'Zijn' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:7-Genesis 13:10
- 2.Genesis 13:17-Genesis 25:19
- 3.Genesis 25:21-Genesis 32:6
- 4.Genesis 32:13-Genesis 38:25
- 5.Genesis 38:28-Genesis 46:1
- 6.Genesis 46:4-Exodus 5:13
- 7.Exodus 5:19-Exodus 18:1
- 8.Exodus 18:5-Exodus 27:1
- 9.Exodus 27:2-Exodus 32:29
- 10.Exodus 33:4-Leviticus 4:33
- 11.Leviticus 4:34-Leviticus 11:37
- 12.Leviticus 11:38-Leviticus 16:17
- 13.Leviticus 16:19-Leviticus 25:2
- 14.Leviticus 25:4-Numberi 2:23
- 15.Numberi 2:25-Numberi 8:8
- 16.Numberi 8:11-Numberi 19:18
- 17.Numberi 19:19-Numberi 28:31
- 18.Numberi 29:1-Deuteronomium 4:6
- 19.Deuteronomium 4:7-Deuteronomium 14:29
- 20.Deuteronomium 15:2-Deuteronomium 25:10
- 21.Deuteronomium 25:11-Deuteronomium 33:6
- 22.Deuteronomium 33:7-Jozua 17:18
- 23.Jozua 18:5-Richteren 8:20
- 24.Richteren 8:21-Richteren 18:30
- 25.Richteren 19:2-1 Samuël 7:1
- 26.1 Samuël 7:17-1 Samuël 17:40
- 27.1 Samuël 17:41-1 Samuël 25:30
- 28.1 Samuël 25:31-2 Samuël 5:21
- 29.2 Samuël 6:6-2 Samuël 15:35
- 30.2 Samuël 15:36-1 Koningen 1:23
- 31.1 Koningen 1:24-1 Koningen 9:22
- 32.1 Koningen 9:27-1 Koningen 18:46
- 33.1 Koningen 19:3-2 Koningen 5:22
- 34.2 Koningen 5:23-2 Koningen 15:15
- 35.2 Koningen 15:18-1 Kronieken 1:29
- 36.1 Kronieken 1:31-1 Kronieken 8:39
- 37.1 Kronieken 9:1-1 Kronieken 22:9
- 38.1 Kronieken 22:10-2 Kronieken 4:22
- 39.2 Kronieken 5:1-2 Kronieken 20:21
- 40.2 Kronieken 20:25-2 Kronieken 32:30
- 41.2 Kronieken 32:31-Nehemia 1:3
- 42.Nehemia 1:5-Esther 5:1
- 43.Esther 5:2-Job 10:8
- 44.Job 10:17-Job 21:20
- 45.Job 21:21-Job 35:8
- 46.Job 35:14-Psalmen 10:6
- 47.Psalmen 10:7-Psalmen 35:14
- 48.Psalmen 35:19-Psalmen 62:3
- 49.Psalmen 62:4-Psalmen 83:8
- 50.Psalmen 83:10-Psalmen 105:2
- 51.Psalmen 105:4-Psalmen 119:82
- 52.Psalmen 119:84-Psalmen 145:3
- 53.Psalmen 145:9-Spreuken 12:8
- 54.Spreuken 12:10-Spreuken 20:17
- 55.Spreuken 20:19-Spreuken 30:24
- 56.Spreuken 30:25-Hooglied 4:1
- 57.Hooglied 4:2-Jesaja 9:16
- 58.Jesaja 9:18-Jesaja 24:23
- 59.Jesaja 25:1-Jesaja 37:3
- 60.Jesaja 37:4-Jesaja 53:7
- 61.Jesaja 53:8-Jeremia 3:22
- 62.Jeremia 3:25-Jeremia 15:18
- 63.Jeremia 15:19-Jeremia 30:22
- 64.Jeremia 31:1-Jeremia 46:10
- 65.Jeremia 46:12-Klaagliederen 1:10
- 66.Klaagliederen 1:14-Ezechiël 12:3
- 67.Ezechiël 12:12-Ezechiël 23:23
- 68.Ezechiël 23:34-Ezechiël 34:5
- 69.Ezechiël 34:6-Ezechiël 45:16
- 70.Ezechiël 45:21-Daniël 5:7
- 71.Daniël 5:9-Hosea 1:9
- 72.Hosea 1:10-Amos 4:13
- 73.Amos 5:8-Nahum 3:12
- 74.Nahum 3:16-Zacharia 4:2
- 75.Zacharia 4:4-Mattheüs 2:21
- 76.Mattheüs 2:22-Mattheüs 12:1
- 77.Mattheüs 12:5-Mattheüs 21:37
- 78.Mattheüs 21:38-Markus 1:28
- 79.Markus 1:36-Markus 10:10
- 80.Markus 10:11-Lukas 2:49
- 81.Lukas 2:51-Lukas 11:21
- 82.Lukas 11:22-Lukas 20:33
- 83.Lukas 20:35-Johannes 6:22
- 84.Johannes 6:24-Johannes 18:2
- 85.Johannes 18:10-Handelingen 10:17
- 86.Handelingen 10:24-Romeinen 1:21
- 87.Romeinen 1:22-Romeinen 14:5
- 88.Romeinen 14:8-1 Corinthiërs 12:22
- 89.1 Corinthiërs 12:23-2 Corinthiër 13:7
- 90.2 Corinthiër 13:9-Colossenzen 1:20
- 91.Colossenzen 1:24-2 Timotheüs 2:26
- 92.2 Timotheüs 3:2-Hebreeën 11:29
- 93.Hebreeën 11:30-1 Johannes 3:10
- 94.1 Johannes 3:12-Openbaring 9:20
- 95.Openbaring 10:1-Openbaring 22:6
- 96.Openbaring 22:12-Openbaring 22:19
Maar het is alzo, als de gezanten der vorsten van Babel, die tot hem gezonden hadden, om te vragen naar dat wonderteken, dat in het land geschied was, bij hem waren, verliet hem God, om hem te verzoeken, om te weten al wat in zijn hart was.
