'Veertig' in de Bijbel
En de vorige landvoogden, die voor mij geweest zijn, hebben het volk bezwaard, en van hen genomen aan brood en wijn, daarna veertig zilveren sikkelen; ook heersten hun jongens over het volk; maar ik heb alzo niet gedaan, om der vreze Gods wil.
De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;
De mannen van Kirjath-Jearim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig;
De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig;
De kinderen van Pashur, duizend, tweehonderd zeven en veertig;
De zangers: de kinderen van Asaf, honderd acht en veertig;
De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.
Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend, driehonderd en zestig;
Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend, driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd vijf en veertig zangers en zangeressen.
Hun paarden, zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;
Alzo hebt Gij hen veertig jaren onderhouden in de woestijn; zij hebben geen gebrek gehad; hun klederen zijn niet veroud, en hun voeten niet gezwollen.
En zijn broederen, hoofden der vaderen, waren tweehonderd twee en veertig. En Amassai, de zoon van Azareel, den zoon van Achzai, den zoon van Mesillemoth, den zoon van Immer;