'Op' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:2-Genesis 22:13
- 2.Genesis 22:14-Genesis 41:3
- 3.Genesis 41:4-Exodus 13:21
- 4.Exodus 14:10-Exodus 31:18
- 5.Exodus 32:1-Leviticus 8:21
- 6.Leviticus 8:22-Leviticus 23:5
- 7.Leviticus 23:6-Numberi 11:9
- 8.Numberi 11:11-Numberi 30:6
- 9.Numberi 30:8-Deuteronomium 27:4
- 10.Deuteronomium 27:8-Jozua 8:28
- 11.Jozua 8:29-Richteren 6:40
- 12.Richteren 7:1-Richteren 20:36
- 13.Richteren 20:40-1 Samuël 17:38
- 14.1 Samuël 17:49-2 Samuël 3:29
- 15.2 Samuël 3:32-1 Koningen 1:17
- 16.1 Koningen 1:20-1 Koningen 12:19
- 17.1 Koningen 12:25-2 Koningen 4:18
- 18.2 Koningen 4:20-2 Koningen 18:24
- 19.2 Koningen 18:25-2 Kronieken 3:13
- 20.2 Kronieken 3:15-2 Kronieken 30:14
- 21.2 Kronieken 30:15-Nehemia 9:1
- 22.Nehemia 9:3-Job 14:12
- 23.Job 14:21-Psalmen 9:19
- 24.Psalmen 10:12-Psalmen 47:5
- 25.Psalmen 47:8-Psalmen 91:6
- 26.Psalmen 91:12-Psalmen 146:5
- 27.Psalmen 146:8-Prediker 9:8
- 28.Prediker 10:3-Jesaja 28:4
- 29.Jesaja 28:10-Jesaja 59:21
- 30.Jesaja 60:1-Jeremia 20:10
- 31.Jeremia 20:14-Jeremia 51:53
- 32.Jeremia 51:62-Ezechiël 17:23
- 33.Ezechiël 18:6-Ezechiël 36:12
- 34.Ezechiël 36:25-Daniël 9:18
- 35.Daniël 9:19-Micha 1:3
- 36.Micha 2:1-Mattheüs 7:25
- 37.Mattheüs 7:26-Mattheüs 28:2
- 38.Mattheüs 28:15-Lukas 1:20
- 39.Lukas 1:21-Lukas 17:30
- 40.Lukas 17:31-Johannes 21:11
- 41.Johannes 21:20-Handelingen 19:12
- 42.Handelingen 19:16-Efeziërs 5:32
- 43.Efeziërs 6:3-Openbaring 9:3
- 44.Openbaring 9:7-Openbaring 22:4
Sta op, HEERE God! hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet.
Gij ziet het immers; want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, Gij zijt geweest een Helper van den wees.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester. Ik betrouw op den HEERE; hoe zegt gijlieden tot mijn ziel: Zwerft henen naar ulieder gebergte, als een vogel?
Want ziet, de goddelozen spannen den boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in het donkere te schieten naar de oprechten van harte.
Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminith. (1a) Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.
Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil; ik zal den HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft.
De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.
Een psalm van David. HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid?
Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen den onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.
Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U.
Maar tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in dewelke al mijn lust is.
De smarten dergenen, die een anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen.
Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken.
Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, Die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan!
In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.
Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze;
De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek.
Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.
En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.
Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.
Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.
Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten.
Want Gij komt hem voor met zegeningen van het goede; op zijn hoofd zet Gij een kroon van fijn goud.
Want de koning vertrouwt op den HEERE, en door de goedertierenheid des Allerhoogsten zal hij niet wankelen.
Want Gij zult hen zetten tot een wit; met Uw pezen zult Gij het op hun aangezicht toeleggen.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar. (1a) Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?
Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen.
Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.
Hij heeft het op den HEERE gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!
Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.
Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht nederbukken; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden.
Want Hij heeft ze gegrond op de zeeen, en heeft ze gevestigd op de rivieren.
Wie zal klimmen op den berg des HEEREN, en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid?
Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!
Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga!
Een psalm van David. Aleph. Tot U, o HEERE! hef ik mijn ziel op.
Beth. Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij.
Ain. Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren.
Schin. Bewaar mijn ziel, en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op U.
Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.
Mijn voet staat op effen baan; ik zal den HEERE loven in de vergaderingen.
Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen.
Wacht op den HEERE, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den HEERE.
Omdat zij niet letten op de daden des HEEREN, noch op het werk Zijner handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen.
De HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen; dies springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven.
De stem des HEEREN is op de wateren, de God der ere dondert; de HEERE is op de grote wateren.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester. (1a) Op U, o HEERE! betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid.
Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.
Vanwege al mijn wederpartijders ben ik, ook mijn naburen, grotelijks tot een smaad geworden, en mijn bekenden tot een schrik; die mij op de straten zien, vlieden van mij weg.
Maar ik vertrouw op U, o HEERE! Ik zeg: Gij zijt mijn God.
O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen; dat Gij gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen, in de tegenwoordigheid der mensenkinderen!
[ (Psalms 31:25) Zijt sterk, en Hij zal ulieder hart versterken, allen gij, die op den HEERE hoopt! ]
Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.
Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn.
