'Ter' in de Bijbel
En hij zeide tot hen: Gijlieden zijt hoofden der vaderen onder de Levieten; heiligt u, gij en uw broeders, dat gij de ark des HEEREN, des Gods van Israel, opbrengt, ter plaatse, die ik voor haar bereid heb.
En David zeide tot God: Ben ik het niet, die gezegd heb, dat men het volk tellen zou? Ja, ik zelf ben het, die gezondigd en zeer kwalijk gehandeld heb; maar deze schapen, wat hebben die gedaan? O HEERE, mijn God, dat toch Uw hand tegen mij, en tegen het huis mijns vaders zij, maar niet tegen Uw volk ter plage.
En David kwam tot Ornan; en Ornan zag toe, en zag David; zo ging hij uit den dorsvloer, en boog zich neder voor David, met het aangezicht ter aarde.
Ter zelfder tijd, toen David zag, dat de HEERE hem geantwoord had op den dorsvloer van Ornan, den Jebusiet, zo offerde hij aldaar;
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (35)
- Exodus (19)
- Leviticus (6)
- Numberi (20)
- Deuteronomium (34)
- Jozua (17)
- Richteren (12)
- Ruth (2)
- 1 Samuël (22)
- 2 Samuël (24)
- 1 Koningen (12)
- 2 Koningen (9)
- 1 Kronieken (4)
- 2 Kronieken (19)
- Ezra (6)
- Nehemia (4)
- Esther (4)
- Job (11)
- Psalmen (38)
- Spreuken (6)
- Prediker (4)
- Jesaja (31)
- Jeremia (20)
- Klaagliederen (3)
- Ezechiël (22)
- Daniël (18)
- Hosea (2)
- Joël (2)
- Amos (3)
- Obadja (2)
- Jona (2)
- Nahum (2)
- Zefanja (1)
- Zacharia (3)
- Maleachi (1)