Het overige nu der geschiedenissen van Jehizkia, en zijn goeddadigheden, ziet, die zijn geschreven in het gezicht van den profeet Jesaja, den zoon van Amoz, en in het boek der koningen van Juda en Israel.
En Jehizkia ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in het hoogste van de graven der zonen van David; daartoe deden gans Juda en de inwoners van Jeruzalem hem eer aan in zijn dood; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.
Want hij bouwde de hoogten weder op, die zijn vader Jehizkia afgebroken had, en richtte den Baals altaren op, en maakte bossen, en boog zich neder voor al het heir des hemels, en diende ze;
En bouwde altaren in het huis des HEEREN, van hetwelk de HEERE gezegd had: Te Jeruzalem zal Mijn Naam zijn tot in eeuwigheid.
En hij deed zijn zonen door het vuur gaan, in het dal des zoons van Hinnom, en pleegde guichelarij, en gaf op vogelgeschrei acht, en toverde, en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; en hij deed zeer veel kwaads in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken.
Hij stelde ook de gelijkenis van een gesneden beeld, die hij gemaakt had, in het huis Gods, van hetwelk God gezegd had tot David en tot zijn zoon Salomo: In dit huis, en te Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israel verkoren heb, zal Ik Mijn Naam zetten tot in eeuwigheid.
De HEERE sprak wel tot Manasse en tot zijn volk; maar zij merkten daar niet op.
En bad Hem; en Hij liet Zich van hem verbidden, en hoorde zijn smeking, en Hij bracht hem weder te Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse, dat de HEERE God is.
Het overige nu der geschiedenissen van Manasse, en zijn gebed tot zijn God, ook de woorden der zieners, die tot hem gesproken hebben in den Naam van den HEERE, den God Israels, ziet, die zijn in de geschiedenissen der koningen van Israel;
En zijn gebed, en hoe God Zich van hem heeft laten verbidden, ook al zijn zonde, en zijn overtreding, en de plaatsen, waarop hij hoogten gebouwd, en bossen en gesneden beelden gesteld heeft, eer hij vernederd werd, ziet, dat is beschreven in de woorden der zieners.
En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in zijn huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vader Manasse gedaan had; want Amon offerde al den gesneden beelden, die zijn vader Manasse gemaakt had, en diende ze.
Maar hij vernederde zich niet voor het aangezicht des HEEREN, gelijk Manasse, zijn vader, zich vernederd had; maar deze Amon vermenigvuldigde de schuld.
En zijn knechten maakten een verbintenis tegen hem, en doodden hem in zijn huis.
Maar het volk des lands sloeg hen allen, die de verbintenis tegen den koning Amon gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats.
En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, en wandelde in de wegen van zijn vader David, en week niet af ter rechter hand, noch ter linkerhand.
En men brak voor zijn aangezicht af de altaren der Baals; en de zonnebeelden, die omhoog boven dezelve waren, hieuw hij af; de bossen ook, en de gesneden en gegoten beelden verbrak, en vergruisde, en strooide hij op de graven dergenen, die hun geofferd hadden.
Het geschiedde nu, als de koning de woorden der wet hoorde, dat hij zijn klederen scheurde.
Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal kwaad over deze plaats en over haar inwoners brengen; al de vloeken, die geschreven zijn in het boek, dat men voor het aangezicht des konings van Juda gelezen heeft.
Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezicht Gods vernederd hebt, als gij Zijn woorden hoordet tegen deze plaats en tegen haar inwoners, en hebt u vernederd voor Mijn aangezicht, en uw klederen gescheurd, en geweend voor Mijn aangezicht, zo heb Ik u ook verhoord, spreekt de HEERE.
En de koning stond in zijn standplaats, en maakte een verbond voor des HEEREN aangezicht, om den HEERE na te wandelen, en om Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen, met zijn ganse hart en met zijn ganse ziel, te onderhouden, doende de woorden des verbonds, die in datzelve boek geschreven zijn.
Josia dan deed alle gruwelen weg uit alle landen, die der kinderen Israels waren, en maakte allen, die in Israel gevonden werden, te dienen; te dienen den HEERE, hun God; al zijn dagen weken zij niet af van den HEERE, den God hunner vaderen, na te volgen.
En hij zeide tot de Levieten, die gans Israel onderwezen, die den HEERE heilig waren: Zet de heilige ark in het huis, hetwelk Salomo, de zoon van David, de koning van Israel, gebouwd heeft; gij hebt geen last op de schouderen; dient nu den HEERE, uw God, en Zijn volk Israel;
En bereidt u naar de huizen uwer vaderen, naar uw verdelingen, naar het voorschrift van David, den koning van Israel, en naar de beschrijving van zijn zoon Salomo;
Ook gaven zijn vorsten tot een vrijwillig offer voor het volk, voor de priesteren, en voor de Levieten; Hilkia, en Zacharia, en Jehiel, de oversten van het huis Gods, gaven den priesteren tot paasofferen, twee duizend en zeshonderd klein vee, en driehonderd runderen.
Daartoe Chonanja, en Semaja, en Nethaneel, zijn broeders, mitsgaders Hasabja, en Jeiel, en Jozabad, de oversten der Levieten, gaven den Levieten tot paasofferen, vijf duizend klein vee en vijfhonderd runderen.
Doch Josia keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo.
En de schutters schoten den koning Josia. Toen zeide de koning tot zijn knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond.
En zijn knechten namen hem weg van den wagen, en voerden hem op den tweeden wagen, dien hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia.
En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; desgelijks alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op dezen dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israel; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen.
Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet des HEEREN;
Zijn geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in het boek der koningen van Israel en van Juda.
En de koning van Egypte maakte zijn broeder Eljakim koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar zijn broeder Joahaz nam Necho, en bracht hem in Egypte.
Nebukadnezar bracht ook van de vaten van het huis des HEEREN naar Babel, en stelde ze in zijn tempel te Babel.
Het overige nu van de geschiedenissen van Jojakim, en zijn gruwelen, die hij deed, en wat aan hem gevonden werd, ziet, dat is geschreven in het boek der koningen van Israel en Juda; en Jojachin, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
En met de wederkomst des jaars zond de koning Nebukadnezar henen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis des HEEREN; en hij maakte zijn broeder Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.
Daartoe werd hij ook afvallig tegen den koning Nebukadnezar, die hem beedigd had bij God; en verhardde zijn nek, en verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerde tot den HEERE, den God Israels.
En de HEERE, de God hunner vaderen, zond tot hen, door de hand Zijner boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning.
Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelven tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid des HEEREN tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was.
Want Hij deed tegen hen opkomen den koning der Chaldeen, die hun jongelingen met het zwaard in het huis huns heiligdoms doodde, en hij verschoonde de jongelingen niet, noch de maagden, de oudsten noch de stokouden; Hij gaf hen allen in zijn hand.
En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en zijn zonen tot knechten, tot het regeren des koninkrijks van Perzie;
Opdat het woord des HEEREN vervuld wierd, door den mond van Jeremia, totdat het land aan zijn sabbatten een welgevallen had; het rustte al de dagen der verwoesting, totdat de zeventig jaren vervuld waren.
Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzie, opdat volbracht wierd het woord des HEEREN, door den mond van Jeremia, verwekte de HEERE den geest van Kores, koning van Perzie, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:
Zo zegt Kores, koning van Perzie: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, hetwelk in Juda is; wie is onder ulieden van al Zijn volk? De HEERE, zijn God, zij met hem, en hij trekke op.
In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzie, opdat volbracht wierd het woord des HEEREN, uit den mond van Jeremia, verwekte de HEERE den geest van Kores, koning van Perzie, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:
Wie is onder ulieden van al Zijn volk? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem, dat in Juda is, en hij bouwe het huis des HEEREN, des Gods van Israel; Hij is de God, Die te Jeruzalem woont.
