'Zal' in de Bijbel
- 1.Genesis 2:18-Genesis 25:23
- 2.Genesis 26:2-Genesis 49:1
- 3.Genesis 49:7-Exodus 12:26
- 4.Exodus 12:42-Exodus 23:7
- 5.Exodus 23:13-Exodus 32:34
- 6.Exodus 33:1-Leviticus 5:1
- 7.Leviticus 5:2-Leviticus 12:2
- 8.Leviticus 12:3-Leviticus 14:45
- 9.Leviticus 14:46-Leviticus 19:34
- 10.Leviticus 20:2-Leviticus 25:33
- 11.Leviticus 25:34-Numberi 4:16
- 12.Numberi 4:24-Numberi 16:29
- 13.Numberi 16:30-Numberi 30:13
- 14.Numberi 30:15-Deuteronomium 12:5
- 15.Deuteronomium 12:9-Deuteronomium 21:12
- 16.Deuteronomium 21:13-Deuteronomium 28:29
- 17.Deuteronomium 28:30-Jozua 6:17
- 18.Jozua 6:26-Ruth 1:16
- 19.Ruth 1:17-1 Samuël 18:8
- 20.1 Samuël 18:11-2 Samuël 14:8
- 21.2 Samuël 14:10-1 Koningen 9:9
- 22.1 Koningen 11:11-2 Koningen 5:18
- 23.2 Koningen 5:20-2 Kronieken 2:4
- 24.2 Kronieken 2:5-Esther 5:3
- 25.Esther 5:6-Job 18:8
- 26.Job 18:9-Job 40:2
- 27.Job 40:9-Psalmen 37:4
- 28.Psalmen 37:5-Psalmen 64:10
- 29.Psalmen 65:1-Psalmen 94:14
- 30.Psalmen 94:15-Psalmen 122:9
- 31.Psalmen 125:3-Spreuken 12:7
- 32.Spreuken 12:8-Spreuken 21:26
- 33.Spreuken 21:28-Prediker 8:15
- 34.Prediker 8:17-Jesaja 9:18
- 35.Jesaja 9:19-Jesaja 19:23
- 36.Jesaja 19:24-Jesaja 31:5
- 37.Jesaja 31:8-Jesaja 42:16
- 38.Jesaja 42:23-Jesaja 57:19
- 39.Jesaja 58:8-Jeremia 6:20
- 40.Jeremia 6:21-Jeremia 19:3
- 41.Jeremia 19:6-Jeremia 30:17
- 42.Jeremia 30:18-Jeremia 42:20
- 43.Jeremia 43:10-Jeremia 51:39
- 44.Jeremia 51:40-Ezechiël 13:23
- 45.Ezechiël 14:4-Ezechiël 23:48
- 46.Ezechiël 24:9-Ezechiël 33:29
- 47.Ezechiël 33:33-Ezechiël 44:27
- 48.Ezechiël 44:28-Daniël 11:2
- 49.Daniël 11:3-Hosea 9:3
- 50.Hosea 9:4-Amos 5:5
- 51.Amos 5:13-Micha 7:4
- 52.Micha 7:7-Haggaï 2:10
- 53.Haggaï 2:11-Zacharia 14:6
- 54.Zacharia 14:7-Mattheüs 10:42
- 55.Mattheüs 11:6-Mattheüs 24:41
- 56.Mattheüs 24:42-Markus 13:30
- 57.Markus 13:35-Lukas 12:10
- 58.Lukas 12:12-Johannes 4:14
- 59.Johannes 4:25-Handelingen 3:20
- 60.Handelingen 3:22-Romeinen 16:20
- 61.1 Corinthiërs 1:8-Filippenzen 1:18
- 62.Filippenzen 1:19-1 Johannes 2:28
- 63.1 Johannes 3:2-Openbaring 22:19
Voorts sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, trek op van hier, gij en het volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, naar het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven;
En Ik zal een Engel voor uw aangezicht zenden (en Ik zal uitdrijven de Kanaanieten, de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten),
Naar het land, dat van melk en honig is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want gij zijt een hardnekkig volk; dat Ik u op dezen weg niet vertere.
En de HEERE had tot Mozes gezegd: Zeg tot de kinderen Israels: Gij zijt een hardnekkig volk; in een ogenblik zou Ik in het midden van ulieden optrekken, en zou u vernielen; doch nu, legt uw sieraad van u af, en Ik zal weten, wat Ik u doen zal.
