31:9-Psalmen 51:14
- 15.Psalmen 51:15-Psalmen 77:3
- 16.Psalmen 77:4-Psalmen 119:5
- 17.Psalmen 119:10-Psalmen 142:2
- 18.Psalmen 142:3-Hooglied 2:2
- 19.Hooglied 2:3-Jesaja 34:5
- 20.Jesaja 34:16-Jesaja 61:10
- 21.Jesaja 62:4-Jeremia 15:14
- 22.Jeremia 15:15-Jeremia 38:9
- 23.Jeremia 38:26-Ezechiël 12:7
- 24.Ezechiël 12:13-Ezechiël 34:15
- 25.Ezechiël 34:17-Daniël 12:8
- 26.Hosea 1:9-Zacharia 6:8
- 27.Zacharia 8:6-Markus 9:24
- 28.Markus 9:37-Johannes 7:6
- 29.Johannes 7:8-Handelingen 15:17
- 30.Handelingen 16:15-Filippenzen 1:14
- 31.Filippenzen 1:16-Openbaring 22:16
Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op den weg, dien ik gaan zou.
Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel.
Tot U riep ik, o HEERE! ik zeide: Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden.
Let op mijn geschrei, want ik ben zeer uitgeteerd; red mij van mijn vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik.
[ (Psalms 142:8) Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer Gij wel bij mij zult gedaan hebben. ]
Een psalm van David. O HEERE! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen; verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid.
Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn.
Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.
Ik breid mijn handen uit tot U; mijn ziel is voor U als een dorstig land. Sela.
Verhoor mij haastelijk, HEERE! mijn geest bezwijkt; verberg Uw aangezicht niet van mij, want ik zou gelijk worden dengenen, die in den kuil dalen.
Doe mij Uw goedertierenheid in den morgenstond horen, want ik betrouw op U; maak mij bekend den weg, dien ik te gaan heb, want ik hef mijn ziel tot U op.
Red mij, HEERE! van mijn vijanden; bij U schuil ik.
Leer mij Uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God! Uw goede Geest geleide mij in een effen land.
O HEERE! maak mij levend, om Uws Naams wil; voer mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid.
En roei mijn vijanden uit, om Uw goedertierenheid, en breng hen om, allen, die mijn ziel beangstigen; want ik ben Uw knecht.
Een psalm van David. Gezegend zij de HEERE, mijn Rotssteen, Die mijn handen onderwijst ten strijde, mijn vingeren ten oorlog;
Mijn Goedertierenheid en mijn Burg, mijn Hoog Vertrek en mijn Bevrijder voor mij, mijn Schild, en op Wien ik mij betrouwe; Die mijn volk aan mij onderwerpt!
Een lofzang van David. Aleph. O mijn God, Gij Koning! ik zal U verhogen, en Uw Naam loven in eeuwigheid en altoos.
Thau. Mijn mond zal den prijs des HEEREN uitspreken, en alle vlees zal Zijn heiligen Naam loven in der eeuwigheid en altoos.
Ik zal den HEERE prijzen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;
Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.
Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte;
En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt;
Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad;
Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;
Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.
Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad!
En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars!
En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?
Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt;
Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.
Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen.
Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw bloedvriend;
Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;
Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald;
Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte;
Ik heb mijn leger met mirre, aloe en kaneel welriekende gemaakt;
Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.
Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.
Mijn vrucht is beter dan uitgegraven goud, en dan dicht goud; en Mijn inkomen dan uitgelezen zilver.
Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beerven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen.
Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.
Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren.
Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb.
Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?
Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik.
En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.
Mijn zoon! vrees den HEERE en den koning; vermeng u niet met hen, die naar verandering staan;
Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.
Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?
En ik begaf mijn hart om met wijsheid te onderzoeken, en na te speuren al wat er geschiedt onder den hemel. Deze moeilijke bezigheid heeft God den kinderen der mensen gegeven, om zich daarin te bekommeren.
Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd, boven allen, die voor mij te Jeruzalem geweest zijn; en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien.
En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; ik ben gewaar geworden, dat ook dit een kwelling des geestes is.
Ik zeide in mijn hart: Nu, welaan, ik zal u beproeven door vreugde; derhalve zie het goede aan; maar zie, ook dat was ijdelheid.
Ik heb in mijn hart nagespeurd, om mijn vlees op te houden in den wijn, (nochtans leidende mijn hart in wijsheid) en om de dwaasheid vast te houden, totdat ik zou zien wat den kinderen der mensen het best ware, dat zij doen zouden onder den hemel, gedurende het getal der dagen huns levens.
En ik werd groot, en nam toe, meer dan iemand, die voor mij te Jeruzalem geweest was; ook bleef mijn wijsheid mij bij.
En al wat mijn ogen begeerden, dat onttrok ik hun niet; ik wederhield mijn hart niet van enige blijdschap, maar mijn hart was verblijd vanwege al mijn arbeid; en dit was mijn deel van al mijn arbeid.
Toen wendde ik mij tot al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en tot den arbeid, dien ik werkende gearbeid had; ziet, het was al ijdelheid en kwelling des geestes, en daarin was geen voordeel onder de zon.
Dies zeide ik in mijn hart: Gelijk het den dwaze bejegent, zal het ook mijzelven bejegenen; waarom heb ik dan toen meer naar wijsheid gestaan? Toen sprak ik in mijn hart, dat ook hetzelve ijdelheid was.
Ik haatte ook al mijn arbeid, dien ik bearbeid had onder de zon, dat ik dien zou achterlaten aan een mens, die na mij wezen zal.