En al wie achterblijven zou in enige plaatsen, waar hij als vreemdeling verkeert, dien zullen de lieden zijner plaats bevorderlijk zijn met zilver, en met goud, en met have, en met beesten; benevens een vrijwillige gave, voor het huis Gods, Die te Jeruzalem woont.
Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis, van de weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had naar Babel, die naar Jeruzalem en Juda zijn wedergekeerd, een iegelijk naar zijn stad;
En sommigen van de hoofden der vaderen, als zij kwamen ten huize des HEEREN, die te Jeruzalem woont, gaven vrijwilliglijk ten huize Gods, om dat te zetten op zijn vaste plaats.
En de priesters en de Levieten, en sommigen uit het volk, zo de zangers als de poortiers, en de Nethinim woonden in hun steden, en gans Israel in zijn steden.
En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broederen, de priesters en Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en zijn broederen, en zij bouwden het altaar des Gods van Israel, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, den man Gods.
En zij vestigden het altaar op zijn stelling, maar met verschrikking, die over hen was, vanwege de volken der landen; en zij offerden daarop brandofferen den HEERE, brandofferen des morgens en des avonds.
En zij hielden het feest der loofhutten, gelijk geschreven is; en zij offerden brandofferen dag bij dag in getal, naar het recht, van elk dagelijks op zijn dag.
Toen stond Jesua, zijn zonen en zijn broederen, en Kadmiel met zijn zonen, kinderen van Juda, als een man, om opzicht te hebben over degenen, die het werk deden aan het huis Gods, met de zonen van Henadad, hun zonen en hun broederen, de Levieten.
En zij zongen bij beurten, met den HEERE te loven en te danken, dat Hij goedig is, dat Zijn weldadigheid tot in eeuwigheid is over Israel. En al het volk juichte met groot gejuich, als men den HEERE loofde over de grondlegging van het huis des HEEREN.
Maar velen van de priesteren, en de Levieten, en hoofden der vaderen, die oud waren, die het eerste huis gezien hadden, dit huis in zijn grondlegging voor hun ogen zijnde, weenden met luider stem; maar velen verhieven de stem met gejuich en met vreugde.
En in de dagen van Arthahsasta schreef Bislam, Mithredath, Tabeel, en de overigen van zijn gezelschap, aan Arthahsasta, koning van Perzie; en de schrift des briefs was in het Syrisch geschreven, en in het Syrisch uitgelegd.
Den koning zij bekend, dat de Joden, die van u zijn opgetogen, tot ons gekomen zijn te Jeruzalem, bouwende die rebelle en die boze stad, waarvan zij de muren voltrekken, en de fondamenten samenvoegen.
Ook zijn er machtige koningen geweest over Jeruzalem, die geheerst hebben overal aan gene zijde der rivier; en hun is cijns, oude impost en tol gegeven.
Afschrift des briefs, dien Thathnai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, met Sthar-Boznai, en zijn gezelschap, de Afarsechaieten, die aan deze zijde der rivier waren, aan den koning Darius zond.
Den koning zij bekend, dat wij getogen zijn naar het landschap Juda, ten huize des groten Gods, hetwelk gebouwd wordt met grote stenen, en het hout wordt gelegd in de wanden; en datzelve werk wordt ras gedaan, en gaat voorspoediglijk door hun handen voort.
Wijders hebben wij hun ook hun namen afgevraagd, dat wij ze u bekend maakten; dat wij mochten overschrijven de namen der mannen, die hoofden onder hen zijn.
En zij hebben ons dusdanig antwoord wedergegeven, zeggende: Wij zijn knechten van den God des hemels en der aarde, en bouwen het huis, dat vele jaren voor dezen is gebouwd geweest; want een groot koning van Israel had het gebouwd en voltrokken.
Ja, de vaten van Gods huis, welke van goud en zilver waren, die Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem was, had weggenomen en dezelve gebracht in den tempel van Babel, die heeft de koning Kores uitgehaald uit den tempel van Babel, en zij zijn gegeven aan een, wiens naam was Sesbazar, dien hij tot een landvoogd had gesteld.
En hij zeide tot hem: Neem deze vaten, ga ze afvoeren in den tempel, die te Jeruzalem is, en laat het huis Gods gebouwd worden op zijn plaats.
In het eerste jaar van den koning Kores, gaf de koning Kores dit bevel: Het huis Gods te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, waar zij offeranden offeren, en de fondamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig ellen, en zijn breedte van zestig ellen;
Daartoe zal men ook de gouden en zilveren vaten van het huis Gods, die Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem was, heeft weggevoerd, en naar Babel gebracht, wedergeven, dat zij gaan naar den tempel, die te Jeruzalem is, aan zijn plaats, en men zal ze afvoeren ten huize Gods.
Laat hen aan den arbeid van dit huis Gods; dat de landvoogd der Joden en de oudsten der Joden dit huis Gods bouwen aan zijn plaats.