Nu dan, ik bidde, indien ik genade gevonden heb in Uw ogen, zo laat mij nu Uw weg weten, en ik zal U kennen, opdat ik genade vinde in Uw ogen; en zie aan, dat deze natie Uw volk is!
Toen zeide hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken!
Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ook deze zelfde zaak, die gij gesproken hebt, zal Ik doen, dewijl gij genade gevonden hebt in Mijn ogen, en Ik u bij name ken.
Doch Hij zeide: Ik zal al Mijn goedigheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zal den Naam des HEEREN uitroepen voor uw aangezicht; maar Ik zal genadig zijn, wien Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij ontfermen, over wien Ik Mij ontfermen zal.
Hij zeide verder: Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven.
En het zal geschieden, wanneer Mijn heerlijkheid voorbij zal gaan, zo zal Ik u in een kloof der steenrots zetten; en Ik zal u met Mijn hand overdekken, totdat Ik zal voorbijgegaan zijn.
En wanneer Ik Mijn hand zal weggenomen hebben, zo zult gij Mijn achterste delen zien; maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden.
Toen zeide de HEERE tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen, gelijk de eerste waren, zo zal Ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden, die op de eerste tafelen geweest zijn, die gij gebroken hebt.
En niemand zal met u opklimmen; dat er ook niemand gezien worde op den gansen berg; ook het kleine vee, noch runderen zullen tegenover dezen berg niet weiden.
Toen zeide Hij: Zie, Ik maak een verbond; voor uw ganse volk zal Ik wonderen doen, die niet geschapen zijn op de ganse aarde, noch onder enige volken; alzo dat dit ganse volk, in welks midden gij zijt, des HEEREN werk zien zal, dat het schrikkelijk is, hetwelk Ik met u doe.
Onderhoudt gij hetgeen Ik u heden gebiede! zie, Ik zal voor uw aangezicht uitdrijven de Amorieten, en de Kanaanieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten.
Al wat de baarmoeder opent, is Mijn; ja, al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het grote en kleine vee.
Doch den ezel, die de baarmoeder opent, zult gij met een stuk klein vee lossen; maar indien gij hem niet zult lossen, zo zult gij hem den nek breken. Al de eerstgeborenen uwer zonen zult gij lossen, en men zal voor Mijn aangezicht niet ledig verschijnen.
Al wat mannelijk is onder u zal driemaal in het jaar verschijnen voor het aangezicht des Heeren HEEREN, den God van Israel.
Wanneer Ik de volken voor uw aangezicht uit de bezitting zal verdrijven, en uw landpalen verwijden, dan zal niemand uw land begeren, terwijl gij henen opgaan zult, om te verschijnen voor het aangezicht des HEEREN uws Gods, driemaal in het jaar.
Gij zult het bloed van Mijn slachtoffer niet offeren met gedesemd brood; het slachtoffer van het paasfeest zal ook niet vernachten tot den morgen.
Zes dagen zal men het werk doen; maar op den zevenden dag zal ulieden heiligheid zijn, een sabbat der rust den HEERE; al wie daarop werk doet, zal gedood worden.
Neemt van hetgeen, dat gijlieden hebt, een hefoffer den HEERE; een ieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen, ten hefoffer des HEEREN: goud, en zilver, en koper;
Het altaar des brandoffers, en den koperen rooster, dien het hebben zal, zijn handbomen, en al zijn gereedschappen; het wasvat en zijn voet.
Dan zult gij de zalfolie nemen en zalven den tabernakel, en al wat daarin is; en gij zult dezelven heiligen, met al zijn gereedschap, en het zal een heiligheid zijn.
Gij zult ook het altaar des brandoffers zalven, en al zijn gereedschap; en gij zult het altaar heiligen, en het altaar zal heiligheid der heiligheden zijn.
En gij zult hen zalven, gelijk als gij hun vader zult gezalfd hebben, dat zij Mij het priesterambt bedienen. En het zal geschieden, dat hun hun zalving zal zijn tot een eeuwig priesterdom bij hun geslachten.
Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Als een mens uit u den HEERE een offerande zal offeren, gij zult uw offeranden offeren van het vee, van runderen en van schapen.
Indien zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent der samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht des HEEREN.
En hij zal zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.
Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aaron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, hetwelk voor de deur van de tent der samenkomst is.
Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken, en het in zijn stukken delen.
Doch zijn ingewand, en zijn schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.
En indien zijn offerande is van klein vee, van schapen of van geiten, ten brandoffer, zal hij een volkomen mannetje offeren.
En hij zal dat slachten aan de zijde van het altaar noordwaarts, voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aaron, de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar sprengen.
Daarna zal hij het in zijn stukken delen, mitsgaders zijn hoofd en zijn smeer; en de priester zal die schikken op het hout, dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is.
Doch het ingewand en de schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles offeren en aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.
En indien zijn offerande voor den HEERE een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offerande van tortelduiven, of van jonge duiven, offeren.
En de priester zal die tot het altaar brengen, en deszelfs hoofd met zijn nagel splijten, en op het altaar aansteken; en zijn bloed zal aan den wand des altaars uitgeduwd worden.
En zijn krop met zijn vederen zal hij wegdoen, en zal het werpen bij het altaar, oostwaarts, aan de plaats der as.
Verder zal hij die met zijn vleugelen klieven, niet afscheiden; en de priester zal die aansteken op het altaar, op het hout, dat op het vuur is; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.
Als nu een ziel een offerande van spijsoffer den HEERE zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen.
En hij zal het brengen tot de zonen van Aaron, de priesters, een van welke daarvan zijn hand vol grijpen zal uit deszelfs meelbloem, en uit deszelfs olie, met al deszelfs wierook; en de priester zal deszelfs gedenkoffer aansteken op het altaar; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.
Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aaron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid der heiligheden van de vuurofferen des HEEREN.
En indien uw offerande spijsoffer is, in de pan gekookt, zij zal zijn van ongezuurde meelbloem, met olie gemengd.
En zo uw offerande een spijsoffer des ketels is, het zal van meelbloem met olie gemaakt worden.
Dan zult gij dat spijsoffer, hetwelk daarvan zal gemaakt worden, den HEERE toebrengen; en men zal het tot den priester doen naderen, die het tot het altaar dragen zal.
En de priester zal van dat spijsoffer deszelfs gedenkoffer opnemen, en op het altaar aansteken, het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.
En wat overblijft van het spijsoffer, zal voor Aaron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid der heiligheden van de vuurofferen des HEEREN.
Geen spijsoffer, dat gij den HEERE zult offeren, zal met desem gemaakt worden; want van geen zuurdesem, en van geen honig zult gijlieden den HEERE vuuroffer aansteken.
Zo zal de priester deszelfs gedenkoffer aansteken van zijn klein gebroken graan en van zijn olie, met al den wierook; het is een vuuroffer den HEERE.
En indien zijn offer een dankoffer is; zo hij ze van de runderen offert, hetzij mannetje of wijfje, volkomen zal hij die offeren, voor het aangezicht des HEEREN.
En hij zal zijn hand op het hoofd zijner offerande leggen, en zal ze slachten voor de deur van de tent der samenkomst; en de zonen van Aaron, de priesters, zullen het bloed rondom op het altaar sprengen.
Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer den HEERE offeren, het vet, dat het ingewand bedekt, en al het vet, hetwelk aan het ingewand is.
Dan zal hij beide de nieren, en het vet, hetwelk daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen.
En de zonen van Aaron zullen dat aansteken op het altaar, op het brandoffer, hetwelk op het hout zal zijn, dat op het vuur is; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.
En indien zijn offerande van klein vee is, den HEERE tot een dankoffer, hetzij mannetje of wijfje, volkomen zal hij die offeren.
Indien hij een lam tot zijn offerande offert, zo zal hij het offeren voor het aangezicht des HEEREN.
En hij zal zijn hand op het hoofd zijner offerande leggen, en hij zal die slachten voor de tent der samenkomst; en de zonen van Aaron zullen het bloed daarvan sprengen op het altaar rondom.
Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer den HEERE offeren; zijn vet, den gehele staart, dien hij dicht aan de ruggegraat zal afnemen, en het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is;
Ook beide de nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever met de nieren, zal hij afnemen.
En de priester zal dat aansteken op het altaar; het is een spijs des vuuroffers den HEERE.
Indien nu zijn offerande een geit is, zo zal hij die offeren voor het aangezicht des HEEREN.
