'Gans' in de Bijbel
En de priesters en de Levieten, en sommigen uit het volk, zo de zangers als de poortiers, en de Nethinim woonden in hun steden, en gans Israel in zijn steden.
En zij offerden, ter inwijding van dit huis Gods, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor gans Israel, naar het getal der stammen Israels.
En ik woog hun toe het zilver, en het goud, en de vaten, zijnde de offering van het huis onzes Gods die de koning en zijn raadsheren, en zijn vorsten, en gans Israel, die er gevonden werden, geofferd hadden;
En de weggevoerden, die uit de gevangenis gekomen waren, offerden den God Israels brandofferen; twaalf varren voor gans Israel, zes en negentig rammen, zeven en zeventig lammeren, twaalf bokken ten zondoffer; alles ten brandoffer den HEERE.
Toen stond Ezra op, en deed de oversten der priesteren, de Levieten en gans Israel zweren, te zullen doen naar dit woord; en zij zwoeren.
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (17)
- Exodus (4)
- Leviticus (3)
- Deuteronomium (15)
- Jozua (17)
- Richteren (4)
- 1 Samuël (15)
- 2 Samuël (22)
- 1 Koningen (14)
- 2 Koningen (5)
- 1 Kronieken (17)
- 2 Kronieken (29)
- Ezra (5)
- Nehemia (5)
- Job (3)
- Psalmen (7)
- Spreuken (3)
- Hooglied (1)
- Jesaja (11)
- Jeremia (15)
- Ezechiël (7)
- Daniël (1)
- Hosea (1)
- Micha (1)
- Nahum (2)
- Habakuk (1)
- Zefanja (1)
- Maleachi (1)