En wat nodig is, als jonge runderen, en rammen, en lammeren, tot brandofferen aan den God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen der priesteren, die te Jeruzalem zijn, dat het hun dag bij dag gegeven worde, dat er geen feil zij;
Voorts wordt bevel van mij gegeven, dat al dengene, die dit woord zal veranderen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn huis zal om diens wille tot een drekhoop gemaakt worden.
De God nu, die Zijn Naam aldaar heeft doen wonen, werpe ter neder alle koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis Gods, dat te Jeruzalem is. Ik, Darius, heb het bevel gegeven, dat het spoediglijk gedaan worde.
Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een vaardig schriftgeleerde in de wet van Mozes, die de HEERE, de God Israels, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand des HEEREN, zijns Gods, over hem, al zijn verzoek.
Want Ezra had zijn hart gericht, om de wet des HEEREN te zoeken en te doen, en om in Israel te leren de inzettingen en de rechten.
Dit is nu het afschrift des briefs, dien de koning Arthahsasta gaf aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde; den schriftgeleerde van de woorden der geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen over Israel:
Dewijl gij van voor den koning en zijn zeven raadsheren gezonden zijt, om onderzoek te doen in Judea, en te Jeruzalem, naar de wet uws Gods, die in uw hand is;
En om henen te brengen het zilver en goud, dat de koning en zijn raadsheren vrijwilliglijk gegeven hebben aan den God Israels, Wiens woning te Jeruzalem is;
En geef de vaten, die u gegeven zijn tot den dienst van het huis uws Gods, weder voor den God van Jeruzalem.
Het overige nu, dat van node zal zijn voor het huis uws Gods, dat u voorvallen zal uit te geven, zult gij geven uit het schathuis des konings.
Al wat naar het bevel van den God des hemels is, dat het vlijtiglijk gedaan worde, voor het huis van den God des hemels; want waartoe zou er grote toorn zijn over het koninkrijk des konings en zijner kinderen?
Dit nu zijn de hoofden hunner vaderen, met hun geslachtsrekening, die met mij uit Babel optogen, onder het koninkrijk van den koning Arthahsasta.
En ik gaf hun bevel aan Iddo, het hoofd in de plaats Chasifja; en ik legde de woorden in hun mond, om te zeggen tot Iddo, zijn broeder, en de Nethinim, in de plaats Chasifja, dat zij ons brachten dienaars voor het huis onzes Gods.
En zij brachten ons, naar de goede hand onzes Gods over ons, een man van verstand, van de kinderen van Mahli, den zoon van Levi, den zoon van Israel; namelijk Serebja, met zijn zonen en broederen, achttien;
En Hasabja, en met hem Jesaja, van de kinderen van Merari, met zijn broederen, en hun zonen, twintig;
Want ik schaamde mij van den koning een heir en ruiters te begeren, om ons te helpen van den vijand, op den weg; omdat wij tot den koning hadden gesproken, zeggende: De hand onzes Gods is ten goede over allen, die Hem zoeken, maar Zijn sterkte en Zijn toorn over allen, die Hem verlaten.
En ik woog hun toe het zilver, en het goud, en de vaten, zijnde de offering van het huis onzes Gods die de koning en zijn raadsheren, en zijn vorsten, en gans Israel, die er gevonden werden, geofferd hadden;
En ik zeide tot hen: Gij zijt heilig den HEERE, en deze vaten zijn heilig; ook dit zilver en dit goud, de vrijwillige gave, den HEERE, den God uwer vaderen.
Als nu deze dingen voleind waren, traden de vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk Israels, en de priesters, en de Levieten, zijn niet afgezonderd van de volken dezer landen, naar hun gruwelen, namelijk van de Kanaanieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en Amorieten.
En ik zeide: Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood, om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God; want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan den hemel.
Van de dagen onzer vaderen af zijn wij in grote schuld tot op dezen dag; en wij zijn om onze ongerechtigheden overgegeven, wij, onze koningen en onze priesters, in de hand van de koningen der landen, in zwaard, in gevangenis, en in roof, en in schaamte des aangezichts, gelijk het is te dezen dage.
En nu is er, als een klein ogenblik, een genade geschied van den HEERE, onzen God, om ons een ontkoming over te laten, en ons een nagel te geven in Zijn heilige plaats, om onze ogen te verlichten, o onze God, en om ons een weinig levens te geven in onze dienstbaarheid.
Want wij zijn knechten; doch in onze dienstbaarheid heeft ons onze God niet verlaten; maar Hij heeft weldadigheid tot ons geneigd voor het aangezicht der koningen van Perzie, dat Hij ons een weinig levens gave, om het huis onzes Gods te verhogen, en de woestigheden van hetzelve op te richten, en om ons een tuin te geven in Juda en te Jeruzalem.
