'Oogleden' in de Bijbel
Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads!
Mijn aangezicht is gans bemodderd van wenen, en over mijn oogleden is des doods schaduw.
Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.
De HEERE is in het paleis Zijner heiligheid, des HEEREN troon is in den hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.
Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;
Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.
Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
Een geslacht, welks ogen hoog zijn, en welks oogleden verheven zijn;
En haasten, en een weeklage over ons opheffen, dat onze ogen van tranen nederdalen, en onze oogleden van water vlieten.