'Waren' in de Bijbel
- 1.Genesis 2:25-Exodus 8:18
- 2.Exodus 9:11-Numberi 7:31
- 3.Numberi 7:37-Jozua 7:7
- 4.Jozua 8:22-1 Samuël 10:14
- 5.1 Samuël 10:16-1 Koningen 7:9
- 6.1 Koningen 7:17-1 Kronieken 1:33
- 7.1 Kronieken 1:34-1 Kronieken 7:38
- 8.1 Kronieken 7:39-1 Kronieken 25:5
- 9.1 Kronieken 25:6-2 Kronieken 32:3
- 10.2 Kronieken 32:21-Esther 9:22
- 11.Job 1:5-Klaagliederen 4:7
- 12.Klaagliederen 4:14-Daniël 3:23
- 13.Daniël 3:27-Markus 10:32
- 14.Markus 12:20-Johannes 20:26
- 15.Johannes 21:2-Handelingen 25:17
- 16.Handelingen 25:23-Openbaring 22:2
Alzo dat de tovenaars voor Mozes niet staan konden, vanwege de zweren; want aan de tovenaars waren zweren, en aan al de Egyptenaren.
Alleen in het land Gosen, waar de kinderen Israels waren, daar was geen hagel.
Maar de tarwe en de spelt werden niet geslagen; want zij waren bedekt.
Want de HEERE verstokte het hart van Farao, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels najaagde; doch de kinderen Israels waren door een hoge hand uitgegaan.
En zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gans geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte gevoerd hebt?
En de kinderen Israels zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechter hand en aan hun linkerhand.
Maar de kinderen Israels gingen op het droge, in het midden der zee; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechter hand en aan hun linkerhand.
Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen, en zeventig palmbomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren.
Toen zij van Elim gereisd waren, zo kwam de ganse vergadering der kinderen Israels in de woestijn Sin, welke is tussen Elim en tussen Sinai, aan den vijftienden dag der tweede maand, nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren.
En de kinderen Israels zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des HEEREN, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want gijlieden hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze ganse gemeente door den honger te doden.
Doch de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden dien onder hem, dat hij daarop zat; en Aaron en Hur onderstutten zijn handen, de een op deze, en ander op de andere zijde; alzo waren zijn handen gewis, totdat de zon onderging.
En het geschiedde op den derden dag, toen het morgen was, dat er op den berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid ener zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was.
Toen rukte het ganse volk de gouden oorsierselen af, die in hun oren waren; en zij brachten ze tot Aaron.
En Mozes wendde zich om, en klom van den berg af, met de twee tafelen der getuigenis in zijn hand; deze tafelen waren op haar beide zijden beschreven, zij waren op de ene en op de andere zijde beschreven.
En diezelfde tafelen waren Gods werk; het geschrift was ook Gods geschrift zelf, in de tafelen gegraveerd.
Toen zeide de HEERE tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen, gelijk de eerste waren, zo zal Ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden, die op de eerste tafelen geweest zijn, die gij gebroken hebt.
En het geschiedde, toen Mozes van den berg Sinai afging (de twee tafelen der getuigenis nu waren in de hand van Mozes, als hij van den berg afging), zo wist Mozes niet, dat het vel zijns aangezichts glinsterde, toen Hij met hem sprak.
En alle vrouwen, die wijs van hart waren, sponnen met haar handen, en zij brachten het gesponnene, de hemelsblauwe zijde, en het purper, het scharlaken, en het fijn linnen.
En zij waren van beneden als tweelingen samengevoegd, zij waren ook als tweelingen aan deszelfs oppereinde samengevoegd met een ring; alzo deed hij met die beide, aan de twee hoeken.
Alzo waren er acht berderen met hun zilveren voeten, zijnde zestien voeten: twee voeten onder elk berd.
En hij maakte daartoe vier pilaren van sittim hout, die hij overtrok met goud; hun haken waren van goud, en hij goot hun vier zilveren voeten.