En na alles, wat over ons gekomen is, om onze boze werken, en om onze grote schuld, omdat Gij, o onze God! belet hebt, dat wij niet te onder zijn vanwege onze ongerechtigheid, en hebt ons een ontkoming gegeven, als deze is;
O HEERE, God van Israel! Gij zijt rechtvaardig; want wij zijn overgelaten ter ontkoming, als het is te dezen dage. Zie, wij zijn voor Uw aangezicht in onze schuld; want er is niemand, die voor Uw aangezicht zou kunnen bestaan, om zulks.
Sta op, want deze zaak komt u toe; en wij zullen met u zijn; wees sterk en doe het.
En al wie niet kwam in drie dagen, naar den raad der vorsten en der oudsten, al zijn have zou verbannen zijn; en hij zelf zou afgezonderd wezen van de gemeente der weggevoerden.
Nu dan, doet den HEERE, uwer vaderen God, belijdenis en doet Zijn welgevallen, en scheidt u af van de volken des lands, en van de vreemde vrouwen.
Laat toch onze vorsten der ganse gemeente hierover staan, en allen, die in onze steden zijn, die vreemde vrouwen bij zich hebben doen wonen, op gezette tijden komen, en met hen de oudsten van elke stad en derzelver rechters; totdat wij van ons afwenden de hittigheid des toorns onzes Gods, om dezer zaken wil.
En er werden gevonden van de zonen der priesteren, die vreemde vrouwen bij zich hadden doen wonen; van de zonen van Jesua, den zoon van Jozadak, en zijn broederen, Maaseja, en Eliezer, en Jarib, en Gedalja.
En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:7-Genesis 13:10
- 2.Genesis 13:17-Genesis 25:19
- 3.Genesis 25:21-Genesis 32:6
- 4.Genesis 32:13-Genesis 38:25
- 5.Genesis 38:28-Genesis 46:1
- 6.Genesis 46:4-Exodus 5:13
- 7.Exodus 5:19-Exodus 18:1
- 8.Exodus 18:5-Exodus 27:1
- 9.Exodus 27:2-Exodus 32:29
- 10.Exodus 33:4-Leviticus 4:33
- 11.Leviticus 4:34-Leviticus 11:37
- 12.Leviticus 11:38-Leviticus 16:17
- 13.Leviticus 16:19-Leviticus 25:2
- 14.Leviticus 25:4-Numberi 2:23
- 15.Numberi 2:25-Numberi 8:8
- 16.Numberi 8:11-Numberi 19:18
- 17.Numberi 19:19-Numberi 28:31
- 18.Numberi 29:1-Deuteronomium 4:6
- 19.Deuteronomium 4:7-Deuteronomium 14:29
- 20.Deuteronomium 15:2-Deuteronomium 25:10
- 21.Deuteronomium 25:11-Deuteronomium 33:6
- 22.Deuteronomium 33:7-Jozua 17:18
- 23.Jozua 18:5-Richteren 8:20
- 24.Richteren 8:21-Richteren 18:30
- 25.Richteren 19:2-1 Samuël 7:1
- 26.1 Samuël 7:17-1 Samuël 17:40
- 27.1 Samuël 17:41-1 Samuël 25:30
- 28.1 Samuël 25:31-2 Samuël 5:21
- 29.2 Samuël 6:6-2 Samuël 15:35
- 30.2 Samuël 15:36-1 Koningen 1:23
- 31.1 Koningen 1:24-1 Koningen 9:22
- 32.1 Koningen 9:27-1 Koningen 18:46
- 33.1 Koningen 19:3-2 Koningen 5:22
- 34.2 Koningen 5:23-2 Koningen 15:15
- 35.2 Koningen 15:18-1 Kronieken 1:29
- 36.1 Kronieken 1:31-1 Kronieken 8:39
- 37.1 Kronieken 9:1-1 Kronieken 22:9
- 38.1 Kronieken 22:10-2 Kronieken 4:22
- 39.2 Kronieken 5:1-2 Kronieken 20:21
- 40.2 Kronieken 20:25-2 Kronieken 32:30
- 41.2 Kronieken 32:31-Nehemia 1:3
- 42.Nehemia 1:5-Esther 5:1
- 43.Esther 5:2-Job 10:8
- 44.Job 10:17-Job 21:20
- 45.Job 21:21-Job 35:8
- 46.Job 35:14-Psalmen 10:6
- 47.Psalmen 10:7-Psalmen 35:14
- 48.Psalmen 35:19-Psalmen 62:3
