'Men' in de Bijbel
De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen;
Van den morgen tot den avond worden zij vermorzeld; zonder dat men er acht op slaat, vergaan zij in eeuwigheid.
Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan;
Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief!
Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.
Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?
Hetwelk de wijzen verkondigd hebben, en men voor hun vaderen niet verborgen heeft;
En heeft bewoond verdelgde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steen hopen te worden.
Men zal zijn onrijpe druiven afrukken, als van een wijnstok, en zijn bloeisel afwerpen, als van een olijfboom.
Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind des mensen voor zijn vriend.
Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen.
Hij zal wegvlieden als een droom, dat men hem niet vinden zal, en hij zal verjaagd worden als een gezicht des nachts.
Men zal het zwaard uittrekken, het zal uit het lijf uitgaan, en glinsterende uit zijn gal voortkomen; verschrikkingen zullen over hem zijn.
Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God den nederige van ogen behouden.
Want de morgenstond is hun te zamen de schaduw des doods; als men hen kent, zijn zij in de strikken van des doods schaduw.
Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.
Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor een kleinood van dicht goud.
Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden.
Zij werden uit het midden uitgedreven; (men jouwde over hen, als over een dief),
Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een wind mijn edele ziel, en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan.
Maar God spreekt eens of tweemaal; doch men let niet daarop.
Zou men tot een koning zeggen: Gij Belial; tot de prinsen: Gij goddelozen!
Hij vermorzelt de geweldigen, dat men het niet doorzoeken kan, en stelt anderen in hun plaats.
Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?
En nu ziet men het licht niet als het helder is in den hemel, als de wind doorgaat, en dien zuivert;
Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?
Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (30)
- Exodus (32)
- Leviticus (45)
- Numberi (17)
- Deuteronomium (6)
- Jozua (15)
- Richteren (10)
- Ruth (2)
- 1 Samuël (24)
- 2 Samuël (15)
- 1 Koningen (15)
- 2 Koningen (15)
- 1 Kronieken (12)
- 2 Kronieken (22)
- Ezra (7)
- Nehemia (8)
- Esther (32)
- Job (28)
- Psalmen (22)
- Spreuken (16)
- Prediker (6)
- Hooglied (2)
- Jesaja (47)
- Jeremia (31)
- Klaagliederen (10)
- Ezechiël (31)
- Daniël (30)
- Hosea (2)
- Amos (5)
- Jona (1)
- Micha (2)
- Nahum (3)
- Habakuk (3)
- Zefanja (1)
- Zacharia (3)
- Maleachi (3)