En de vijf pilaren daarvan, en hun haken; en hij overtrok hun hoofden en derzelver banden met goud; en hun vijf voeten waren van koper.
En hij goot voor dezelve vier gouden ringen, aan haar vier hoeken, alzo dat twee ringen op derzelver ene zijde waren, en twee ringen op haar andere zijde.
En de cherubim waren de beide vleugelen omhoog uitbreidende, bedekkende met hun vleugelen het verzoendeksel; en hun aangezichten waren tegenover elkander; de aangezichten der cherubim waren naar het verzoendeksel.
Hij goot ook vier gouden ringen daaraan; en hij zette de ringen aan de vier hoeken, die aan derzelver vier voeten waren.
Tegenover de lijst waren de ringen tot plaatsen voor de handbomen, om de tafel te dragen.
Hij maakte ook een kandelaar van louter goud. Van dicht werk maakte hij deze kandelaar, zijn schacht, en zijn rieten; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen waren uit hem.
In het ene riet waren drie schaaltjes, gelijk amandelnoten, een knoop en een bloem; en drie schaaltjes, gelijk amandelnoten in een ander riet, een knoop en een bloem; alzo waren die zes rieten, die uit den kandelaar gingen.
Maar aan den kandelaar zelven waren vier schaaltjes, gelijk amandelnoten, met zijn knopen, en met zijn bloemen.
Hun knopen en rieten waren uit hem; het was altemaal een enig dicht werk van louter goud.
En hij maakte hem zeven lampen; zijn snuiters en zijn blusvaten waren van louter goud.
En hij maakte het reukaltaar van sittimhout; een el was zijn lengte en een el zijn breedte, vierkant, maar twee ellen zijn hoogte; uit hetzelve waren zijn hoornen.
En hij maakte deszelfs hoornen op zijn vier hoeken; uit hetzelve waren zijn hoornen; en hij overtrok het met koper.
Hij maakte ook den voorhof, aan den zuidhoek zuidwaarts; de behangselen tot den voorhof waren van fijn getweernd linnen, van honderd ellen.
Hun twintig pilaren en derzelver twintig voeten, waren van koper; de haken dezer pilaren en hun banden waren van zilver.
En aan den noorderhoek honderd ellen, hun twintig pilaren en derzelver twintig voeten waren van koper; de haken der pilaren en derzelver banden waren van zilver.
En aan den westerhoek waren behangselen van vijftig ellen, hun pilaren tien en derzelver voeten tien; de haken der pilaren en hun banden waren van zilver.
De behangselen aan deze zijde waren vijftien ellen, derzelver pilaren drie en hun voeten drie.
En aan de andere zijde van de deur des voorhofs, van hier en van daar, waren behangselen van vijftien ellen; hun pilaren drie en derzelver voeten drie.
Al de behangselen des voorhofs waren rondom van fijn getweernd linnen.
De voeten nu der pilaren waren van koper, de haken der pilaren, en hun banden waren van zilver, en het overdeksel hunner hoofden was van zilver, en al de pilaren des voorhofs waren met zilver omtogen.
En hun vier pilaren en derzelver vier voeten waren van koper, hun haken waren van zilver; ook was het overdeksel hunner hoofden en hun banden van zilver.
En al de pennen des tabernakels en des voorhofs rondom waren van koper.
En er waren honderd talenten zilver, om te gieten de voeten des heiligdoms, en de voeten des voorhangs; tot honderd voeten waren honderd talenten, een talent tot een voet.
Zij maakten ook ambtsklederen, om in het heilige te dienen, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken; ook maakten zij de heilige klederen, die voor Aaron waren, gelijk de HEERE aan Mozes geboden had.
Deze stenen nu, met de namen der zonen van Israel, waren twaalf, met hun namen, met zegelgravering; ieder met zijn naam, naar de twaalf stammen.
Daarna nam Mozes ze uit hun handen, en stak ze aan op het altaar, op het brandoffer; zij waren vulofferen tot een liefelijken reuk; het was een vuuroffer den HEERE.
