'Muur' in de Bijbel
Doch de discipelen namen hem des nachts, en lieten hem neder door den muur, hem aflatende in een mand.
En ik werd door een venster in een mand over den muur nedergelaten, en ontvlood zijn handen.
En zij had een groten en hogen muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, welken zijn de namen der twaalf geslachten der kinderen Israels.
En de muur der stad had twaalf fondamenten, en in dezelve de namen der twaalf apostelen des Lams.
En hij die met mij sprak, had een gouden rietstok, opdat hij de stad zou meten, en haar poorten, en haar muur.
En hij mat haar muur op honderd vier en veertig ellen, naar de maat eens mensen, welke des engels was.
En het gebouw van haar muur Jaspis; en de stad was zuiver goud, zijnde zuiver glas gelijk.
En de fondamenten van den muur der stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd. Het eerste fondament was Jaspis, het tweede Saffier, het derde Chalcedon, het vierde Smaragd.