'Huis' in de Bijbel
En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden henen, en nodigden hun drie zusteren, om met hen te eten en te drinken.
Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande.
Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene.
Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene;
En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.
Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis der spinnekop.
Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan; hij zal zich daaraan vasthouden, maar het zal niet staande blijven.
Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden.
Omdat hij onderdrukt heeft, de armen verlaten heeft, een huis geroofd heeft, dat hij niet opgebouwd had;
De inkomste van zijn huis zal weggevoerd worden; het zal al henenvloeien in den dag Zijns toorns.
Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?
Want gij zult zeggen: Waar is het huis van den prins, en waar is de tent van de woningen der goddelozen?
Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt.
Want ik weet, dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden.
Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.
Ook kwamen tot hem al zijn broeders, en al zijn zusters, en allen, die hem te voren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem, en vertroostten hem over al het kwaad, dat de HEERE over hem gebracht had; en zij gaven hem een iegelijk een stuk gelds, een iegelijk ook een gouden voorhoofdsiersel.
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (72)
- Exodus (19)
- Leviticus (33)
- Numberi (51)
- Deuteronomium (31)
- Jozua (13)
- Richteren (60)
- Ruth (5)
- 1 Samuël (55)
- 2 Samuël (88)
- 1 Koningen (140)
- 2 Koningen (98)
- 1 Kronieken (78)
- 2 Kronieken (157)
- Ezra (50)
- Nehemia (37)
- Esther (21)
- Job (17)
- Psalmen (39)
- Spreuken (34)
- Prediker (5)
- Hooglied (3)
- Jesaja (46)
- Jeremia (91)
- Klaagliederen (1)
- Ezechiël (128)
- Daniël (9)
- Hosea (10)
- Joël (4)
- Amos (20)
- Obadja (2)
- Micha (10)
- Nahum (1)
- Habakuk (3)
- Zefanja (2)
- Zacharia (24)
- Maleachi (1)