En hij zal zijn hand op haar hoofd leggen, en hij zal hem slachten voor de tent der samenkomst; en de zonen van Aaron zullen haar bloed op het altaar sprengen rondom.
Dan zal hij daarvan zijn offerande offeren, een vuuroffer den HEERE; het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is;
Mitsgaders de beide nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen.
En de priester zal die aansteken op het altaar; het is een spijs des vuuroffers, tot een liefelijken reuk; alle vet zal des HEEREN zijn.
Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Als een ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling van enige geboden des HEEREN, dat niet zou gedaan worden, en tegen een van die zal gedaan hebben;
Indien de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld des volks, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, den HEERE ten zondoffer.
En hij zal die var brengen tot de deur van de tent der samenkomst, voor het aangezicht des HEEREN; en hij zal zijn hand op het hoofd van dien var leggen, en hij zal dien var slachten voor het aangezicht des HEEREN.
Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van den var nemen, en hij zal dat tot de tent der samenkomst brengen.
En de priester zal zijn vinger in dat bloed dopen; en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht des HEEREN, voor den voorhang van het heilige.
Ook zal de priester van dat bloed doen op de hoornen des reukaltaars der welriekende specerijen, voor het aangezicht des HEEREN, dat in de tent der samenkomst is; dan zal hij al het bloed van den var uitgieten aan den bodem van het altaar des brandoffers, hetwelk is aan de deur van de tent der samenkomst.
Verder, al het vet van den var des zondoffers zal hij daarvan opnemen; het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is;
Daartoe de twee nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is, en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen;
Gelijk als het van den os des dankoffers opgenomen wordt; en de priester zal die aansteken op het altaar des brandoffers.
En dien gehele var zal hij tot buiten het leger uitvoeren, aan een reine plaats, waar men de as uitstort, en zal hem met vuur op het hout verbranden; bij de uitgegoten as zal hij verbrand worden.
Indien nu de gehele vergadering van Israel afgedwaald zal zijn, en de zaak voor de ogen der gemeente verborgen is, en zij iets gedaan zullen hebben tegen enige van allen geboden des HEEREN, dat niet zoude gedaan worden, en zijn schuldig geworden;
En die zonde, die zij daartegen gezondigd zullen hebben, bekend is geworden; zo zal de gemeente een var, een jong rund, ten zondoffer offeren, en dien voor de tent der samenkomst brengen;
En de oudsten der vergadering zullen hun handen op het hoofd van den var leggen, voor het aangezicht des HEEREN; en hij zal den var slachten voor het aangezicht des HEEREN.
Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van den var tot de tent der samenkomst brengen.
En de priester zal zijn vinger indopen, nemende van dat bloed; en hij zal zevenmaal sprengen voor het aangezicht des HEEREN, voor den voorhang.
En van dat bloed zal hij doen op de hoornen van het altaar, dat voor het aangezicht des HEEREN is, dat in de tent der samenkomst is; dan zal hij al het bloed uitgieten, aan den bodem van het altaar des brandoffers, hetwelk is voor de deur van de tent der samenkomst.
Daartoe zal hij al zijn vet van hem opnemen, en op het altaar aansteken.
En hij zal dezen var doen, gelijk als hij den var des zondoffers gedaan heeft, alzo zal hij hem doen; en de priester zal voor hen verzoening doen, en het zal hun vergeven worden.
Daarna zal hij dien var tot buiten het leger uitvoeren, en zal hem verbranden, gelijk als hij den eersten var verbrand heeft; het is een zondoffer der gemeente.
Als een overste zal gezondigd hebben, en tegen een van de geboden des HEEREN zijns Gods, door afdwaling, gedaan zal hebben, hetwelk niet zou gedaan worden, zodat hij schuldig is;
Of men zijn zonde, die hij daartegen gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben; zo zal hij tot zijn offer brengen een geitenbok, een volkomen mannetje.
En hij zal zijn hand op het hoofd van den bok leggen, en zal hem slachten in de plaats, waar men het brandoffer slacht voor het aangezicht des HEEREN; het is een zondoffer.
Daarna zal de priester van het bloed des zondoffers met zijn vinger nemen, en dat op de hoornen van het altaar des brandoffers doen; dan zal hij zijn bloed aan den bodem van het altaar des brandoffers uitgieten.
