'Was' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:2-Genesis 24:63
- 2.Genesis 25:1-Genesis 41:57
- 3.Genesis 42:1-Exodus 38:18
- 4.Exodus 38:19-Numberi 10:34
- 5.Numberi 11:1-Jozua 10:2
- 6.Jozua 10:9-Richteren 8:33
- 7.Richteren 9:34-1 Samuël 7:13
- 8.1 Samuël 7:14-1 Samuël 27:7
- 9.1 Samuël 27:11-2 Samuël 19:43
- 10.2 Samuël 20:1-1 Koningen 7:23
- 11.1 Koningen 7:25-1 Koningen 20:39
- 12.1 Koningen 20:40-2 Koningen 16:12
- 13.2 Koningen 16:14-1 Kronieken 7:23
- 14.1 Kronieken 7:24-1 Kronieken 26:28
- 15.1 Kronieken 26:30-2 Kronieken 16:10
- 16.2 Kronieken 16:12-2 Kronieken 36:2
- 17.2 Kronieken 36:5-Esther 7:7
- 18.Esther 7:8-Psalmen 142:4
- 19.Spreuken 1:24-Jeremia 37:13
- 20.Jeremia 37:16-Ezechiël 24:18
- 21.Ezechiël 27:7-Daniël 7:19
- 22.Daniël 7:20-Mattheüs 18:28
- 23.Mattheüs 18:31-Markus 15:25
- 24.Markus 15:26-Lukas 17:15
- 25.Lukas 17:16-Johannes 7:39
- 26.Johannes 7:42-Handelingen 4:21
- 27.Handelingen 4:22-Handelingen 23:10
- 28.Handelingen 23:12-Hebreeën 9:23
- 29.Hebreeën 10:29-Openbaring 22:2
Toen de koning wederkwam uit den hof van het paleis in het huis van den maaltijd des wijns, zo was Haman gevallen op het bed, waarop Esther was. Toen zeide de koning: Zou hij ook wel de koningin verkrachten bij mij in het huis? Het woord ging uit des konings mond, en zij bedekten Hamans aangezicht.
Te dienzelfden dage gaf de koning Ahasveros aan de koningin Esther het huis van Haman, den vijand der Joden; en Mordechai kwam voor het aangezicht des konings, want Esther had te kennen gegeven, wat hij voor haar was.
De inhoud van dit schrift was: dat een wet zou gegeven worden in alle landschappen, openbaar aan alle volken; en dat de Joden gereed zouden zijn tegen dien dag, om zich te wreken aan hun vijanden.
En Mordechai ging uit van voor het aangezicht des konings in een hemelsblauw en wit koninklijk kleed, en met een grote gouden kroon, en met een opperkleed van fijn linnen en purper; en de stad Susan juichte en was vrolijk.
Bij de Joden was licht, en blijdschap, en vreugde, en eer;
Ook in alle en een ieder landschap, en in alle en een iedere stad, ter plaatse, waar des konings woord en zijn wet aankwam, daar was bij de Joden blijdschap en vreugde, maaltijden en vrolijke dagen; en velen uit de volken des lands werden Joden, want de vreze der Joden was op hen gevallen.
In de twaalfde maand nu (dezelve is de maand Adar), op den dertienden dag derzelve, toen des konings woord en zijn wet nabij gekomen was, dat men het doen zou, ten dage, als de vijanden der Joden hoopten over hen te heersen, zo is het omgekeerd, want de Joden heersten over hun haters.
Want de Joden vergaderden zich in hun steden, in al de landschappen van den koning Ahasveros, om de hand te slaan aan degenen, die hun verderf zochten; en niemand bestond voor hen, want hunlieder schrik was op al die volken gevallen.
En al de oversten der landschappen, en de stadhouders, en landvoogden, en die het werk des konings deden, verhieven de Joden; want de vreze van Mordechai was op hen gevallen.
Want Mordechai was groot in het huis des konings, en zijn gerucht ging uit door alle landschappen; want die man, Morde chai, werd doorgaans groter.
Naar de dagen, in dewelke de Joden tot rust gekomen waren van hun vijanden, en de maand, die hun veranderd was van droefenis in blijdschap, en van rouw in een vrolijken dag; dat zij dezelve dagen maken zouden tot dagen der maaltijden, en der vreugde, en der zending van delen aan elkander, en der gaven aan de armen.
Maar als zij voor den koning gekomen was, heeft hij door brieven bevolen, dat zijn boze gedachte, die hij gedacht had over de Joden, op zijn hoofd zou wederkeren; en men heeft hem en zijn zonen aan de galg gehangen.
Daarom noemt men die dagen Purim, van den naam van dat Pur. Hierom, vanwege al de woorden van dien brief, en hetgeen zij zelven daarvan gezien hadden, en wat tot hen overgekomen was,
Want de Jood Mordechai was de tweede bij den koning Ahasveros, en groot bij de Joden, en aangenaam bij de menigte zijner broederen, zoekende het beste voor zijn volk, en sprekende voor den welstand van zijn ganse zaad.
Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.
Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kemelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.
Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.
Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene.
Wederom was er een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor den HEERE te stellen.
Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten.
Alzo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat de smart zeer groot was.
Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen.
Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?
Hij stond, doch ik kende zijn gedaante niet; een beeltenis was voor mijn ogen; er was stilte, en ik hoorde een stem, zeggende:
Verre waren zijn zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poort, en er was geen verlosser.
Denwelken alleen het land gegeven was, en door welker midden niemand vreemds doorging.
Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was;
Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg zijner benen was bevochtigd.
Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.
Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort;
Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;
Toen de Almachtige nog met mij was, en mijn jongens rondom mij;
Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed.
Den blinden was ik tot ogen, en den kreupelen was ik tot voeten.
Ik was den nooddruftigen een vader; en het geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik.
Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw vernachtte op mijn tak.
Mijn heerlijkheid was nieuw bij mij, en mijn boog veranderde zich in mijn hand.
Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan.
Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was de wortel der jeneveren.
Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?
Zo ik iemand heb zien omkomen, omdat hij zonder kleding was, en dat de nooddruftige geen deksel had;
Want het verderf Gods was bij mij een schrik, en ik vermocht niet vanwege Zijn hoogheid.
Zo ik blijde ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had;
Toen hielden de drie mannen op van Job te antwoorden, dewijl hij in zijn ogen rechtvaardig was.
Als dan Elihu zag, dat er geen antwoord was in den mond van die drie mannen, ontstak zijn toorn.
Zijn vlees zal frisser worden dan het was in de jeugd; hij zal tot de dagen zijner jonkheid wederkeren.
Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.
Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.
En Hij boog den hemel, en daalde neder, en donkerheid was onder Zijn voeten.
Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.
Van den glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarhenen, hagel en vurige kolen.
Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij tot een Steunsel.
Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.
Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.
Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.
Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o HEERE!
Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.
Mij aangaande daarentegen, als zij krank waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weder in mijn boezem.
Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.
Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester. (1a) Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan. (1b) Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde.
Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.
Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester. (1a) Als Doeg, de Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven, en tot hem gezegd had: David is gekomen ten huize van Achimelech. (1b) Wat beroemt gij u in het kwaad, o gij geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag.
Ziet den man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen.
Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard geworden, waar geen vervaardheid was; want God heeft de beenderen desgenen, die u belegerde, verstrooid; gij hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen.
Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, mijn ziel was nedergebukt; zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden in gevallen. Sela.
Maar ik zal Uw sterkte zingen, en des morgens Uw goedertierenheid vrolijk roemen, omdat Gij mij een Hoog Vertrek zijt geweest, en een Toevlucht ten dage, als mij bange was.
Een psalm van David, als hij was in de woestijn van Juda. (1a) O God! Gij zijt mijn God! ik zoek U in den dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.
Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.
Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.
Gij hebt zeer milden regen doen druipen, o God! en Gij hebt Uw erfenis gesterkt, als zij mat was geworden.
De HEERE gaf te spreken; der boodschappers van goede tijdingen was een grote heirschaar.
Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;
Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.
Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den HEERE; mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.
Gij hieldt mijn ogen wakende; ik was verslagen, en sprak niet.
Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.
Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend.
En dat zij niet zouden worden gelijk hun vaders, een wederhorig en wederspannig geslacht; een geslacht, dat zijn hart niet richtte, en welks geest niet getrouw was met God.
Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond,
En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.
Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond.
Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten; en er was niemand, die hen begroef.
Hij heeft het gezet tot een getuigenis in Jozef, als Hij uitgetogen was tegen Egypteland; alwaar ik gehoord heb een spraak, die ik niet verstond;
De bergen smelten als was voor het aanschijn des HEEREN, voor het aanschijn des HEEREN der ganse aarde.
En Hij voerde hen uit met zilver en goud; en onder hun stammen was niemand, die struikelde.
Egypte was blijde, als zij uittrokken, want hun verschrikking was op hen gevallen.
Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt.
Waarom Hij hun het hart door zwarigheid vernederd heeft; zij zijn gestruikeld, en er was geen helper.
Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed.
Wat was u, gij zee! dat gij vloodt? gij Jordaan! dat gij achterwaarts keerdet?
De HEERE bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost.
Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde.
Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de spelonk was. (1a) Ik riep met mijn stem tot den HEERE; ik smeekte tot den HEERE met mijn stem.
Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op den weg, dien ik gaan zou.
Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:2-Genesis 24:63
- 2.Genesis 25:1-Genesis 41:57
- 3.Genesis 42:1-Exodus 38:18
- 4.Exodus 38:19-Numberi 10:34
- 5.Numberi 11:1-Jozua 10:2
- 6.Jozua 10:9-Richteren 8:33
- 7.Richteren 9:34-1 Samuël 7:13
- 8.1 Samuël 7:14-1 Samuël 27:7
- 9.1 Samuël 27:11-2 Samuël 19:43
- 10.2 Samuël 20:1-1 Koningen 7:23
- 11.1 Koningen 7:25-1 Koningen 20:39
- 12.1 Koningen 20:40-2 Koningen 16:12
- 13.2 Koningen 16:14-1 Kronieken 7:23
- 14.1 Kronieken 7:24-1 Kronieken 26:28
- 15.1 Kronieken 26:30-2 Kronieken 16:10
- 16.2 Kronieken 16:12-2 Kronieken 36:2
- 17.2 Kronieken 36:5-Esther 7:7
- 18.Esther 7:8-Psalmen 142:4
- 19.Spreuken 1:24-Jeremia 37:13
- 20.Jeremia 37:16-Ezechiël 24:18
- 21.Ezechiël 27:7-Daniël 7:19
- 22.Daniël 7:20-Mattheüs 18:28
- 23.Mattheüs 18:31-Markus 15:25
- 24.Markus 15:26-Lukas 17:15
- 25.Lukas 17:16-Johannes 7:39
- 26.Johannes 7:42-Handelingen 4:21
- 27.Handelingen 4:22-Handelingen 23:10
- 28.Handelingen 23:12-Hebreeën 9:23
- 29.Hebreeën 10:29-Openbaring 22:2