De goddeloze heeft veel smarten, maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.
Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.
Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.
Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken.
Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen.
Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen.
Uw goedertierenheid, HEERE! zij over ons; gelijk als wij op U hopen.
He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.
Teth. Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt.
Ain. De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.
[ (Psalms 34:23) De HEERE verlost de ziel Zijner knechten; en allen, die op Hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden. ]
Grijp het schild en de rondas, en sta op tot mijn hulp.
Wrevelige getuigen staan er op; hetgeen ik niet weet, eisen zij van mij.
En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien!
Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet.
Beth. Vertrouw op den HEERE, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid.
Gimel. Wentel uw weg op den HEERE, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken;
Vau. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.
Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.
Koph. Wacht op den HEERE, en houd Zijn weg, en Hij zal u verhogen, om de aarde erfelijk te bezitten; gij zult zien, dat de goddelozen worden uitgeroeid.
Schin. Let op den vrome, en zie naar den oprechte; want het einde van dien man zal vrede zijn.
En de HEERE zal hen helpen, en zal hen bevrijden; Hij zal ze bevrijden van de goddelozen, en zal ze behouden; want zij betrouwen op Hem.
Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand is op mij nedergedaald.
Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God!
En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.
Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand.
En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.
En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien, en vrezen, en op den HEERE vertrouwen.
De HEERE zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden; hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geef hem ook niet over in zijner vijanden begeerte.
De HEERE zal hem ondersteunen op het ziekbed; in zijn krankheid verandert Gij zijn ganse leger.
Zelfs de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.
Maar Gij, o HEERE! wees mij genadig, en richt mij op; en ik zal het hun vergelden.
Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.
[ (Psalms 42:12) Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God. ]
Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.
Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.
Waak op, waarom zoudt Gij slapen, HEERE! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid.
[ (Psalms 44:27) Sta op, ons ter hulp, en verlos ons om Uwer goedertierenheid wil. ]
Een onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim. (1a) Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten uit van een Koning; mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers.
En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.
Een lied op Alamoth, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. (1a) God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden.
Komt, aanschouwt de daden des HEEREN, Die verwoestingen op aarde aanricht.
Laat af, en weet, dat Ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de heidenen, Ik zal verhoogd worden op de aarde.
God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:2-Genesis 22:13
- 2.Genesis 22:14-Genesis 41:3
- 3.Genesis 41:4-Exodus 13:21
- 4.Exodus 14:10-Exodus 31:18
- 5.Exodus 32:1-Leviticus 8:21
- 6.Leviticus 8:22-Leviticus 23:5
- 7.Leviticus 23:6-Numberi 11:9
- 8.Numberi 11:11-Numberi 30:6
- 9.Numberi 30:8-Deuteronomium 27:4
- 10.Deuteronomium 27:8-Jozua 8:28
- 11.Jozua 8:29-Richteren 6:40
- 12.Richteren 7:1-Richteren 20:36
- 13.Richteren 20:40-1 Samuël 17:38
- 14.1 Samuël 17:49-2 Samuël 3:29
- 15.2 Samuël 3:32-1 Koningen 1:17
- 16.1 Koningen 1:20-1 Koningen 12:19
- 17.1 Koningen 12:25-2 Koningen 4:18
- 18.2 Koningen 4:20-2 Koningen 18:24
- 19.2 Koningen 18:25-2 Kronieken 3:13
- 20.2 Kronieken 3:15-2 Kronieken 30:14
- 21.2 Kronieken 30:15-Nehemia 9:1
- 22.Nehemia 9:3-Job 14:12
- 23.Job 14:21-Psalmen 9:19
- 24.Psalmen 10:12-Psalmen 47:5
- 25.Psalmen 47:8-Psalmen 91:6
- 26.Psalmen 91:12-Psalmen 146:5
- 27.Psalmen 146:8-Prediker 9:8
- 28.Prediker 10:3-Jesaja 28:4
- 29.Jesaja 28:10-Jesaja 59:21
- 30.Jesaja 60:1-Jeremia 20:10
- 31.Jeremia 20:14-Jeremia 51:53
- 32.Jeremia 51:62-Ezechiël 17:23
- 33.Ezechiël 18:6-Ezechiël 36:12
- 34.Ezechiël 36:25-Daniël 9:18
- 35.Daniël 9:19-Micha 1:3
- 36.Micha 2:1-Mattheüs 7:25
- 37.Mattheüs 7:26-Mattheüs 28:2
- 38.Mattheüs 28:15-Lukas 1:20
- 39.Lukas 1:21-Lukas 17:30
- 40.Lukas 17:31-Johannes 21:11
- 41.Johannes 21:20-Handelingen 19:12
- 42.Handelingen 19:16-Efeziërs 5:32
- 43.Efeziërs 6:3-Openbaring 9:3
- 44.Openbaring 9:7-Openbaring 22:4
Verwante onderwerpen
- Altaren Bouwen
- Andere Vertrouwen
- Bedden
- Bovenop Het Dak
- Buiging
- Dag 7
- Dak
- De Daad Van Openen
- De Sabbat In OT
- De Zevende Dag Van De Week
- Geen Arbeid Op Feestdagen
- Geloof En Vertrouwen
- Gods Hand
- Gods Stem
- Hand Van God