'Ja' in de Bijbel
Jozua nu had het volk geboden, zeggende: Gij zult niet juichen, ja, gij zult uw stem niet laten horen, en geen woord zal er uit uw mond uitgaan, tot op den dag, wanneer ik tot ulieden zeggen zal: Juicht! dan zult gij juichen.
Zo vreesden zij zeer; want Gibeon was een grote stad, als een der koninklijke steden; ja, zij was groter dan Ai, en al haar mannen waren sterk.
Alzo sloeg Jozua het ganse land, het gebergte, en het zuiden, en de laagte, en de aflopingen der wateren, en al hun koningen; hij liet geen overigen overblijven; ja, hij verbande alles, wat adem had, gelijk als de HEERE, de God Israels, geboden had.
En Jozua zeide tot het ganse volk: Ziet, deze steen zal ons tot een getuigenis zijn; want hij heeft gehoord al de redenen des HEEREN, die Hij tot ons gesproken heeft; ja, hij zal tot een getuigenis tegen ulieden zijn, opdat gij uw God niet liegt.
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (10)
- Exodus (8)
- Leviticus (5)
- Numberi (4)
- Deuteronomium (9)
- Jozua (4)
- Richteren (2)
- Ruth (2)
- 1 Samuël (8)
- 2 Samuël (8)
- 1 Koningen (15)
- 2 Koningen (10)
- 1 Kronieken (6)
- 2 Kronieken (11)
- Ezra (3)
- Nehemia (6)
- Job (15)
- Psalmen (40)
- Spreuken (14)
- Prediker (6)
- Hooglied (3)
- Jesaja (42)
- Jeremia (39)
- Klaagliederen (2)
- Ezechiël (44)
- Daniël (7)
- Hosea (10)
- Joël (2)
- Amos (3)
- Obadja (2)
- Micha (5)
- Nahum (2)
- Habakuk (1)
- Zefanja (2)
- Zacharia (8)
- Maleachi (2)