- 49.Psalmen 62:4-Psalmen 83:8
- 50.Psalmen 83:10-Psalmen 105:2
- 51.Psalmen 105:4-Psalmen 119:82
- 52.Psalmen 119:84-Psalmen 145:3
- 53.Psalmen 145:9-Spreuken 12:8
- 54.Spreuken 12:10-Spreuken 20:17
- 55.Spreuken 20:19-Spreuken 30:24
- 56.Spreuken 30:25-Hooglied 4:1
- 57.Hooglied 4:2-Jesaja 9:16
- 58.Jesaja 9:18-Jesaja 24:23
- 59.Jesaja 25:1-Jesaja 37:3
- 60.Jesaja 37:4-Jesaja 53:7
- 61.Jesaja 53:8-Jeremia 3:22
- 62.Jeremia 3:25-Jeremia 15:18
- 63.Jeremia 15:19-Jeremia 30:22
- 64.Jeremia 31:1-Jeremia 46:10
- 65.Jeremia 46:12-Klaagliederen 1:10
- 66.Klaagliederen 1:14-Ezechiël 12:3
- 67.Ezechiël 12:12-Ezechiël 23:23
- 68.Ezechiël 23:34-Ezechiël 34:5
- 69.Ezechiël 34:6-Ezechiël 45:16
- 70.Ezechiël 45:21-Daniël 5:7
- 71.Daniël 5:9-Hosea 1:9
- 72.Hosea 1:10-Amos 4:13
- 73.Amos 5:8-Nahum 3:12
- 74.Nahum 3:16-Zacharia 4:2
- 75.Zacharia 4:4-Mattheüs 2:21
- 76.Mattheüs 2:22-Mattheüs 12:1
- 77.Mattheüs 12:5-Mattheüs 21:37
- 78.Mattheüs 21:38-Markus 1:28
- 79.Markus 1:36-Markus 10:10
- 80.Markus 10:11-Lukas 2:49
- 81.Lukas 2:51-Lukas 11:21
- 82.Lukas 11:22-Lukas 20:33
- 83.Lukas 20:35-Johannes 6:22
- 84.Johannes 6:24-Johannes 18:2
- 85.Johannes 18:10-Handelingen 10:17
- 86.Handelingen 10:24-Romeinen 1:21
- 87.Romeinen 1:22-Romeinen 14:5
- 88.Romeinen 14:8-1 Corinthiërs 12:22
- 89.1 Corinthiërs 12:23-2 Corinthiër 13:7
- 90.2 Corinthiër 13:9-Colossenzen 1:20
- 91.Colossenzen 1:24-2 Timotheüs 2:26
- 92.2 Timotheüs 3:2-Hebreeën 11:29
- 93.Hebreeën 11:30-1 Johannes 3:10
- 94.1 Johannes 3:12-Openbaring 9:20
- 95.Openbaring 10:1-Openbaring 22:6
- 96.Openbaring 22:12-Openbaring 22:19
Verwante onderwerpen
- Aanbieden Van Granen En Plengoffers
- Afkeer
- Alcohol
- Alles Gebeurt Voor Een Reden
- Alwetende God
- Astronomie
- Babylon
- Balans
- Begin
- Begrip
- Bereiken Van Hoge Leeftijd
- Bestraffing Door God
- Bewaarders
- Bewegingen Van Discipelen
- Beweringen
- Bezittingen
- Bijbelteksten Wachten Tot Het Huwelijk
- Blij Zijn En Van Het Leven Genieten
- Bloed
- Broers En Zussen
- Buigen
- Buitenaardse Wezens
- Christelijke Liefde
- Confirmatie Van Het Evangelie
- De Aard Van Discipelschap
- De Aard Van Menselijke Wijsheid
- De Daad Van Openen
- De Doden
- De Eerste Tempel
- De Functie Van Priesters In De Tijd Van OT
- De Gerechtigheid Van God
- De Goedheid Van God
- De Groei Van Gelovigen In Heiligheid
- De Grootheid Van God
- De Kracht Van God
- De Kracht Van Woorden
- De Menselijke Beschrijvingen Van God
- De Namen Voor Christus
- De Ouders Verlaten Voor De Echtgenoot
- De Regenboog
- De Rijken
- De Wederkomst
- De Zon
- Deelname In Christus
- Dienaren Van De Heer
- Dienend Leiderschap
- Discipelschap
- Dochters
- Dood
- Dood Van Een Familielid
- Dwazen
- Een Baby Verwachten
- Een Goede Man
- Een Nieuwe Start
- Eenheid Is Het Doel Van God
- Eerstgeboren Zonen
- Eerstgeborene
- Einde Van Dagen
- Erfgenamen
- Ethiek En Gratie
- Familie Eerst
- Familie Problemen
- Fouten
- Fultiliteit
- Funderingen
- Gebaren
- Geboden in OT
- Gehoorzaamheid
- Generaties
- Genoemde Individuen Doden
- Genoemde Profeten Van De Heer
- Gevallen En Verlost Hart
