'Zich' in de Bijbel
- 1.Genesis 2:25-Exodus 7:23
- 2.Exodus 9:34-Numberi 6:6
- 3.Numberi 6:7-Deuteronomium 17:16
- 4.Deuteronomium 17:17-Richteren 11:3
- 5.Richteren 11:11-1 Samuël 17:52
- 6.1 Samuël 18:5-2 Samuël 17:26
- 7.2 Samuël 18:18-2 Koningen 4:37
- 8.2 Koningen 5:12-2 Kronieken 17:1
- 9.2 Kronieken 17:6-Nehemia 12:42
- 10.Nehemia 13:22-Psalmen 34:2
- 11.Psalmen 34:7-Spreuken 13:9
- 12.Spreuken 14:10-Jesaja 33:9
- 13.Jesaja 34:14-Jeremia 31:9
- 14.Jeremia 31:13-Ezechiël 44:22
- 15.Ezechiël 44:25-Zacharia 9:3
- 16.Zacharia 10:7-Lukas 1:47
- 17.Lukas 1:63-Handelingen 12:19
- 18.Handelingen 13:7-Openbaring 2:21
- 19.Openbaring 2:22-Openbaring 16:11
Voorts zeide ik tot de Levieten, dat zij zich zouden reinigen, en de poorten komen wachten, om den sabbatdag te heiligen. Gedenk mijner ook in dezen, mijn God! en verschoon mij naar de veelheid Uwer goedertierenheid.
Ook zag ik in die dagen Joden, die Asdodische, Ammonietische en Moabietische vrouwen bij zich hadden doen wonen.
En hij was het, die opvoedde Hadassa (deze is Esther, de dochter zijns ooms); want zij had geen vader noch moeder; en zij was een jonge dochter, schoon van gedaante, en schoon van aangezicht; en als haar vader en haar moeder stierven, had Mordechai ze zich tot een dochter aangenomen.
Als de beurt van Esther, de dochter van Abichail, den oom van Mordechai, (die hij zich ter dochter genomen had) naakte, dat zij tot den koning komen zou, begeerde zij niet met al, dan wat Hegai, des konings kamerling, de bewaarder der vrouwen, zeide; en Esther verkreeg genade in de ogen van allen, die haar zagen.
En al de knechten des konings, die in de poort des konings waren, neigden en bogen zich neder voor Haman; want de koning had alzo van hem bevolen; maar Mordechai neigde zich niet, en boog zich niet neder.
Toen Haman zag, dat Mordechai zich niet neigde, noch zich voor hem nederboog, zo werd Haman vervuld met grimmigheid.
Toen ging Haman ten zelfden dage uit, vrolijk en goedsmoeds; maar toen Haman Mordechai zag in de poort des konings, en dat hij niet opstond, noch zich voor hem bewoog, zo werd Haman vervuld met grimmigheid op Mordechai.
Doch Haman bedwong zich, en hij kwam tot zijn huis; en hij zond henen, en liet zijn vrienden komen, en Zeres, zijn huisvrouw.
Dat de koning den Joden toeliet, die in elke stad waren, zich te vergaderen, en voor hun leven te staan, om te verdelgen, om te doden en om om te brengen alle macht des volks en des landschaps, die hen benauwen zou, de kleine kinderen en de vrouwen, en hun buit te roven;
De inhoud van dit schrift was: dat een wet zou gegeven worden in alle landschappen, openbaar aan alle volken; en dat de Joden gereed zouden zijn tegen dien dag, om zich te wreken aan hun vijanden.
Want de Joden vergaderden zich in hun steden, in al de landschappen van den koning Ahasveros, om de hand te slaan aan degenen, die hun verderf zochten; en niemand bestond voor hen, want hunlieder schrik was op al die volken gevallen.
Bevestigden de Joden, en namen op zich en op hun zaad, en op allen, die zich tot hen vervoegen zouden, dat men het niet overtrade, dat zij deze twee dagen zouden houden, naar het voorschrift derzelve, en naar den bestemden tijd derzelve, in alle en ieder jaar;
Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.
Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;
Wederom was er een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor den HEERE te stellen.
En hij nam zich een potscherf, om zich daarmede te schrabben, en hij zat neder in het midden der as.
Diezelve nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome!
Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;
Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?
Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tot vliegen.
Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.
Die verdonkerd zijn van het ijs, en in dewelke de sneeuw zich verbergt.
De gangen haars wegs wenden zich ter zijde af; zij lopen op in het woeste, en vergaan.
Verheft zich de bieze zonder slijk? Groeit het rietgras zonder water?
Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan; hij zal zich daaraan vasthouden, maar het zal niet staande blijven.
Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?
Want zij verheft zich; gelijk een felle leeuw jaagt Gij mij; Gij keert weder en stelt U wonderlijk tegen mij.
Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de spijze smaakt?
Want voor een boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich nog zal veranderen, en zijn scheut niet zal ophouden.
Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!
Want hij strekt tegen God zijn hand uit, en tegen den Almachtige stelt hij zich geweldiglijk aan.
Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde.
Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging mijner lippen zou zich inhouden.
Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.
Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen, en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht.
De oprechten zullen hierover verbaasd zijn, en de onschuldige zal zich tegen den huichelaar opmaken;
Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.
Zijn benden zijn te zamen aangekomen, en hebben tegen mij haar weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijn tent.
De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde zal zich tegen hem opmaken.
Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels.
Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?
De kluiten des dals zijn hem zoet, en hij trekt na zich alle mensen; en dergenen, die voor hem geweest zijn, is geen getal.
Als Hij ter linkerhand werkt, zo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij Zich ter rechterhand, zo zie ik Hem niet.
Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg; te zamen versteken zich de ellendigen des lands.
Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot spijs, en den jongeren.
In de duisternis doorgraaft hij de huizen, die zij zich des daags afgetekend hadden; zij kennen het licht niet.
Hij is licht op het vlakke der wateren; vervloekt is hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot den weg der wijngaarden.
De pilaren des hemels sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden.
Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde.
Zal hij zich verlustigen in den Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd?
Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware.
De jongens zagen mij, en verstaken zich, en de stokouden rezen op en stonden.
De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
Mijn heerlijkheid was nieuw bij mij, en mijn boog veranderde zich in mijn hand.
Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen vergaderden zij zich.
Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht.
Zij komen aan, als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan.
Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.
Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen!
Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich verzet.
Indien Hij Zijn hart tegen hem zette, zijn geest en zijn adem zou Hij tot Zich vergaderen;
Er is geen duisternis, en er is geen schaduw des doods, dat aldaar de werkers der ongerechtigheid zich verbergen mochten.
En Hij openbaart het voor hunlieder oor ter tucht, en zegt, dat zij zich van de ongerechtigheid bekeren zouden.
Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde.
En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.
Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?
Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.
Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?
Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.
Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.
Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt? [ (Job 39:31) Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats. ] [ (Job 39:32) Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af. ] [ (Job 39:33) Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij. ] [ (Job 39:34) En de HEERE antwoordde Job, en zeide: ] [ (Job 39:35) Is het twisten met den Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop. ] [ (Job 39:36) Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide: ] [ (Job 39:37) Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. ] [ (Job 39:38) Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren. ]
Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.
Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?
Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.
Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich.
Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.
Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.
De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:
Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten.
Weet toch, dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HEERE zal horen, als ik tot Hem roep.
Indien hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en dien bereid.
Sta op, HEERE, laat de mens zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden.
Hij zit in de achterlage der hoeven, in verborgene plaatsen doodt hij den onschuldige; zijn ogen verbergen zich tegen den arme.
Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten.
Gij ziet het immers; want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, Gij zijt geweest een Helper van den wees.
Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.
Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil; ik zal den HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft.
Och, dat Israels verlossing uit Sion kwam! Als de HEERE de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israel zal verblijd zijn.
Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen.
Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk.
Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.
Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen.
Zij hebben zich gekromd, en zijn gevallen; maar wij zijn gerezen en staande gebleven.
Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.
Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.
Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.
Tsade. De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden.
Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.
Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in den HEERE; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 2:25-Exodus 7:23
- 2.Exodus 9:34-Numberi 6:6
- 3.Numberi 6:7-Deuteronomium 17:16
- 4.Deuteronomium 17:17-Richteren 11:3
- 5.Richteren 11:11-1 Samuël 17:52
- 6.1 Samuël 18:5-2 Samuël 17:26
- 7.2 Samuël 18:18-2 Koningen 4:37
- 8.2 Koningen 5:12-2 Kronieken 17:1
- 9.2 Kronieken 17:6-Nehemia 12:42
- 10.Nehemia 13:22-Psalmen 34:2
- 11.Psalmen 34:7-Spreuken 13:9
- 12.Spreuken 14:10-Jesaja 33:9
- 13.Jesaja 34:14-Jeremia 31:9
- 14.Jeremia 31:13-Ezechiël 44:22
- 15.Ezechiël 44:25-Zacharia 9:3
- 16.Zacharia 10:7-Lukas 1:47
- 17.Lukas 1:63-Handelingen 12:19
- 18.Handelingen 13:7-Openbaring 2:21
- 19.Openbaring 2:22-Openbaring 16:11