'Over' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:26-Exodus 14:7
- 2.Exodus 14:16-Numberi 10:14
- 3.Numberi 10:15-Jozua 3:16
- 4.Jozua 3:17-1 Samuël 9:17
- 5.1 Samuël 10:1-2 Samuël 17:19
- 6.2 Samuël 17:20-1 Koningen 21:23
- 7.1 Koningen 21:29-1 Kronieken 26:24
- 8.1 Kronieken 26:26-2 Kronieken 35:25
- 9.2 Kronieken 36:4-Job 36:23
- 10.Job 36:28-Psalmen 119:84
- 11.Psalmen 119:116-Jesaja 28:27
- 12.Jesaja 29:10-Jeremia 26:19
- 13.Jeremia 27:8-Klaagliederen 4:6
- 14.Klaagliederen 5:8-Daniël 2:38
- 15.Daniël 2:39-Zacharia 1:16
- 16.Zacharia 2:8-Lukas 3:1
- 17.Lukas 3:19-Handelingen 13:12
- 18.Handelingen 13:35-Efeziërs 5:6
- 19.Efeziërs 5:14-Openbaring 20:6
Welke de wolken uitgieten, en over den mens overvloediglijk afdruipen.
Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.
Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde.
Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?
Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?
Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters? [ (Job 40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? ] [ (Job 40:26) Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? ] [ (Job 40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. ] [ (Job 40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? ]
Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.
Ook kwamen tot hem al zijn broeders, en al zijn zusters, en allen, die hem te voren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem, en vertroostten hem over al het kwaad, dat de HEERE over hem gebracht had; en zij gaven hem een iegelijk een stuk gelds, een iegelijk ook een gouden voorhoofdsiersel.
Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.
[ (Psalms 3:9) Het heil is des HEEREN; Uw zegen is over Uw volk. Sela. ]
Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!
Davids Schiggajon, dat hij den HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini. (1a) HEERE, mijn God, op U betrouw ik; verlos mij van al mijn vervolgers, en red mij.
Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
Want de goddeloze roemt over den wens zijner ziel; hij zegent den gierigaard, hij lastert den HEERE.
Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?
Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn?
Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur.
Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.
Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding.
Wij zullen juichen over Uw heil, en de vaandelen opsteken in den Naam onzes Gods. De HEERE vervulle al uw begeerten.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester. (1a) O HEERE! de koning is verblijd over Uw sterkte; en hoezeer is hij verheugd over Uw heil!
Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.
Beth. Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij.
Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenpartijders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, mitsgaders die wrevel uitblaast.
De HEERE heeft gezeten over den watervloed; ja, de HEERE zit, Koning in eeuwigheid.
Een psalm, een lied der inwijding van Davids huis. (1a) Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.
Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid.
Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen.
Uw goedertierenheid, HEERE! zij over ons; gelijk als wij op U hopen.
Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.
Onder de huichelende spotachtige tafelbroeders knersten zij over mij met hun tanden.
Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijanden zijn; noch wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten.
Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden.
Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
De voet der hovaardigen kome niet over mij, en de hand der goddelozen doe mij niet omzwerven.
Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.
Daleth. Zwijg den HEERE, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.
De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.
Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden.
Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.
Want ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken.
De HEERE zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden; hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geef hem ook niet over in zijner vijanden begeerte.
Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.
De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.
Gij geeft ons over als schapen ter spijze, en Gij verstrooit ons onder de heidenen.
In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn; Gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde.
Want de HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde.
God regeert over de heidenen; God zit op den troon Zijner heiligheid.
Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in dien morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning.
En de rechtvaardigen zullen het zien, en vrezen; en zij zullen over hem lachen, zeggende:
Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.
[ (Psalms 57:12) Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde. ]
Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen! juich over mij, o gij Palestina!
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, over Jeduthun. (1a) Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil.
Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent Gij.
Hij heerst eeuwiglijk met Zijn macht; Zijn ogen houden wacht over de heidenen; laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela.
Daar is Benjamin de kleine, die over hen heerste, de vorsten van Juda, met hun vergadering, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Nafthali.
Geeft Gode sterkte! Zijn hoogheid is over Israel, en Zijn sterkte in de bovenste wolken.
Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.
Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.
Geef aan het wild gedierte de ziel Uwer tortelduif niet over; vergeet den hoop Uwer ellendigen niet in eeuwigheid.
Een psalm van Asaf, voor den opperzangmeester, over Jeduthun. (1a) Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen.
Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.
Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van den dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over.
En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen Zijn erfenis.
Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.
Help ons, o God onzes heils! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.
Uw hand zij over den man Uwer rechterhand, over des mensen zoon, dien Gij U gesterkt hebt.
[ (Psalms 83:19) Opdat zij weten, dat Gij alleen met Uw Naam zijt de HEERE, de Allerhoogste over de ganse aarde. ]
Breng ons weder, o God onzes heils! en doe te niet Uw toornigheid over ons.
Want Uw goedertierenheid is groot over mij; en Gij hebt mijn ziel uit het onderste des grafs uitgerukt.
Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan.
Gij heerst over de opgeblazenheid der zee; wanneer haar baren zich verheffen, zo stilt Gij ze.
Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningen der aarde.
Keer weder, HEERE! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten.
Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.
En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat.
Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen.
Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen.
Want Gij, HEERE! zijt de Allerhoogste over de gehele aarde; Gij zijt zeer hoog verheven boven alle goden.
O HEERE, onze God! Gij hebt hen verhoord, Gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hun daden.
Gij zult opstaan, Gij zult U ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen.
Want zo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijn goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vrezen.
Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen.
Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen;
De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.
Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.
Hij zette hem tot een heer over zijn huis, en tot een heerser over al zijn goed;
En de wateren overdekten hun wederpartijders; niet een van hen bleef over.
En Hij gaf hen in de hand der heidenen, en hun haters heersten over hen.
Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
Verhef U, o God! boven de hemelen, en Uw eer over de ganse aarde.
Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen; over Palestina zal ik juichen.
Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand.
Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij.
Hij zal recht doen onder de heidenen; Hij zal het vol dode lichamen maken; Hij zal verslaan dengene, die het hoofd is over een groot land.
De HEERE zal den zegen over ulieden vermeerderen, over ulieden en over uw kinderen.
Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des HEEREN is in der eeuwigheid! Hallelujah!
Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.
Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:26-Exodus 14:7
- 2.Exodus 14:16-Numberi 10:14
- 3.Numberi 10:15-Jozua 3:16
- 4.Jozua 3:17-1 Samuël 9:17
- 5.1 Samuël 10:1-2 Samuël 17:19
- 6.2 Samuël 17:20-1 Koningen 21:23
- 7.1 Koningen 21:29-1 Kronieken 26:24
- 8.1 Kronieken 26:26-2 Kronieken 35:25
- 9.2 Kronieken 36:4-Job 36:23
- 10.Job 36:28-Psalmen 119:84
- 11.Psalmen 119:116-Jesaja 28:27
- 12.Jesaja 29:10-Jeremia 26:19
- 13.Jeremia 27:8-Klaagliederen 4:6
- 14.Klaagliederen 5:8-Daniël 2:38
- 15.Daniël 2:39-Zacharia 1:16
- 16.Zacharia 2:8-Lukas 3:1
- 17.Lukas 3:19-Handelingen 13:12
- 18.Handelingen 13:35-Efeziërs 5:6
- 19.Efeziërs 5:14-Openbaring 20:6