- Gevolgen Van Dwaasheid
- Gewaden
- Gewoonten In Verband Met Het Huwelijk
- Gezicht Van God
- God Als Rechter
- God Behagen
- God Dodend
- God Gehoorzamen
- God Met Specifieke Mensen
- God, De Eeuwige
- God, De Schepper
- Goddelijk Hart
- Goddelijke Beloning
- Gods Hand
- Gods Liefde Voor Ons
- Gods Onthulde Dingen
- Gods Plan Voor Ons
- Gods Redding Bekend Gemaakt
- Gods Schepping
- Gods Stem
- Gods Verborgen Dingen
- Gods Waarheid
- Gods Wil Kennen
- Gods Woord Is Rechtvaardig
- Goud
- Gouden Voorwerpen Voor Het Tabernakel
- Graad
- Grappen Maken
- Haar
- Haat
- Hand Van God
- Handicaps
- Haren
- Heersers
- Heiligen
- Heiligheid, Afzonderlijk Voor God
- Helden
- Hemel, Bevrijdde Gemeenschap
- Herder Als Beroep
- Het Doel Van God
- Het Graf
- Het Instituut Priesters In De Tijd Van OT
- Het Karakter Van Christus
- Het Kruis
- Historische Boeken
- Hoe Zal De Hemel Eruit Zien?
- Hoofden
- Huizen
- Huwelijk Tussen Man En Vrouw
- Ik Zal Hun God Zijn
- In De Tegenwoordigheid Van De Mens
- Insecten
- Karakter Van Heiligen
- Karakter Van Het Kwaad
- Kenmerken Van Dwazen
- Kleding
- Koningen Van Heel Israël Of Juda
- Korte Tijd Tot Het Einde
- Korte Tijd Voor Actie
- Kwellingen
- Laatste Dingen
- Lichaam
- Lijders
- Lijst van koningen van Israël
- Lippen
- Littekens
- Lof
- Menselijk Belang Van Wijsheid
- Menselijk Hart
- Menselijke Macht
- Mensen Met Toepasselijke Namen
- Mensenetende Dieren
- Messiaanse Profetieën
- Misbruik Van Liefde
- Moeders
- Monden
- Morele En Spirituele Zuiverheid
- Muren
- Nabijheid Van De Dood
- Nacht
- Namen En Titels Voor Christus
- Namen En Titels Voor De Christenen
- Nederlaag
- Ochtend
- Olie
- Olie Op Offers
- Oneerbiedigheid
- Ongelovigen Beschreven Als
- Onmogelijk
- Onrein Tot De Avond
- Onreine Zaken Aanraken
- Ontrouw Aan God
- Onzekerheid
- Ouders Die Fout Zijn
- Over De Discipelen Van Christus Zullen Lijden
- Overweldigd
- Overweldigd Zijn
- Overwinning Op Het Kwaad
- Paarden
- Passie
- Perfecte Offers
- Persoonlijke Ethiek
- Pijn En Verraad
- Plannen
- Plezier
- Poorten
- Priesters Die Verzoenen
- Regenboog
- Reine Kledij
- Relatie Tussen Vader En Zoon
- Rest
- Richting
- Rivieren
- Samenwerken
- Schaamte Zal Aankomen
- Schapen
- Schat
- Sexuele Immoraliteit
- Slaven Van God
- Spirituele Adoptie
- Strijdwagens
- Succes En Hard Werk
- Taal
- Tanden
- Tenten
- Toekomst
- Troon
- Trots
- Trouw
- Trouw Tot God
- Types
- Types Van Christus
- Uit Zichzelf Geven
- Uitrekken
- Vaders
- Vals Vertrouwen
- Valse Goden
- Veiligheid
- Verantwoordelijkheid
- Verbintenis Tot God
- Verlossing
- Verwezenlijkingen
- Verzoening
- Viering
- Vijanden Van Israël En Juda
- Vingers
- Visie
- Vleugels
- Voeten
- Volg De Geboden
- Volg De Geboden Van Christus
- Voorspellingen Over Christus
- Vreemdelingen
- Vriendelijkheid
- Vrienden
- Waardigheid
- Weten Over Gods Koninkrijk
- Woord Van God
- Zaden
- Zee
- Zegeningen Van God
- Zeven Dagen
- Zeven Dagen Voor Juridische Zaken
- Ziektes
- Zij Die Kledij Verscheurden
- Zij Die Vroeg Opstonden
- Zilver
- Zitten
- Zonde En De Aard Van God
- Zonen
- Homosexuelen