Hij zal ook al zijn vet op het altaar aansteken, gelijk het vet des dankoffers; zo zal de priester voor hem verzoening doen van zijn zonden, en het zal hem vergeven worden.
En zo enig mens van het volk des lands door afdwaling zal gezondigd hebben, dewijl hij iets doet tegen een van de geboden des HEEREN, dat niet gedaan zou worden, zodat hij schuldig is;
Of men zijn zonde, die hij gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben; zo zal hij tot zijn offerande brengen een jonge geit, een volkomen wijfje, voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft.
En hij zal zijn hand op het hoofd des zondoffers leggen; en men zal dat zondoffer slachten in de plaats des brandoffers.
Daarna zal de priester van haar bloed met zijn vinger nemen, en doen het op de hoornen van het altaar des brandoffers; dan zal hij al het bloed daarvan aan den bodem van dat altaar uitgieten.
En al haar vet zal hij afnemen, gelijk als het vet van het dankoffer afgenomen wordt, en de priester zal het aansteken op het altaar, tot een liefelijken reuk den HEERE; en de priester zal voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.
Maar zo hij een lam voor zijn offerande ten zondoffer brengt, het zal een volkomen wijfje zijn, dat hij brengt.
En hij zal zijn hand op het hoofd des zondoffers leggen, en hij zal dat slachten tot een zondoffer, in de plaats, waar men het brandoffer slacht.
Daarna zal de priester van het bloed des zondoffers met zijn vinger nemen, en zal het doen op de hoornen van het altaar des brandoffers; dan zal hij al het bloed daarvan aan den bodem van dat altaar uitgieten.
En al het vet daarvan zal hij afnemen, gelijk als het vet van het lam des dankoffers afgenomen wordt, en de priester zal die aansteken op het altaar, op de vuurofferen des HEEREN; en de priester zal voor hem verzoening doen over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, en het zal hem vergeven worden.
Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem des vloeks, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; indien hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 2:18-Genesis 25:23
- 2.Genesis 26:2-Genesis 49:1
- 3.Genesis 49:7-Exodus 12:26
- 4.Exodus 12:42-Exodus 23:7
- 5.Exodus 23:13-Exodus 32:34
- 6.Exodus 33:1-Leviticus 5:1
- 7.Leviticus 5:2-Leviticus 12:2
- 8.Leviticus 12:3-Leviticus 14:45
- 9.Leviticus 14:46-Leviticus 19:34
- 10.Leviticus 20:2-Leviticus 25:33
- 11.Leviticus 25:34-Numberi 4:16
- 12.Numberi 4:24-Numberi 16:29
- 13.Numberi 16:30-Numberi 30:13
- 14.Numberi 30:15-Deuteronomium 12:5
- 15.Deuteronomium 12:9-Deuteronomium 21:12
- 16.Deuteronomium 21:13-Deuteronomium 28:29
- 17.Deuteronomium 28:30-Jozua 6:17
- 18.Jozua 6:26-Ruth 1:16
- 19.Ruth 1:17-1 Samuël 18:8
- 20.1 Samuël 18:11-2 Samuël 14:8
- 21.2 Samuël 14:10-1 Koningen 9:9
- 22.1 Koningen 11:11-2 Koningen 5:18
- 23.2 Koningen 5:20-2 Kronieken 2:4
- 24.2 Kronieken 2:5-Esther 5:3
- 25.Esther 5:6-Job 18:8
- 26.Job 18:9-Job 40:2
- 27.Job 40:9-Psalmen 37:4
- 28.Psalmen 37:5-Psalmen 64:10
- 29.Psalmen 65:1-Psalmen 94:14
- 30.Psalmen 94:15-Psalmen 122:9
- 31.Psalmen 125:3-Spreuken 12:7