En de HEERE sprak tot Mozes, nadat de twee zonen van Aaron gestorven waren, als zij genaderd waren voor het aangezicht des HEEREN, en gestorven waren;
Dezen waren de geroepenen der vergadering, de oversten der stammen hunner vaderen; zij waren de hoofden der duizenden van Israel.
Zo waren de zonen van Ruben, den eerstgeborene van Israel, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken;
Hun getelden van den stam van Ruben waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.
Hun getelden van den stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd.
Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.
Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.
Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.
Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.
Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en vijfhonderd;
Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.
Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd.
Waren hun getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd.
Waren hun getelden van den stam van Aser een en veertig duizend en vijfhonderd.
Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.
Dezen zijn de getelden, welke Mozes geteld heeft, en Aaron, en de oversten van Israel; twaalf mannen waren zij, elk over het huis zijner vaderen.
Alzo waren al de getelden der zonen van Israel, naar het huis hunner vaderen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die in Israel ten heire uittrokken,
Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.
Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.
Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.
Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.
Al de getelden des legers van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken.
Zijn heir nu, en zijn getelden waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.
Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en driehonderd.
Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.
Al de getelden in het leger van Ruben waren honderd een en vijftig duizend vierhonderd en vijftig; naar hun heiren. En zij zullen de tweede optrekken.
Zijn heir nu, en zijn getelden waren veertig duizend en vijfhonderd.
Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.
Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en vierhonderd.
Al de getelden in het leger van Efraim waren honderd acht duizend en eenhonderd, naar hun heiren. En zij zullen de derde optrekken.
Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en zevenhonderd.
Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.
Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.
Al de getelden in het leger van Dan waren honderd zeven en vijftig duizend en zeshonderd. In het achterste zullen zij optrekken, naar hun banieren.
Dezen zijn de getelden van de kinderen Israels, naar het huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren waren, zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.
Dit zijn de namen der zonen van Aaron, der priesteren, die gezalfd waren, welker hand men gevuld had, om het priesterambt te bedienen.
Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en Merari.
Hun getelden in getal waren van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven; hun getelden waren zeven duizend en vijfhonderd.
In getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren acht duizend en zeshonderd, waarnemende de wacht des heiligdoms.
En hun getelden in getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren zes duizend en tweehonderd.
Alle getelden der Levieten, welke Mozes en Aaron, op het bevel des HEEREN, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend.
En alle eerstgeborenen, die mannelijk waren, in het getal der namen, van een maand oud en daarboven, naar hun getelden, waren twee en twintig duizend tweehonderd en drie en zeventig.
Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, twee duizend zevenhonderd en vijftig.
Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig.
Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd.
Hun getelden waren acht duizend vijfhonderd en tachtig.
Men telde hen, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes, een ieder naar zijn dienst, en naar zijn last; en zijn getelden waren, die de HEERE Mozes geboden had.
Dat de oversten van Israel, de hoofden van het huis hunner vaderen, offerden; deze waren de oversten der stammen, die over de getelden stonden.
En zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;
Hij offerde zijn offerande: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;
Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;
Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 2:25-Exodus 8:18
- 2.Exodus 9:11-Numberi 7:31
- 3.Numberi 7:37-Jozua 7:7
- 4.Jozua 8:22-1 Samuël 10:14
- 5.1 Samuël 10:16-1 Koningen 7:9
- 6.1 Koningen 7:17-1 Kronieken 1:33
- 7.1 Kronieken 1:34-1 Kronieken 7:38
- 8.1 Kronieken 7:39-1 Kronieken 25:5
- 9.1 Kronieken 25:6-2 Kronieken 32:3
- 10.2 Kronieken 32:21-Esther 9:22
- 11.Job 1:5-Klaagliederen 4:7
- 12.Klaagliederen 4:14-Daniël 3:23
- 13.Daniël 3:27-Markus 10:32
- 14.Markus 12:20-Johannes 20:26
- 15.Johannes 21:2-Handelingen 25:17
- 16.Handelingen 25:23-Openbaring 22:2