9 gebeurtenissen in 1 vertaling

'Pascha' in de Bijbel

En het pascha der Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem.

VersbegrippenBijna, In Het AlgemeenMarketing

En als Hij te Jeruzalem was, op het pascha, in het feest, geloofden velen in Zijn Naam, ziende Zijn tekenen, die Hij deed.

VersbegrippenPasenBekeerden Tot ChristendomTekenen Uitgevoerd Door ChristusZij Die In Christus GeloofdenWonderenImpulsiviteit

En het pascha, het feest der Joden, was nabij.

VersbegrippenPasenBijna, In Het Algemeen

En het pascha der Joden was nabij, en velen uit dat land gingen op naar Jeruzalem, voor het pascha, opdat zij zichzelven reinigden.

VersbegrippenPasenZichzelf ZuiverenBijna, In Het Algemeen

Jezus dan kwam zes dagen voor het pascha te Bethanie, daar Lazarus was, die gestorven was geweest, welken Hij opgewekt had uit de doden.

VersbegrippenZes DagenLazarus

Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten.

VersbegrippenPaaslamExclusiviteitBestuurdersHogepriesters In NTPaleizenReligieRomeinse LegersKoninklijke Huizen

Doch gij hebt een gewoonte, dat ik u op het pascha een loslate. Wilt gij dan, dat ik u den Koning der Joden loslate?

VersbegrippenGewoonteChristus Is Koning Van IsraëlMensen Die Anderen Vrijlaten

En het was de voorbereiding van het pascha, en omtrent de zesde ure; en hij zeide tot de Joden: Ziet, uw Koning!

VersbegrippenEten Bereiden

Public domain