- 32.Spreuken 12:8-Spreuken 21:26
- 33.Spreuken 21:28-Prediker 8:15
- 34.Prediker 8:17-Jesaja 9:18
- 35.Jesaja 9:19-Jesaja 19:23
- 36.Jesaja 19:24-Jesaja 31:5
- 37.Jesaja 31:8-Jesaja 42:16
- 38.Jesaja 42:23-Jesaja 57:19
- 39.Jesaja 58:8-Jeremia 6:20
- 40.Jeremia 6:21-Jeremia 19:3
- 41.Jeremia 19:6-Jeremia 30:17
- 42.Jeremia 30:18-Jeremia 42:20
- 43.Jeremia 43:10-Jeremia 51:39
- 44.Jeremia 51:40-Ezechiël 13:23
- 45.Ezechiël 14:4-Ezechiël 23:48
- 46.Ezechiël 24:9-Ezechiël 33:29
- 47.Ezechiël 33:33-Ezechiël 44:27
- 48.Ezechiël 44:28-Daniël 11:2
- 49.Daniël 11:3-Hosea 9:3
- 50.Hosea 9:4-Amos 5:5
- 51.Amos 5:13-Micha 7:4
- 52.Micha 7:7-Haggaï 2:10
- 53.Haggaï 2:11-Zacharia 14:6
- 54.Zacharia 14:7-Mattheüs 10:42
- 55.Mattheüs 11:6-Mattheüs 24:41
- 56.Mattheüs 24:42-Markus 13:30
- 57.Markus 13:35-Lukas 12:10
- 58.Lukas 12:12-Johannes 4:14
- 59.Johannes 4:25-Handelingen 3:20
- 60.Handelingen 3:22-Romeinen 16:20
- 61.1 Corinthiërs 1:8-Filippenzen 1:18
- 62.Filippenzen 1:19-1 Johannes 2:28
- 63.1 Johannes 3:2-Openbaring 22:19
Verwante onderwerpen
- Abraham
- Afkeer
- Alcohol
- Archeologie
- Beantwoorde Beloften
- Bescherming En Veiligheid
- Bestraffing Door God
- Beëindiging
- Dag Van De HEER
- De Daad Van Openen
- De Invloed Van God Kennen
- De Ouders Verlaten Voor De Echtgenoot
- De Rechtvaardigen
- De Toekomst
- De Wederkomst
- De Zon
- Dochters
- Doden Zal Gebeuren
- Dood Van Een Familielid
- Doodstraf
- Einde Van Dagen
- Geld Zegeningen
- Gezicht Van God
- Gezondheid En Genezen
- God Als Rechter
- God Die Niet Verzaakt
- God Dodend
- God Haalt Israël Uit Egypte
- God Redt De Behoeftigen
- God Tegen
- God Zal Het Eisen
- God Zal Zegenen
- God, De Eeuwige
- Gods Hand
- Gods Onthulde Dingen
- Gods Redding Bekend Gemaakt
- Gods Stem
- Gods Waarheid
- Gods Wil
- Gods Woord Is Rechtvaardig
- Goud
- Grenzen
- Hand Van God
- Herstel
- Het Gevolg Van De Afwijzing Van God
- Het Nieuw Verbond
- Het Woord Spreken Dat God Geschonken Heeft
- Hoofden
- Huwelijk Tussen Man En Vrouw
- Ik Ben De Heer
- Ik Zal Hun God Zijn
- Jouw Familie Beschermen
- Korte Tijd Voor Actie
- Laatste Dingen
- Laatste Oordeel
- Land
- Lauw
- Lege Steden
- Lichaam
- Lof
- Menselijk Belang Van Wijsheid
- Menselijke En Goddelijke Heerschappij
- Mensen Verbranden
- Messiaanse Profetieën
- Missie Van Israël
- Morgen
- Namen En Titels Voor Christus
- Nederlaag
- Offeringen Doden
- Onrein Tot De Avond
- Onreine Dingen
- Onreine Zaken Aanraken
- Ontrouw Aan God
- Oogsten Wat Je Gezaaid Hebt
- Overlevenden Bevoordeeld
- Priesters Die Verzoenen
- Reine Kledij
- Rest
- Rivieren
- Samenkomen Israël
- Schaamte Over Slecht Gedrag
- Schaamte Zal Aankomen
- Schapen En Geiten
- Sex Voor Het Huwelijk
- Straf
- Teruggeven
- Toekomst
- Trouw Tot God
- Vals Vertrouwen
- Veiligheid
- Verspreiden
- Voorspellingen Over Christus
- Vredevolle Slaap
- Vreemdelingen
- Vuur Van Oordeel
- We Danken God
- Wederopbouw
- Wraak
- Zegen Door Gods Volk
- Zegeningen En Voorspoed
- Zeven Dagen
- Zeven Dagen Voor Juridische Zaken
- Zich Zorgen Maken Over De Toekomst
- Zij Die Van Israël Moeten Worden Afgesneden
- Zion
- Zonneschijn