Want wie weet, of hij wijs zal zijn, of dwaas? Evenwel zal hij heersen over al mijn arbeid, dien ik bearbeid heb en dien ik wijselijk beleid heb onder de zon. Dat is ook ijdelheid.
Daarom keerde ik mij om, om mijn hart te doen wanhopen over al den arbeid, dien ik bearbeid heb onder de zon.
Ik zeide in mijn hart: God zal den rechtvaardige en den goddeloze oordelen; want aldaar is de tijd voor alle voornemen, en over alle werk.
Ik zeide in mijn hart van de positie der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven.
Daar is er een, en geen tweede; hij heeft ook geen kind, noch broeder; nochtans is van al zijn arbeid geen einde; ook wordt zijn oog niet verzadigd van den rijkdom, en zegt niet: Voor wien arbeide ik toch, en doe mijn ziel gebrek hebben van het goede? Dit is ook ijdelheid, en het is een moeilijke bezigheid.
Ik keerde mij om, en mijn hart, om te weten, en om na te sporen, en te zoeken wijsheid en een sluitrede; en om te weten de goddeloosheid der zotheid, en de dwaasheid der onzinnigheden.
Dewelke mijn ziel nog zoekt, maar ik heb haar niet gevonden: een man uit duizend heb ik gevonden; maar een vrouw onder die allen heb ik niet gevonden.
Dit alles heb ik gezien, toen ik mijn hart begaf tot alle werk, dat onder de zon geschiedt: er is een tijd, dat de ene mens over den anderen mens heerst, hem ten kwade.
Als ik mijn hart begaf, om wijsheid te weten, en om aan te zien de bezigheid, die op de aarde geschiedt, dat men ook, des daags of des nachts, den slaap niet ziet met zijne ogen;
Zekerlijk, dit alles heb ik in mijn hart gelegd, opdat ik dit alles klaarlijk mocht verstaan, dat de rechtvaardigen, en de wijzen, en hun werken in de hand Gods zijn; ook liefde, ook haat, weet de mens niet uit al hetgeen voor zijn aangezicht is.
En wat boven dezelve is, mijn zoon! wees gewaarschuwd; van vele boeken te maken is geen einde, en veel lezens is vermoeiing des vleses.
Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen mijner moeder waren tegen mij ontstoken, zij hebben mij gezet tot een hoederin der wijngaarden. Mijn wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed.
Zeg mij aan, Gij, Dien mijn ziel liefheeft, waar Gij weidt, waar Gij de kudde legert in den middag; want waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden Uwer metgezellen?
Mijn vriendin! Ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van Farao.
Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus zijn reuk.
Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten vernacht.
Mijn Liefste is mij een tros van Cyprus, in de wijngaarden van En-gedi.
Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! Zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven ogen.
Zie, gij zijt schoon, mijn Liefste, ja, liefelijk; ook groent onze bedstede.
Gelijk een lelie onder de doornen, alzo is Mijn vriendin onder de dochteren.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 2:23-Genesis 27:38
- 2.Genesis 27:41-Genesis 45:9
- 3.Genesis 45:12-Exodus 34:20
- 4.Exodus 34:25-Deuteronomium 31:17
- 5.Deuteronomium 31:18-1 Samuël 2:24
- 6.1 Samuël 2:28-2 Samuël 3:12
- 7.2 Samuël 3:13-2 Samuël 24:22
- 8.2 Samuël 24:24-1 Koningen 20:34
- 9.1 Koningen 21:2-2 Kronieken 1:11
- 10.2 Kronieken 2:3-Job 7:5
- 11.Job 7:6-Job 29:4
- 12.Job 29:5-Psalmen 7:8
- 13.Psalmen 7:10-Psalmen 31:8
- 14.Psalmen 31:9-Psalmen 51:14
- 15.Psalmen 51:15-Psalmen 77:3
- 16.Psalmen 77:4-Psalmen 119:5
- 17.Psalmen 119:10-Psalmen 142:2
- 18.Psalmen 142:3-Hooglied 2:2
- 19.Hooglied 2:3-Jesaja 34:5
- 20.Jesaja 34:16-Jesaja 61:10
- 21.Jesaja 62:4-Jeremia 15:14
- 22.Jeremia 15:15-Jeremia 38:9
- 23.Jeremia 38:26-Ezechiël 12:7
- 24.Ezechiël 12:13-Ezechiël 34:15
- 25.Ezechiël 34:17-Daniël 12:8
- 26.Hosea 1:9-Zacharia 6:8
- 27.Zacharia 8:6-Markus 9:24
- 28.Markus 9:37-Johannes 7:6
- 29.Johannes 7:8-Handelingen 15:17
- 30.Handelingen 16:15-Filippenzen 1:14
- 31.Filippenzen 1:16-Openbaring 22:16
Verwante onderwerpen
- Alwetende God
- Besteed Aandacht Aan God!
- De Vader
- Een Plek Voor Gods Naam
- Eenzaamheid
- Gezicht Van God
- God, De Rots
- Gods Hand
- Gods Onthulde Dingen
- Gods Redding Bekend Gemaakt
- Gods Stem
- Hand Van God
- Ik Ben De Heer
- In De Tegenwoordigheid Van De Mens
- Lippen
- Lof
- Messiaanse Profetieën
- Monden
- Relatie Tussen Vader En Zoon
- Voeten
- Volg De Geboden
- Volg De Geboden Van Christus
- Voortdurend
- Ziel