'Ja' in de Bijbel
En hij zeide: Dat late mijn God verre van mij zijn, van zulks te doen! Zou ik het bloed dezer mannen drinken? Met gevaar huns levens, ja, met gevaar huns levens hebben zij dat gebracht. En hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden.
Als gij weinige mensen in getal waart; ja, weinigen en vreemdelingen daarin.
Ja, het worde waar, en Uw Naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat men zegge: De HEERE der heirscharen, de God van Israel, is Israels God; en het huis van David, Uw knecht, zij bestendig voor Uw aangezicht.
En David zeide tot God: Ben ik het niet, die gezegd heb, dat men het volk tellen zou? Ja, ik zelf ben het, die gezondigd en zeer kwalijk gehandeld heb; maar deze schapen, wat hebben die gedaan? O HEERE, mijn God, dat toch Uw hand tegen mij, en tegen het huis mijns vaders zij, maar niet tegen Uw volk ter plage.
Toen vergaderde David te Jeruzalem alle oversten van Israel, de oversten der stammen, en de oversten der verdelingen, den koning dienende, en de oversten der duizenden, en de oversten der honderden, en de oversten van alle have en vee des konings en zijner zonen, met de kamerlingen, en de helden, ja, allen kloeken held.
En al de vorsten, en helden, ja, ook al de zonen van den koning David, gaven de hand, dat zij onder den koning Salomo zijn zouden.
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (10)
- Exodus (8)
- Leviticus (5)
- Numberi (4)
- Deuteronomium (9)
- Jozua (4)
- Richteren (2)
- Ruth (2)
- 1 Samuël (8)
- 2 Samuël (8)
- 1 Koningen (15)
- 2 Koningen (10)
- 1 Kronieken (6)
- 2 Kronieken (11)
- Ezra (3)
- Nehemia (6)
- Job (15)
- Psalmen (40)
- Spreuken (14)
- Prediker (6)
- Hooglied (3)
- Jesaja (42)
- Jeremia (39)
- Klaagliederen (2)
- Ezechiël (44)
- Daniël (7)
- Hosea (10)
- Joël (2)
- Amos (3)
- Obadja (2)
- Micha (5)
- Nahum (2)
- Habakuk (1)
- Zefanja (2)
- Zacharia (8)
- Maleachi (2)