'Stad' in de Bijbel
Toen riepen wij tot den HEERE, en Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte; en ziet, wij zijn te Kades, en stad aan het uiterste uwer landpale.
Want Hesbon was de stad van Sihon, den koning der Amorieten; en hij had gestreden tegen den vorigen koning der Moabieten, en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon.
Daarom zeggen zij, die spreekwoorden gebruiken: Komt tot Hesbon; men bouwe en bevestige de stad van Sihon!
Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon; een vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd Ar der Moabieten, en de heren der hoogten van de Arnon.
Als Balak hoorde, dat Bileam kwam, zo ging hij uit, hem tegemoet, tot de stad der Moabieten, welke aan de landpale van de Arnon ligt, die aan het uiterste der landpale is.
En gij zult meten van buiten de stad, aan den hoek tegen het oosten, twee duizend ellen, en aan den hoek van het zuiden, twee duizend ellen, en aan den hoek van het westen, twee duizend ellen, en aan den hoek van het noorden, twee duizend ellen; dat de stad in het midden zij. Dit zullen zij hebben tot voorsteden van de steden.
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (33)
- Exodus (2)
- Leviticus (7)
- Numberi (6)
- Deuteronomium (25)
- Jozua (44)
- Richteren (35)
- Ruth (5)
- 1 Samuël (27)
- 2 Samuël (35)
- 1 Koningen (37)
- 2 Koningen (38)
- 1 Kronieken (13)
- 2 Kronieken (33)
- Ezra (9)
- Nehemia (10)
- Esther (9)
- Job (3)
- Psalmen (18)
- Spreuken (13)
- Prediker (5)
- Hooglied (3)
- Jesaja (37)
- Jeremia (70)
- Klaagliederen (6)
- Ezechiël (42)
- Daniël (5)
- Hosea (2)
- Joël (1)
- Amos (7)
- Jona (6)
- Micha (2)
- Habakuk (3)
- Zefanja (2)
- Haggaï (38)
- Zacharia (4)