'Uw' in de Bijbel
- 1.Genesis 3:5-Genesis 27:20
- 2.Genesis 27:29-Genesis 45:5
- 3.Genesis 45:7-Exodus 12:11
- 4.Exodus 12:14-Exodus 33:19
- 5.Exodus 34:9-Leviticus 25:38
- 6.Leviticus 25:39-Numberi 18:31
- 7.Numberi 20:8-Deuteronomium 5:14
- 8.Deuteronomium 5:15-Deuteronomium 11:31
- 9.Deuteronomium 12:4-Deuteronomium 19:14
- 10.Deuteronomium 19:21-Deuteronomium 28:57
- 11.Deuteronomium 28:58-Jozua 22:4
- 12.Jozua 22:5-Ruth 3:9
- 13.Ruth 3:10-1 Samuël 20:15
- 14.1 Samuël 20:18-2 Samuël 12:8
- 15.2 Samuël 12:10-1 Koningen 8:13
- 16.1 Koningen 8:18-1 Koningen 22:30
- 17.1 Koningen 22:34-1 Kronieken 17:26
- 18.1 Kronieken 17:27-2 Kronieken 30:7
- 19.2 Kronieken 30:8-Job 13:12
- 20.Job 13:17-Psalmen 23:4
- 21.Psalmen 24:6-Psalmen 57:5
- 22.Psalmen 57:10-Psalmen 85:7
- 23.Psalmen 86:1-Psalmen 119:10
- 24.Psalmen 119:11-Psalmen 119:120
- 25.Psalmen 119:122-Psalmen 145:16
- 26.Psalmen 146:10-Spreuken 27:26
- 27.Spreuken 27:27-Jesaja 25:1
- 28.Jesaja 26:8-Jesaja 51:23
- 29.Jesaja 52:1-Jeremia 4:7
- 30.Jeremia 4:14-Jeremia 29:13
- 31.Jeremia 29:14-Ezechiël 3:18
- 32.Ezechiël 3:19-Ezechiël 20:5
- 33.Ezechiël 20:7-Ezechiël 33:25
- 34.Ezechiël 33:31-Hosea 4:6
- 35.Hosea 4:13-Nahum 3:17
- 36.Nahum 3:18-Mattheüs 9:18
- 37.Mattheüs 9:22-Lukas 4:8
- 38.Lukas 4:11-Johannes 4:35
- 39.Johannes 4:50-Handelingen 17:28
- 40.Handelingen 18:6-Filippenzen 1:9
- 41.Filippenzen 1:19-1 Petrus 1:21
- 42.1 Petrus 1:22-Openbaring 22:9
Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
Alleenlijk doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen.
Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.
Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!
Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.
Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u.
Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader.
Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
Zou ik ook, als gijlieden, spreken, indien uw ziel ware in mijner ziele plaats? Zou ik woorden tegen u samenhopen, en zou ik over u met mijn hoofd schudden?
Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uw antwoorden overtreding overig is?
Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat gij rechtvaardig zijt; of gewin, dat gij uw wegen volmaakt?
Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
Want gij hebt uw broederen zonder oorzaak pand afgenomen, en de klederen der naakten hebt gij uitgetogen.
Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.
Zo gij u bekeert tot den Almachtige, gij zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uw tenten.
Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn, en uw krachtig zilver zijn;
Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen.
Gij zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en gij zult uw geloften betalen.
Als gij een zaak besluit, zo zal zij u bestendig zijn; en op uw wegen zal het licht schijnen.
Zekerlijk heeft hij tot God gezegd: Ik heb Uw straf verdragen, ik zal het niet verderven.
Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem? Indien uw overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij Hem?
Indien gij rechtvaardig zijt, wat geeft gij Hem, of wat ontvangt Hij uit uw hand?
Uw goddeloosheid zou zijn tegen een man, gelijk gij zijt, en uw gerechtigheid voor eens mensen kind.
Zou Hij uw rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn; of enige versterkingen van kracht?
Hoe uw klederen warm worden, als Hij de aarde stil maakt uit het zuiden?
Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
Hebt gij van uw dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijn plaats aangewezen;
Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.
Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal.
Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?
Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?
Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?
Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?
Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden?
Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt? [ (Job 39:31) Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats. ] [ (Job 39:32) Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af. ] [ (Job 39:33) Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij. ] [ (Job 39:34) En de HEERE antwoordde Job, en zeide: ] [ (Job 39:35) Is het twisten met den Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop. ] [ (Job 39:36) Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide: ] [ (Job 39:37) Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. ] [ (Job 39:38) Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren. ]
Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.
Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters? [ (Job 40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? ] [ (Job 40:26) Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? ] [ (Job 40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. ] [ (Job 40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? ]
Ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden.
Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
Daarom neemt nu voor ulieden zeven varren en zeven rammen, en gaat henen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor ulieden, en laat Mijn knecht Job voor ulieden bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan ulieden niet doe naar uw dwaasheid; want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.
[ (Psalms 3:9) Het heil is des HEEREN; Uw zegen is over Uw volk. Sela. ]
Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela.
De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.
Maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze.
HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.
Maar laat verblijd zijn allen, die op U betrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen, omdat Gij hen overdekt; en laat in U van vreugde opspringen, die Uw Naam liefhebben.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith. (1a) O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!
Sta op, HEERE, in Uw toorn, verhef U om de verbolgenheden mijner benauwers, en ontwaak tot mij; Gij hebt het gericht bevolen.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith. (1a) O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.
Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;
[ (Psalms 8:10) O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! ]
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Muth-Labben. (1a) Ik zal den HEERE loven met mijn ganse hart; ik zal al Uw wonderen vertellen.
In U zal ik mij verblijden, en van vreugde opspringen; ik zal Uw Naam psalmzingen, o Allerhoogste!
Omdat mijn vijanden achterwaarts gekeerd, gevallen en vergaan zijn van Uw aangezicht.
En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.
Opdat ik Uw gansen lof in de poorten der dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil.
Sta op, HEERE, laat de mens zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden.
Zijn wegen maken ten allen tijde smarte; Uw oordelen zijn een hoogte, verre van hem; al zijn tegenpartijders, die blaast hij aan.
Sta op, HEERE God! hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet.
Gij ziet het immers; want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, Gij zijt geweest een Helper van den wees.
HEERE! Gij hebt den wens der zachtmoedigen gehoord; Gij zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken;
Hoe lang, HEERE, zult Gij mij steeds vergeten? Hoe lang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen?
Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil; ik zal den HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft.
Een psalm van David. HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid?
Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.
Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.
Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen.
Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.
Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, Die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan!
Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze;
Met Uw hand van de lieden, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderkens achter.
Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.
En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o HEERE! van het geblaas des winds van Uw neus.
Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
Daarom zal ik U, o HEERE! loven onder de heidenen; en Uw Naam zal ik psalmzingen;
Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon.
Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding.
[ (Psalms 19:15) Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser! ]
Hij zende uw hulp uit het heiligdom, en ondersteune u uit Sion.
Hij gedenke al uwer spijsofferen, en make uw brandoffer tot as. Sela.
Wij zullen juichen over Uw heil, en de vaandelen opsteken in den Naam onzes Gods. De HEERE vervulle al uw begeerten.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester. (1a) O HEERE! de koning is verblijd over Uw sterkte; en hoezeer is hij verheugd over Uw heil!
Groot is zijn eer door Uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt Gij hem toegevoegd.
Want Gij zet hem tot zegeningen in eeuwigheid; Gij vervrolijkt hem door vreugde met Uw aangezicht.
Uw hand zal alle vijanden vinden; uw rechterhand zal uw haters vinden.
Want Gij zult hen zetten tot een wit; met Uw pezen zult Gij het op hun aangezicht toeleggen.
[ (Psalms 21:14) Verhoog U, HEERE! in Uw sterkte; zo zullen wij zingen, en Uw macht met psalmen loven. ]
Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen.
Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.
Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 3:5-Genesis 27:20
- 2.Genesis 27:29-Genesis 45:5
- 3.Genesis 45:7-Exodus 12:11
- 4.Exodus 12:14-Exodus 33:19
- 5.Exodus 34:9-Leviticus 25:38
- 6.Leviticus 25:39-Numberi 18:31
- 7.Numberi 20:8-Deuteronomium 5:14
- 8.Deuteronomium 5:15-Deuteronomium 11:31
- 9.Deuteronomium 12:4-Deuteronomium 19:14
- 10.Deuteronomium 19:21-Deuteronomium 28:57
- 11.Deuteronomium 28:58-Jozua 22:4
- 12.Jozua 22:5-Ruth 3:9
- 13.Ruth 3:10-1 Samuël 20:15
- 14.1 Samuël 20:18-2 Samuël 12:8
- 15.2 Samuël 12:10-1 Koningen 8:13
- 16.1 Koningen 8:18-1 Koningen 22:30
- 17.1 Koningen 22:34-1 Kronieken 17:26
- 18.1 Kronieken 17:27-2 Kronieken 30:7
- 19.2 Kronieken 30:8-Job 13:12
- 20.Job 13:17-Psalmen 23:4
- 21.Psalmen 24:6-Psalmen 57:5
- 22.Psalmen 57:10-Psalmen 85:7
- 23.Psalmen 86:1-Psalmen 119:10
- 24.Psalmen 119:11-Psalmen 119:120
- 25.Psalmen 119:122-Psalmen 145:16
- 26.Psalmen 146:10-Spreuken 27:26
- 27.Spreuken 27:27-Jesaja 25:1
- 28.Jesaja 26:8-Jesaja 51:23
- 29.Jesaja 52:1-Jeremia 4:7
- 30.Jeremia 4:14-Jeremia 29:13
- 31.Jeremia 29:14-Ezechiël 3:18
- 32.Ezechiël 3:19-Ezechiël 20:5
- 33.Ezechiël 20:7-Ezechiël 33:25
- 34.Ezechiël 33:31-Hosea 4:6
- 35.Hosea 4:13-Nahum 3:17
- 36.Nahum 3:18-Mattheüs 9:18
- 37.Mattheüs 9:22-Lukas 4:8
- 38.Lukas 4:11-Johannes 4:35
- 39.Johannes 4:50-Handelingen 17:28
- 40.Handelingen 18:6-Filippenzen 1:9
- 41.Filippenzen 1:19-1 Petrus 1:21
- 42.1 Petrus 1:22-Openbaring 22:9
Verwante onderwerpen
- Abraham
- Alwetende God
- Besteed Aandacht Aan God!
- Buitenaardse Wezens
- De Heer Is God
- De Rechterhand Van God
- Generaties
- Gezicht Van God
- God Als Verlosser
- God Haalt Israël Uit Egypte
- God, De Heer